Biologie is overal
- Levensloop: de ontwikkeling en groei van ontstaan tot dood van één organisme.
- Levenscyclus: de ontwikkeling en groei van ontstaan tot dood van meerdere
organismen binnen één soort.
- Levensverschijnselen: ademen, voeden, bewegen, groeien, uitscheiden,
voortplanten en waarnemen.
- Abiotische factor: invloeden van de levenloze natuur (regen, wind, zon).
- Biotische factor: invloeden van de levende natuur (boom, gras, planten).
- De organisatieniveaus:
- Molecuul- organel - cel - weefsel - orgaan - orgaanstelsel - organisme - populatie -
ecosysteem - systeem aarde
1. Individu (één olifant).
2. Populatie (kudde olifanten).
3. Levensgemeenschap (kudde olifanten + kudde leeuwen).
4. Ecosysteem (kudde olifanten + kudde leeuwen + alle abiotische factoren).
5. Biosfeer (alle ecosystemen op aarde samen).
Organen weefsels en cellen
- Weefsels: een groep cellen met dezelfde vorm en functie, er zijn 3 soorten weefsels:
1. Dekweefsel: bekleed en beschermd, rechthoekig en liggen dicht bij elkaar
(slijmvlies → binnen kant van je mond en holle organen zijn ermee bedekt).
2. Zenuwweefsel: geeft informatie door, vertakte uitlopers die netwerken vormen
(organen van zenuwstelsel zijn ermee bedekt → hersenen, ruggenmerg en zenuwen).
3. Spierweefsel: zorgt voor de beweging, zijn lange en veelkernige vezels (spieren).
- Tussen sommige weefsels zit tussencelstof:
1. Beenweefsel: zorgt voor stevigheid, samenhang en elasticiteit.
2. Kraakbeenweefsel: zorgt voor buigbaarheid en elasticiteit. Door het kraakbeen
kan het weefsel vervormen (oren, neus, ribben). Kraakbeen heelt moeilijk, omdat er
geen bloedvaten in zitten.
Plantaardige en dierlijke cellen en hun organellen
Organellen die in alle cellen voorkomen:
1. Celmembraan
2. Vloeistof (cytoplasma of grondplasma)
3. DNA of RNA → chromosomen
4. Ribosomen → eiwitfabrieken
- Het transport van stoffen gaat via blaasjes op 2 manieren:
1. Endocytose: opening in de celmembraan om stoffen op te nemen.
2. Exocytose: opening in de celmembraan om stoffen af te geven.
,- Het celmembraan:
1. Het zit om de cel heen om de organellen in de cel te houden.
2. Er zitten openingen in die water, ionen en eiwitten transporteren.
3. Er zit cholesterol in voor de versteviging.
4. Het bestaat uit een dubbele laag fosfolipiden. Fosfolipiden zijn vetten die
bestaan uit een hydrofiele kop en een hydrofobe staart.
-Plantaardige celorganellen:
1. Celwand: geeft stevigheid + bescherming.
2. Celmembraan: zie hierboven.
3. Cytoplasma / grondplasma: water met organellen en opgeloste stoffen.
4. Celkern: regelt processen in de cel.
5. Kernmembraan: scheidt de binnenkant van de kern met het cytoplasma.
6. Vacuole: opslag van reserve-, kleur- en afvalstoffen + stevigheid.
7. Chloroplast / bladgroenkorrel: zorgt voor de fotosynthese + groene kleur
8. Chromoplast: zorgt voor de rode, oranje en gele kleur.
9. Leukoplast: opslag van zetmeel, olie en proteïne.
10. Ribosoom: aanmaak van eiwitten.
11. Endoplasmatisch Reticulum: transporteert en verwerkt eiwitten.
12. Mitochondrium: aanmaak van energie.
13. Golgisysteem: eiwitten uit het ER worden bewerkt, opgeslagen en
getransporteerd.
- Dierlijke cellen hebben 8 organellen die ook plantaardige cellen hebben (zie binas
welke). Dierlijke cellen hebben ook nog een flagel. De flagel is een sensor en zorgt
voor beweging.
Transport door membranen
- Passief transport: gaat vanzelf, kost geen energie en is niet selectief.
- Actief transport: gaat niet vanzelf, kost energie en is wel selectief.
- Diffusie: de verplaatsing van een stof van een plaats met een hoge concentratie
naar een plaats met een lage concentratie van die stof.
- Productie van eiwitten:
1. DNA bevat info om eiwitten te maken.
2. MRNA is een kopie van een stukje DNA.
3. Ribosomen lezen de MRNA en maken de eiwitten.
4. ER vangt de eiwitten op en transporteert ze naar het golgi apparaat.
5. Golgi apparaat zet de eiwitten om en maakt ze werkzaam.
6. Transportblaasjes zorgen voor het transport van eiwitten tussen het ER en golgi.
- Wat beïnvloedt de diffusiesnelheid?
1. De concentratie van de stof.
2. De afstand waarover diffusie plaatsvindt.
3. De oppervlakte waarover diffusie plaatsvindt.
4. De temperatuur.
5. De fase aanduiding (S,L,G)
6. Stroperigheid verlaagt de diffusiesnelheid.
- Osmose is een proces op basis van diffusie, waarbij water passief en vrij door de
celmembraan kan stromen.
- Osmotische waarde: het aantal opgeloste deeltjes per volume eenheid H2O.
, - Osmose bij dierlijke cellen:
1. Isotoon: de osmotische waarde is gelijk en stroomt even snel naar binnen als naar
buiten.
2. Hypotoon: de osmotische waarde is relatief laag vergeleken met een andere
oplossing en stroomt sneller naar binnen dan naar buiten.
3. Hypertoon: de osmotische waarde is relatief hoog vergeleken met een andere
oplossing en stroomt sneller naar buiten dan naar binnen.
- Plantaardige cellen zijn volledig permeabel (doorlaatbaar).
- De osmotische waarde van het cytoplasma is hoger dan dat van de omgeving en
de plantencellen zwellen op. De cellen barsten niet, maar er komt druk op te staan
en dit heet turgor. Het zorgt voor de stevigheid van de cellen.
- Wanneer de turgor verdwijnt, gaat het water de cel uit en laat de celmembraan los
van de celwand zodat de cel niet krimpt en dit heet plasmolyse. Uiteindelijk gaat de
cel dood.
Natuurwetenschappelijk onderzoek
- Er zijn 4 verschillende onderzoeken:
1. Literatuuronderzoek: je verzamelt de bestaande kennis over een onderwerp.
2. Beschrijvend onderzoek: je beschrijft iets, waarmee je de wh-vragen kunt
beantwoorden.
3. Hypothesetoetsend onderzoek: je doet een experiment om je hypothese te
toetsen.
4. Ontwerpend onderzoek: je gaat iets maken; probleem, idee, concept, prototype,
testen, presenteren.