Voor het bepalen van het karakter van de lening, moeten en drie elementen worden onderzocht:
1. Eigen vermogen of vreemd vermogen?
2. Lening met onzakelijke rente?
3. Lening met onzakelijk debiteurenrisico?
Het uitgangspunt bij de kwalificatie van een geldverstrekking is de civielrechtelijke kwalificatie. Dit
volgt uit BNB 1988/217 (Unilever-arrest). Met name de terugbetalingsverplichting wijst op eventueel
vreemd vermogen. Er bestaan echter ook uitzonderingen op het uitgangspunt. Zo kan iets wat
civielrechtelijk wordt aangemerkt als een lening (vreemd vermogen), fiscaalrechtelijk worden
geherkwalificeerd als eigen vermogen (limitatief):
Schijnlening;
Deelnemerschapslening (art. 10 lid 1 sub d Wet VPB); en
Bodemlozeputlening.
In deze casus is geen sprake van een uitzondering. De lening is dus gewoon vreemd vermogen.
De lening heeft een onzakelijke rente. Een derde zou niet bereid zijn tegen 0% deze geldverstrekking
te doen aan Bloem B.V. Uit BNB 1978/252 en art. 8b Wet VPB volgt dat moet worden onderzocht of
deze rente te verzakelijken is. Deze rente is in casu niet te vinden. Dit betekent dat de lening moet
worden aangemerkt als een lening met een onzakelijke debiteurenrisico. In BNB 2013/149 heeft de
Hoge Raad geoordeeld dat als er sprake is van een onzakelijke lening, deze lening een aantal
bijzondere eigenschappen heeft. Zo wordt de rente die fiscaal in aanmerking moet worden genomen
bepaald aan de hand van de borgstellingsanalogie 6%. Deze rente zal worden aangemerkt als
informele kapitaalstorting van de moeder in de dochter. Indien de dochter insolvabel is, moet de
moeder dan nog steeds de fictieve rente in aanmerking nemen? De Hoge Raad vindt van niet. De
fictieve rentetermijn moet worden gewaardeerd op het moment dat deze vervalt. Voor dat bedrag
wordt de moeder belast en dat bedrag geldt als informele kapitaalstorting. Bloem B.V. zal 6% mogen
aftrekken en bij Pietersen Holding B.V. is 6% belast.
De looptijd van de lening is van belang voor de renteaftrekbeperkingen. In art. 10b Wet VPB is een
renteaftrekbeperking opgenomen voor renteloze en laagrentende leningen met een looptijd langer
dan 10 jaar die worden uitgeleend aan gelieerde lichamen. In casu heeft de lening een
rentepercentage van 0. Uit de casus volgt niet precies de looptijd van de lening, maar wel dat deze
langlopend is. Ik ga ervanuit dat dit langer dan 10 jaar is. Er is dus sprake van een art. 10b-lening,
waardoor Bloem B.V. de rente niet mag aftrekken. Dit betekent niet dat er geen fictieve rente bij
Pietersen Holding B.V. in aanmerking wordt genomen. Er ontstaat dus een onevenwichtige situatie:
geen aftrek, wel heffing.