In de periode tussen 1000-1900 waren er verschillende westerse bouwstijlen. Bij deze
bouwstijlen behoren enkele bouwkundige termen die telkens terugkomen.
Een gewelf is een schaalvormige constructie om een ruimte te overdekken. Doordat het
gebogen is kan de constructie zijn eigen gewicht opvangen, er zijn verschillende soorten
gewelven:
- Tonggewelf: Deze gewelf heeft over de lengte dezelfde vorm.
- Kruisgewelf: Bij deze gewelf kruizen twee tonggewelven elkaar, hierbij dragen de
kappen het gewicht.
- Kruisribgewelf: Bij deze gewelf dragen de ribben het gewicht.
Een boog is een gebogen overspanning boven een opening in een bouwwerk. De boog
steunt met zijn uiteinden op twee steunpunten. Er zijn verschillende soorten bogen:
- Rondboog
- Spitsboog
Tussen de boog en de bovendorpel zit de timpaan. De timpaan wordt ook wel de fronton
genoemd. Hiervan zijn verschillende soorten:
- Boog
- Driehoek
Een kapiteel is het kopstuk van een zuil, hiervan zijn verschillende soorten:
- Dorisch
- Ionisch
- Korintisch
Een bundelpijler is een pijler die versierd is met halfzuilen, dit is een halve zuil tegen een
pijler aan. Door de halfzuilen lijkt de doorsnede op een bloem. Een collonet is een kleine
zuil. Een pinakel is een torentje ter versiering. Een steunbeer is een steuntje tegen een
muur om de druk die zijwaarts op de muur komt, op te vangen.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1 1000-1200 Romaanse bouwstijl
2 1150-1500 Gotiek
3 151115-1630 Renaissance
4 1600-1800 Barok, rococo & classicisme
5 1800-1870 Neoclassicisme
6 1840-1900 Historisme, neostijlen & ingenieursbouwkunst
7 1850-1900 Eclecticisme
8 1870-1900 Chaletstijl
9 1890-1910 Art Nouveau / Jugendstil
1. Romaanse bouwstijl | 1000 – 1200
De Romaanse bouwstijl verwijst naar het oude Rome, de stijl is te herkennen aan de sobere,
massieve uitstraling. Het massieve zie je terug in de dikke muren en korte brede torens. In
de stijl zie je veel rondbogen en kruisgewelven, deze rusten op pilaren die verspringen in
dikte. In de gebouwen zitten veel figuren verwerkt, je ziet er bijbelscenes, dieren en planten
en in de kapitelen staan figuren.
,De ramen en deuren zijn erg klein en aan de bovenkant zitten ronde timpanen, hierdoor is
het gebouw erg gesloten. Maar door de afgeschuinde dagkanten kan er toch licht
binnenkomen. De openingen worden aan elkaar gekoppeld met colonetten.
2. Gotiek | 1150 – 1500
Dankzij nieuwe bouwtechnieken ontstonden slankere, hogere constructies dan in de
Romaanse periode. Doordat er hoger gebouwd kon worden werd het ook wel ‘overwinnen op
het aardse bestaan’ genoemd. Dit hoger bouwen kon doordat er gebruik werd gemaakt van
bundelpijlers waarom verschillende dingen rustten:
- Gewelven
- Steunberen
- spitsbogen
Door het gebruik hiervan konden de wanden open zijn. Op de gebouwen zitten puntige
pinakels en ornamenten en de ramen zijn gemaakt van glas-in-lood.
3. Renaissance | 1515-1630
Tijdens de Renaissance bloeide de belangstelling voor de oudheid. De homo universalis
was belangrijk, dit was een persoon die wetenschap en kunst combineerde.
In de architectuur werd gekeken naar de Romeinse bouwkunst. Maar de gebouwen kregen
een duidelijke opbouw, eerst een plint, dan een middenstuk en daarna een lijst. Ook werden
de verschillende lagen uitgevoerd in verschillende materialen. Vaak was de onderste laag
een natuursteen. De ruiten waren vaak vierkante kruiskozijnen, ofwel een kozijn met vier
gelijke ramen. De gebouwen herken je aan de symmetrie.
4. Barok / Rococo / Classicisme | 1600 – 1780
Met het woord Barok wordt een ongelijkgevormde parel bedoeld, het ideale beeld van de
renaissance wilde men niet meer maar werd ingeruild voor iets dramatischer. In de stijl zijn
veel vormen verwerkt en roept emoties op. De term ‘Het leven is een feest’ past hier dan ook
goed bij. De klassieke elementen zoals kapitelen en timpanen kregen uitdagende vormen.
De contouren waren niet erg strak en er werd veel gebruik gemaakt van licht en donker.
De Rococo stijl is een lichtere, speelsere, fijnere vorm van de Barok. De stijl wordt gebouwd
onder Lodewijk XV en wordt daarom ook wel de laatbarok of Lodewijk XV-stijl genoemd. De
Barok draaide om drama en grootsheid, de rococo om lichtheid en verfijning, dit zie je terug
in de C-vormige krullen en bladeren.
Het classicisme keek terug op de Griekse en Romeinse oudheid, daarin stond orde, eenvoud
en zuiverheid centraal, dit past bij de verlichting die toen gaande was. Met deze stijl wilde
men laten zien dat ze macht hadden, de uitstraling zorgde ervoor dat het indruk op je
maakte, maar toch was het ingetogen. Er werden niet heel veel ornamenten toegepast, het
moest eenvoudig en symmetrisch blijven.
5. Neoclassicisme | 1750 – 1840
Net als bij het classicisme keerde men terug naar de eenvoudige, zuivere klassieke oudheid
stijl. Maar ditmaal werd er ook rekening gehouden met de wetenschap. Emotie moest niet
opgewekt worden maar het moest duiden op het verstand en de balans. De gebouwen zijn
dus sober, met duidelijke contouren en koel en helder kleurgebruik.
Het classicisme werd dus vooral toegepast om macht te tonen bij de kerk of de staat, terwijl
bij het neoclassicisme de nadruk lag op de wetenschap.
, 6. Historisme, Neostijlen & Ingenieursbouwkunst | 1840-1900
Door de industriële revolutie veranderde de bouwmaterialen en ontstonden er nieuwe
technieken. De oude stijlen bleven gebouwd worden maar met andere bouwtechnieken, dit
noem je stijlimitatie. De gebouwen herken je aan de gestukadoorde gevels en ornamenten
die in mallen zijn gegoten. De machinaal gemaakte baksteen, waardoor de stenen
maatvaster werden, werden toegepast in nauwkeuriger metselwerk.
Twee stijlen die hierin naar voren kwamen werden toegepast, het neorenaissance, dit zijn
gevelversieringen met mens- en dierkoppen en de stijl neogotiek, hierin zie je kerken met
hoge spitstorens.
7. Eclecticisme | 1850 – 1900
Bij deze bouwstijl werden bewust verschillende bouwstijlen gecombineerd. De stijlen uit de
historie werden gebruikt, maar nieuwe zelfbedachte details werden toegevoegd. De
elementen werden seriematig gemaakt. De gevels waren druk met veel decoratieve
elementen.
8. Chaletstijl | 1870-1900
Door internationalisering kwam de Zwitserse bouwkunst naar Nederland. De chalets werden
uitgevoerd in verschillende varianten:
- Baksteen met een gevelverdeling door speklagen
- Vakwerkgevels
- Houten geveldelen
De kappen en dakkapellen staken over en de veranda’s en balkons waren gemaakt van
hout, dit hout werd voorzien van houtsnijwerk.
9. Art Nouveau / Jugendstil | 1890 – 1910
Deze stijl was helemaal nieuw. De lijnen zijn gebogen en niet symmetrisch, de decoraties zijn
gekoppeld aan de natuur. Er werd veel glas toegepast in ijzeren omlijstingen.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Bouwkunde 4 – College 5
10 1890 - 1916 Prairie Style
11 1910 - 1940 Art Deco
12 1919 - 1939 Expressionisme
13 1e helft van de 20e Modernisme
eeuw
14 1917-1932 De Stijl
15 1919-1932 Bauhaus
16 1925-1964 Nieuw zakelijkheid
17 1925-1955 Delftse School
18 1950’s Functionalisme
19 1970-1980 Structuralisme
20 1e helft van de 20e Postmodernisme
eeuw
21 1920-heden Organische en antroposofische architectuur
22 1965-1980 High Tech
23 2000 - Heden Supermodernisme
10. Prairie Style | 1890-1916
In deze stijl werden huizen gebouwd naar de openheid van de prairie, wat buiten is moest