Staatsrecht 2024-2025
Week 4: Wetgever, rechter en toetsing van wetgeving
24 – 28 februari 2025
Voorgeschreven literatuur:
Heringa e.a. Staatsrecht 2022:
- nrs. 35-36a p. 102-109 (totstandkoming en inhoud verdragen) (7 p.)
- nr. 44a en b p. 128-131 (internationale betrekkingen) (2 p.)
- nrs. 93-96 (m.u.v. nr. 94c), p. 279-302 (p. 293 -297) (historische ontwikkelingen incl. knelpunten,
wetgevingsproces) en nr. 98 ontwikkelingen in wetgeving, p. 308-315 (26 p.)
- nr. 156, p. 431-439 (toegang tot de rechter) (8 p.)
- nr. 159, p. 443-447 (de rechterlijke onafhankelijkheid) (4 p.)
- nrs. 169-170, 171b (toetsing van lagere aan hogere regelingen, toetsingsverboden, constitutionele
toetsing in Nederland) (6 p.)
- Deel conclusie A-G Snijders (op Canvas).
Jurisprudentie
- HR 22 juni 1973, in: T. Barkhuysen, J.E.M. Polak, B.J. Schueler, R.J.G.M. Widdershoven (red.) AB
Klassiek 2009, Deventer: Kluwer 2009, p. 49-60, m.nt. F.J. van Ommeren (Fluoridering) (Canvas)
Inhoudelijke leerdoelen
Na het bestuderen van het onderwijsmateriaal en het volgen van de colleges:
(A) heb je inzicht in de reikwijdte van het legaliteitsbeginsel, mede in het licht van de
historische ontwikkeling ervan;
(B) kun je aangeven hoe het belang van wetgeving, via het legaliteitsbeginsel, voortvloeit uit de
eisen van democratie en rechtsstaat;
(C) kun je aangeven of en waarom in een concreet geval een wettelijke grondslag is vereist voor
overheidsoptreden;
(D) kun je beschrijven hoe wet- en regelgeving op centraal niveau totstandkomen en op welke
wijze parlementaire betrokkenheid mogelijk kan worden gemaakt bij amvb’s:
(E) kun je ontwikkelingen op het gebied van wetgeving (o.a. delegatie en discretionaire
bevoegdheden) en daarmee samenhangende knelpunten duiden in het licht van het
legaliteitsbeginsel;
(F) heb je inzicht in het belang van parlementaire betrokkenheid bij de totstandkoming van
verdragen en kun je uitleggen op welke wijze deze gewaarborgd is in het Nederlandse
staatsrecht;
(G) ken je de grondwettelijke en verdragsrechtelijke waarborgen voor onafhankelijke en
onpartijdige rechtspraak en kan je deze toepassen;
(H) kun je verbanden leggen tussen deze waarborgen en de werkwijze en organisatie van de
rechtspraak in Nederland;
(I) kun je uitleggen hoe de bevoegdheid van de Nederlandse rechter zich historisch heeft
ontwikkeld en welke rol artikel 6 EVRM daarbij heeft gespeeld;
(J) weet je hoe de bevoegdheid van de Nederlandse rechter nu grondwettelijk is geregeld en
kun je deze bepalingen toepassen;
(K) kun je uitleggen wat de betekenis is van artikel 120 Gw voor de omvang van de rechterlijke
toetsing.
1
, Voorbereiding
Voorafgaand aan het werkgroeponderwijs heb je de verplichte literatuur en jurisprudentie gelezen.
Uiterlijk om 16.00u. op de dag vóórdat je werkgroep volgt, lever je je antwoorden op alle vragen in
via Canvas (d.w.z.: zowel de opfris- en opzoekvragen, als de overige werkgroepvragen).
Opzoek- en opfrisvragen:
1. Van de Nederlandse Grondwet wordt wel gesteld dat zij ‘rigide’ is.
a. Wat betekent dat? Noem een voor- en een nadeel van een rigide Grondwet. De grondwet heeft
een moeilijke wijzigingsprocedure, het duurt daarom heel lang om een aanpassing te maken in de
grondwet dus dat is soms vervelend, een voordeel is wel dat de grondwet beter beschermd wordt
omdat het dus niet zo makkelijk aan te passen is.
b. In het Handboek wordt uitgelegd hoe het initiatiefvoorstel-Halsema in 2018 heeft geleid tot een
vraag over de (destijds geldende) grondwetsherzieningsprocedure. Welke vraag was dat, en
waarom rees zij? Hoe is de kwestie opgelost? Het initiatiefvoorstel-Halsema (2018) riep de vraag op
of de voorgestelde grondwetswijziging via de reguliere herzieningsprocedure moest verlopen. Dit
kwam doordat het voorstel een nieuw recht betrof (referenda), wat discussie opriep over de
noodzaak van een volledige grondwetsherziening. De kwestie werd opgelost door te bevestigen dat
de reguliere procedure gevolgd moest worden, inclusief behandeling in beide Kamers en een
verkiezing voor definitieve goedkeuring. Over lid 2 toevoegen 120 GW dat je wetten kan toetsen aan
grondrechten)
2.
a. Welke drie functies van wetgeving onderscheiden de auteurs van het Handboek? Leg uit wat die
functies inhouden.
Instrumentele functie – Wetgeving wordt gebruikt om beleid te realiseren, bijvoorbeeld door
maatschappelijke problemen aan te pakken of gedragingen te sturen (zoals milieuwetgeving om
vervuiling te verminderen).
Rechtsstatelijke functie – Wetgeving biedt rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en bescherming tegen
willekeur, waardoor burgers weten waar ze aan toe zijn en de overheid gebonden is aan regels.
Expressieve functie – Wetgeving heeft een symbolische of normatieve rol door waarden en normen
uit te dragen, zoals het verbod op discriminatie in de Grondwet.
b. Wat is experimenteerwetgeving? Waarom kan die op gespannen voet staan met de
democratische rechtsstaat? Wetgeving waarmee tijdelijk wordt afgeweken van bestaande regels
om nieuwe beleidsmaatregelen te testen. Dit kan nuttig zijn om innovatieve oplossingen uit te
proberen voordat ze definitief worden ingevoerd. Dit kan op gespannen voet staan omdat
experimenteerwetgeving kan leiden tot rechtsongelijkheid (sommige burgers vallen onder andere
regels dan anderen) en onzekerheid (omdat de tijdelijke regels kunnen veranderen). Bovendien kan
het parlement minder grip hebben op de uitvoering en gevolgen van zulke experimenten.
3. Welke regelgevers zijn op grond van de Grondwet bevoegd om het ontslag van rechters te
reguleren? Kan deze bevoegdheid gedelegeerd worden? De formele wetgever op grond van artikel
117 lid 1 GW of de rechterlijke macht zelf (lid 3). De bevoegdheid kan niet gedelegeerd worden in lid
3 maar wel in lid 4.
Vraag 1
De minister van VWS maakt zich zorgen. Een paar jaren terug berichtten sommige landelijke kranten
over een ‘wildgroei’ aan lifestyle- en burnout-coaches, en tot haar schrik groeit dat aantal nog
2
Week 4: Wetgever, rechter en toetsing van wetgeving
24 – 28 februari 2025
Voorgeschreven literatuur:
Heringa e.a. Staatsrecht 2022:
- nrs. 35-36a p. 102-109 (totstandkoming en inhoud verdragen) (7 p.)
- nr. 44a en b p. 128-131 (internationale betrekkingen) (2 p.)
- nrs. 93-96 (m.u.v. nr. 94c), p. 279-302 (p. 293 -297) (historische ontwikkelingen incl. knelpunten,
wetgevingsproces) en nr. 98 ontwikkelingen in wetgeving, p. 308-315 (26 p.)
- nr. 156, p. 431-439 (toegang tot de rechter) (8 p.)
- nr. 159, p. 443-447 (de rechterlijke onafhankelijkheid) (4 p.)
- nrs. 169-170, 171b (toetsing van lagere aan hogere regelingen, toetsingsverboden, constitutionele
toetsing in Nederland) (6 p.)
- Deel conclusie A-G Snijders (op Canvas).
Jurisprudentie
- HR 22 juni 1973, in: T. Barkhuysen, J.E.M. Polak, B.J. Schueler, R.J.G.M. Widdershoven (red.) AB
Klassiek 2009, Deventer: Kluwer 2009, p. 49-60, m.nt. F.J. van Ommeren (Fluoridering) (Canvas)
Inhoudelijke leerdoelen
Na het bestuderen van het onderwijsmateriaal en het volgen van de colleges:
(A) heb je inzicht in de reikwijdte van het legaliteitsbeginsel, mede in het licht van de
historische ontwikkeling ervan;
(B) kun je aangeven hoe het belang van wetgeving, via het legaliteitsbeginsel, voortvloeit uit de
eisen van democratie en rechtsstaat;
(C) kun je aangeven of en waarom in een concreet geval een wettelijke grondslag is vereist voor
overheidsoptreden;
(D) kun je beschrijven hoe wet- en regelgeving op centraal niveau totstandkomen en op welke
wijze parlementaire betrokkenheid mogelijk kan worden gemaakt bij amvb’s:
(E) kun je ontwikkelingen op het gebied van wetgeving (o.a. delegatie en discretionaire
bevoegdheden) en daarmee samenhangende knelpunten duiden in het licht van het
legaliteitsbeginsel;
(F) heb je inzicht in het belang van parlementaire betrokkenheid bij de totstandkoming van
verdragen en kun je uitleggen op welke wijze deze gewaarborgd is in het Nederlandse
staatsrecht;
(G) ken je de grondwettelijke en verdragsrechtelijke waarborgen voor onafhankelijke en
onpartijdige rechtspraak en kan je deze toepassen;
(H) kun je verbanden leggen tussen deze waarborgen en de werkwijze en organisatie van de
rechtspraak in Nederland;
(I) kun je uitleggen hoe de bevoegdheid van de Nederlandse rechter zich historisch heeft
ontwikkeld en welke rol artikel 6 EVRM daarbij heeft gespeeld;
(J) weet je hoe de bevoegdheid van de Nederlandse rechter nu grondwettelijk is geregeld en
kun je deze bepalingen toepassen;
(K) kun je uitleggen wat de betekenis is van artikel 120 Gw voor de omvang van de rechterlijke
toetsing.
1
, Voorbereiding
Voorafgaand aan het werkgroeponderwijs heb je de verplichte literatuur en jurisprudentie gelezen.
Uiterlijk om 16.00u. op de dag vóórdat je werkgroep volgt, lever je je antwoorden op alle vragen in
via Canvas (d.w.z.: zowel de opfris- en opzoekvragen, als de overige werkgroepvragen).
Opzoek- en opfrisvragen:
1. Van de Nederlandse Grondwet wordt wel gesteld dat zij ‘rigide’ is.
a. Wat betekent dat? Noem een voor- en een nadeel van een rigide Grondwet. De grondwet heeft
een moeilijke wijzigingsprocedure, het duurt daarom heel lang om een aanpassing te maken in de
grondwet dus dat is soms vervelend, een voordeel is wel dat de grondwet beter beschermd wordt
omdat het dus niet zo makkelijk aan te passen is.
b. In het Handboek wordt uitgelegd hoe het initiatiefvoorstel-Halsema in 2018 heeft geleid tot een
vraag over de (destijds geldende) grondwetsherzieningsprocedure. Welke vraag was dat, en
waarom rees zij? Hoe is de kwestie opgelost? Het initiatiefvoorstel-Halsema (2018) riep de vraag op
of de voorgestelde grondwetswijziging via de reguliere herzieningsprocedure moest verlopen. Dit
kwam doordat het voorstel een nieuw recht betrof (referenda), wat discussie opriep over de
noodzaak van een volledige grondwetsherziening. De kwestie werd opgelost door te bevestigen dat
de reguliere procedure gevolgd moest worden, inclusief behandeling in beide Kamers en een
verkiezing voor definitieve goedkeuring. Over lid 2 toevoegen 120 GW dat je wetten kan toetsen aan
grondrechten)
2.
a. Welke drie functies van wetgeving onderscheiden de auteurs van het Handboek? Leg uit wat die
functies inhouden.
Instrumentele functie – Wetgeving wordt gebruikt om beleid te realiseren, bijvoorbeeld door
maatschappelijke problemen aan te pakken of gedragingen te sturen (zoals milieuwetgeving om
vervuiling te verminderen).
Rechtsstatelijke functie – Wetgeving biedt rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en bescherming tegen
willekeur, waardoor burgers weten waar ze aan toe zijn en de overheid gebonden is aan regels.
Expressieve functie – Wetgeving heeft een symbolische of normatieve rol door waarden en normen
uit te dragen, zoals het verbod op discriminatie in de Grondwet.
b. Wat is experimenteerwetgeving? Waarom kan die op gespannen voet staan met de
democratische rechtsstaat? Wetgeving waarmee tijdelijk wordt afgeweken van bestaande regels
om nieuwe beleidsmaatregelen te testen. Dit kan nuttig zijn om innovatieve oplossingen uit te
proberen voordat ze definitief worden ingevoerd. Dit kan op gespannen voet staan omdat
experimenteerwetgeving kan leiden tot rechtsongelijkheid (sommige burgers vallen onder andere
regels dan anderen) en onzekerheid (omdat de tijdelijke regels kunnen veranderen). Bovendien kan
het parlement minder grip hebben op de uitvoering en gevolgen van zulke experimenten.
3. Welke regelgevers zijn op grond van de Grondwet bevoegd om het ontslag van rechters te
reguleren? Kan deze bevoegdheid gedelegeerd worden? De formele wetgever op grond van artikel
117 lid 1 GW of de rechterlijke macht zelf (lid 3). De bevoegdheid kan niet gedelegeerd worden in lid
3 maar wel in lid 4.
Vraag 1
De minister van VWS maakt zich zorgen. Een paar jaren terug berichtten sommige landelijke kranten
over een ‘wildgroei’ aan lifestyle- en burnout-coaches, en tot haar schrik groeit dat aantal nog
2