Hoofdstuk 1
Paragraaf 2
Onder de term ‘het recht’ verstaan we het geheel van alle geldende
rechtsregels. Ook wel het ‘objectief en positief recht’ genoemd. Het is van
belang om deze rechtsregels te onderscheiden van voorschriften die uit
moraal of godsdienst voortvloeien en van fatsoensregels. Regels die nog
niet in zijn gevoerd of zijn afgeschaft behoren hier niet bij, omdat er soms
wel invloed is op het positieve recht maar ze geen rechtskracht hebben.
Deze rechtsregels ordenen de verhouding tussen personen door aan hen
bevoegdheden en verplichtingen toe te kennen.
Onder de term ‘subjectief recht’ verstaan we de bevoegdheid die iemand
in een concreet geval aan een regel van het objectieve recht ontleent
(denk aan stemrecht vanaf 18 jaar).
Er zijn twee betekenissen van recht, namelijk: recht in de zin van de
algemene regel – objectief recht (law) en recht in de zin van een
individuele bevoegdheid – subjectief recht (right). Iedere individuele
bevoegdheid die iemand jegens een ander of jegens alle anderen kan
doen gelden, moet altijd berusten op een algemene regel.
Met de wet hebben we één rechtsbron genoemd: het positieve recht.
Andere rechtsbronnen:
1. De wet
2. De jurisprudentie (rechtspraak)
3. De gewoonte
4. Verdragen en sommige besluiten van internationale organisaties
5. Algemene rechtsbeginselen
6. Gepubliceerde beleidsregels
Wanneer er minder duidelijke regels staan in wetten, maakt of formuleert
de rechter zelfstandig een nieuwe regel. Wanneer andere rechters in latere
geschillen gebruik van maken, is er sprake van jurisprudentie.
(rechtersrecht).
Waarom deze bronnen als rechtsbronnen?
De iure – strikt juridisch. De facto – in praktijk. Jurisprudentie heeft strikt
juridisch gezien niet dezelfde rechtskracht als de wet, maar in praktijk wel.
De gewoonte is niet in de wet vastgelegd, maar kunnen als bindende
rechtsregels worden beschouwd en nageleefd. Verdragen en wetgevende
besluiten van internationale organisaties waartoe Nederland behoort,
,hebben in ons recht in beginsel dezelfde werking als gewone wetten en
behoren daarom tot het positieve recht. Algemene rechtsbeginselen zijn
algemeen erkende basisprincipes die ten grondslag liggen aan wet- en
regelgeving. (gelijkheidsbeginsel, redelijkheid en billijkheid,
rechtszekerheid beginsel, proportionaliteit en subsidiariteit en het adagium
(geen straf zonder schuld)). Gepubliceerde beleidsregels zijn (interne)
instructienormen waarin een bestuursorgaan bepaalt hoe het zijn
bevoegdheden uitoefent.
Paragraaf 4
Het recht heeft twee belangrijke functies, namelijk: ordening van het
menselijk gedrag door het stellen van rechtsregels en handhaving van die
regels door geschilbeslechting. De rechten die betrekking hebben op de
rechten en plichten van personen in hun onderling verkeer, worden regels
van materieel recht genoemd. Regels over de wijze van procederen
worden regels van formeel recht genoemd (procesrecht).
Materieel recht voorbeelden: betalen en levering van een telefoon, recht
van een student op studiefinanciering.
Formeel recht voorbeelden: betaling is gedaan maar levering van een
telefoon wordt tegengehouden resulteert in een proces bij de rechter
formeel recht.
Paragraaf 5.2
Een synoniem voor bestuursrecht is administratief recht. Het omvat alles
over het optreden van de bestuursorganen tegen over de burger en een
eigen procesrecht voor de beslechting van geschillen.
Onder een beschikking wordt verstaan een besluit van een bestuursorgaan
ineen individueel geval. Dit kan rechten verlenen, maar ook verplichtingen
opleggen.
Voorbeelden van beschikkingen zijn: vergunningen (woonvergunning,
visvergunning en milieuvergunningen), het opleggen van een
belastingaanslag, het verstrekken van een visum, het toekennen van
studiefinanciering, het verstrekken van een WW-uitkering en het
toekennen van een diploma van de afgifte van een rijbewijs.
Het materiele bestuursrecht houdt zich bezig met de bevoegdheid van
bestuursorganen tot het maken van beschikkingen en met de vereisten die
aan een rechtsgeldige beschikking worden gesteld. Op landelijk niveau zijn
onder meer de regering en ministers bevoegd tot het geven van
,beschikkingen. Ook kunnen bevoegd zijn: gedeputeerde staten van een
provincie, het college van burgemeester en wethouders van een
gemeente, de commissaris van de Koning, het bestuur van een
waterschap en ook een andere niet tot de overheid behorende instantie of
een ‘persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed’.
Beschikkingen zijn alleen geldig wanneer ze in overeenstemming zijn met
de wet en met de zogenoemde algemene beginselen van behoorlijk
bestuur (abbb’s).
In het formele bestuursrecht – het bestuursprocesrecht- is vastgesteld dat
een burger tegen een beschikking bezwaar kan maken bij het
bestuursorgaan dat de beschikking uitvaardigde. Als deze bestuursorgaan
een keuze maakt waar de burger het niet mee eens is, kan hij beroep
instellen bij de bestuursrechter van de rechtbank. Deze verleent
rechtsbescherming aan de burger tegen beschikkingen waarmee iets mis
is.
Hoofstuk 5
Paragraaf 1
De a-organen zijn de bestuursorganen van rechtspersonen die op basis
van publiekrecht zijn ingesteld. Zij vormen de kern van het
bestuursapparaat. Publiekrechtelijke rechtspersonen zijn: de staat, de
provincies, de gemeenten, de waterschappen en alle lichamen (Caribische
deel en openbare lichamen voor beroep en bedrijf) bij of waaraan
krachtens de grondwet rechtspersoonlijkheid is toegekend.
Andere lichamen die publiekelijk rechtspersoon kunnen zijn, hebben een
deel van een overheidstaak opgedragen gekregen en bezitten
rechtspersoonlijkheid (uit de wet gevolgd). Denk aan politie.
De b-organen zijn de andere personen of college met enig openbaar gezag
bekleed. Zij oefenen hun bevoegdheid uit op een specifiek terrein van het
maatschappelijk leven. Denk aan een garagehouder die een apk-
keuringsbewijs af mag geven. Geen bestuursorganen zijn: de wetgevende
macht, de Eerste en Tweede kamer, de volledig rechterlijke macht, de
Raad van State en de Algemene Rekenkamer.
Paragraaf 2
Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een
bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke handeling.
Overheidsorganen kunnen in beginsel twee soorten handelingen
verrichten die voor het recht van belang zijn: feitelijke handelingen met
, rechtsgevolg en rechtshandelingen. Feitelijke handelingen met
rechtsgevolg van een overheidslichaam zijn handelingen waaraan het
recht een gevolg verbindt, zonder dat daarbij de bedoeling van het
overheidslichaam ter zake doet.
Wanneer een overheidslichaam een onrechtmatige daad pleegt, wordt dit
een onrechtmatige overheidsdaad genoemd. Wanneer er gevallen zijn
waarbij de overheid schade toebrengt, zonder dat hij daarbij onrechtmatig
handelt, wordt dit een rechtmatige overheidsdaad genoemd. Deze
onrechtmatige en rechtmatige daden worden beheerst door het burgerlijk
recht, niet door het bestuursrecht.
Een rechtshandeling is een handeling gericht op het intreden van enig
rechtsgevolg. We spreken dan van een beoogd rechtsgevolg; de overheid
wil dat dit rechtsgevolg ontstaat. Bij een privaatrechtelijke rechtshandeling
gaat het om rechtshandelingen die anderen evenzogoed kunnen
verrichten.
Bij een publiekrechtelijke rechtshandeling gaat het juist om het
bestuursorgaan dat zelf handelt of beslist, niet de rechtspersoon.
Publiekrechtelijk betekent hier dat het overheidslichaam binnen de hem
exclusief toegekende overheidsbevoegdheid optreedt. Publiekrechtelijke
rechtshandelingen kunnen onderscheiden in AWB-besluiten en besluiten
die niet onder de werking van de AWB vallen.
De overheidslichamen die bevoegd zijn AWB-besluiten te nemen zijn a- en
b-organen. Andere overheidslichamen die geen bestuursorganen zijn in de
zin van de AWB kunnen ook besluiten maken, maar deze vallen buiten het
bereik van de AWB. Zie voor personen, colleges en de organen die niet
aangemerkt worden door de AWB als bestuursorgaan art. 1.1 lid 2 AWB.