Staatsrecht 2024-2025
Week 3: Verhouding regering – parlement, parlementaire controle, vertrouwen
17 – 21 februari 2025
Voorgeschreven literatuur:
Heringa e.a., Staatsrecht 2022:
- nr. 11 in fine, p. 38 in fine-39 (1 p.) – Dualisme en monisme
- nrs. 64 en 65, p. 194-198 (5 p.) – (De ontwikkeling van het) parlementair stelsel
- nrs. 71 en 73, p. 222-223; 229-234 (6 p.) – Positie van Kamerleden
- nrs. 77-81, p. 239-256 (17 p.) – Kabinet(sformatie) en regeerakkoord
- nrs. 83-85, p. 258-270 (13 p.) – De verhouding tussen de regering en het parlement
- Dualisme en monisme, Parlement.com,
https://www.parlement.com/id/vh8lnhrpfxui/dualisme_en_monisme
- G.J.A. Geertjes en F.J.C. van Hout, ‘De verkenningsfase in de kabinetsformatie’, NJB 2023/2746 (Canvas)
Inhoudelijke leerdoelen
Na het bestuderen van het onderwijsmateriaal en het volgen van de colleges:
(A) heb je inzicht in de rechtspositie van de leden van de Staten-Generaal, weet je welke betekenis
artikel 67 van de Grondwet in dit verband heeft (en kun je die in concrete gevallen beoordelen);
(B) heb je inzicht in de werking van de vertrouwensregel als onderdeel van het parlementaire stelsel;
(C) ken je de inhoud en functie van het leerstuk van de politieke en strafrechtelijke ministeriële
verantwoordelijkheid en kun je deze leerstukken toepassen in een concrete casus; weet je hoe de
politieke ministeriële verantwoordelijkheid zich verhoudt tot het inlichtingenrecht en de
vertrouwensregel;
(D) ken je het belang van parlementaire controle en weet je op welke wijze het staatsrecht deze
controle mogelijk maakt (o.a. het inlichtingenrecht en het recht van enquête); kun je de
staatsrechtelijke regels inzake het inlichtingenrecht (artikel 68 Gw en de uitwerking daarvan in het
RvOTK) en het recht van enquête (artikel 70 Gw en de uitwerking daarvan in de WPE) toepassen in
een concrete casus;
(E) heb je inzicht in de werking van het instrument van kamerontbinding als onderdeel van het
parlementaire stelsel en kun je onderscheid maken tussen verschillende redenen die tot ontbinding
kunnen leiden;
(F) kun je de termen monisme en dualisme toepassen in relatie tot de juridische en politieke
verhouding tussen regering en parlement;
(G) heb je inzicht in de kabinetsformatie, de werking van het regeerakkoord en de invloed die daarvan
uitgaat op de verhouding tussen regering en parlement; je kan daarbij onderscheid maken tussen
de positie van de Tweede en van de Eerste Kamer.
Voorbereiding
Voorafgaand aan het werkgroeponderwijs heb je de verplichte literatuur en jurisprudentie gelezen.
Uiterlijk om 16.00u. op de dag vóórdat je werkgroep volgt, lever je je antwoorden op alle vragen in via
Canvas (d.w.z.: zowel de opfris- en opzoekvragen, als de overige werkgroepvragen).
1
, Opfris- en opzoekvragen
1. Kan de Tweede Kamer de minister-president over het handelen van de Koning ter verantwoording
roepen? Leg uit. Ja, de ministers heben ook verantwoordelijkheid voor het handelen van de koning op
grond van artikel 42 lid 2 GW, maar misschien geldt dit meer voor 1 minister uit specifiek gebied?
2. Heringa e.a. beschrijven in het Handboek dat uit het huidige, Nederlandse parlementaire stelsel vier
hoofdbestanddelen kunnen worden afgeleid. Welke zijn dat? Representatieve volksvertegenwoordiging,
primaat van de volksvertegenwoordiging, vertrouwensregel, ministeriele verantwoordelijkheid
3. Heringa e.a. gaan in het Handboek in op extraparlementaire en zakenkabinetten. Zij relativeren het
onderscheid hiertussen. Waarom?
Extraparlementaire kabinetten worden gevormd zonder dat zij steunen op een vaste meerderheid in het
parlement, maar wel streven naar parlementaire steun per beleidsmaatregel of wetsvoorstel. Dit type
kabinet staat dus losser van de politieke partijen in de Kamer, maar heeft nog steeds te maken met
parlementaire controle en politieke onderhandelingen.
Zakenkabinetten bestaan voornamelijk uit vakministers of technocraten, die worden gekozen vanwege hun
expertise en niet vanwege hun partijpolitieke achtergrond. Het idee is dat zij 'boven de partijen' staan en
zich richten op praktische probleemoplossing in plaats van partijpolitieke belangen.
Heringa e.a. stellen dat in de Nederlandse context het verschil tussen deze twee soorten kabinetten niet zo
groot is. Ook een zakenkabinet moet immers functioneren binnen een parlementair stelsel, wat betekent
dat het altijd parlementaire steun nodig heeft om beleid te voeren. Bovendien kunnen zakenkabinetten ook
ministers bevatten met een politieke achtergrond en moeten extraparlementaire kabinetten eveneens
voortdurend onderhandelen met de Kamer. Hierdoor lopen de kenmerken van beide kabinetstypen in de
praktijk vaak door elkaar heen, wat het onderscheid minder scherp maakt.
4. Wat wordt verstaan onder 'vrij mandaat'? Leden van een volksvertegenwoordiging, zoals de Tweede
Kamer, zijn vrij om naar eigen inzicht te stemmen en besluiten te nemen, zonder gebonden te zijn aan
instructies van hun kiezers, politieke partij of anderen.
Kabinet = staatssecretarissen + ministers
Vraag 1
a. Wat is over de kabinetsformatie geregeld in het Reglement van Orde van de Tweede Kamer? In artikel
11.1 wordt de aanwijzing van de (in)formateur geregeld (door de TK) en beraadslaging is dwingend
voorgeschreven + 11.2 = inlichtingen kabinetsformatie + 11.3 = controversiële onderwerpen (onderwerpen
die niet behandeld mogen worden door demissionair kabinet). Fases: verkennende fase, informatiefase,
formatiefase.
b. Geertjes en Van Hout schrijven over de ‘verkenningsfase’. Wat wordt verstaan onder deze fase? Is
hierover iets in het RvOTK geregeld? Deze fase is erop gericht om de partijen bij elkaar te brengen die met
elkaar willen onderhandelen over eventuele samenwerking in een coalitie. Op de dag na de verkiezingen,
dus nog dertien dagen vóór de installatie van de nieuwe Tweede Kamer, wordt hiertoe een verkenner
aangewezen in een besloten bijeenkomst van alle beoogde nieuwe fractievoorzitters in de Tweede Kamer
onder leiding van de ‘oude’ Tweede Kamervoorzitter. Er staat niks in de RvOTK, want het is een informeel
proces. Verkenner onderzoekt welke coalities mogelijk zijn (kan wanneer er een meerderheid is) “ wordt
aangewezen door oude voorzitter van de kamer.
Informateur kijkt met welke partijen kan overeenkomen tot een regeerakkoord (tussen coalititepartijen)
Formateur stelt ministers aan (worden voorgedragen door partijen); normaal gesproken is dat de beoogde
minister-president.
2
Week 3: Verhouding regering – parlement, parlementaire controle, vertrouwen
17 – 21 februari 2025
Voorgeschreven literatuur:
Heringa e.a., Staatsrecht 2022:
- nr. 11 in fine, p. 38 in fine-39 (1 p.) – Dualisme en monisme
- nrs. 64 en 65, p. 194-198 (5 p.) – (De ontwikkeling van het) parlementair stelsel
- nrs. 71 en 73, p. 222-223; 229-234 (6 p.) – Positie van Kamerleden
- nrs. 77-81, p. 239-256 (17 p.) – Kabinet(sformatie) en regeerakkoord
- nrs. 83-85, p. 258-270 (13 p.) – De verhouding tussen de regering en het parlement
- Dualisme en monisme, Parlement.com,
https://www.parlement.com/id/vh8lnhrpfxui/dualisme_en_monisme
- G.J.A. Geertjes en F.J.C. van Hout, ‘De verkenningsfase in de kabinetsformatie’, NJB 2023/2746 (Canvas)
Inhoudelijke leerdoelen
Na het bestuderen van het onderwijsmateriaal en het volgen van de colleges:
(A) heb je inzicht in de rechtspositie van de leden van de Staten-Generaal, weet je welke betekenis
artikel 67 van de Grondwet in dit verband heeft (en kun je die in concrete gevallen beoordelen);
(B) heb je inzicht in de werking van de vertrouwensregel als onderdeel van het parlementaire stelsel;
(C) ken je de inhoud en functie van het leerstuk van de politieke en strafrechtelijke ministeriële
verantwoordelijkheid en kun je deze leerstukken toepassen in een concrete casus; weet je hoe de
politieke ministeriële verantwoordelijkheid zich verhoudt tot het inlichtingenrecht en de
vertrouwensregel;
(D) ken je het belang van parlementaire controle en weet je op welke wijze het staatsrecht deze
controle mogelijk maakt (o.a. het inlichtingenrecht en het recht van enquête); kun je de
staatsrechtelijke regels inzake het inlichtingenrecht (artikel 68 Gw en de uitwerking daarvan in het
RvOTK) en het recht van enquête (artikel 70 Gw en de uitwerking daarvan in de WPE) toepassen in
een concrete casus;
(E) heb je inzicht in de werking van het instrument van kamerontbinding als onderdeel van het
parlementaire stelsel en kun je onderscheid maken tussen verschillende redenen die tot ontbinding
kunnen leiden;
(F) kun je de termen monisme en dualisme toepassen in relatie tot de juridische en politieke
verhouding tussen regering en parlement;
(G) heb je inzicht in de kabinetsformatie, de werking van het regeerakkoord en de invloed die daarvan
uitgaat op de verhouding tussen regering en parlement; je kan daarbij onderscheid maken tussen
de positie van de Tweede en van de Eerste Kamer.
Voorbereiding
Voorafgaand aan het werkgroeponderwijs heb je de verplichte literatuur en jurisprudentie gelezen.
Uiterlijk om 16.00u. op de dag vóórdat je werkgroep volgt, lever je je antwoorden op alle vragen in via
Canvas (d.w.z.: zowel de opfris- en opzoekvragen, als de overige werkgroepvragen).
1
, Opfris- en opzoekvragen
1. Kan de Tweede Kamer de minister-president over het handelen van de Koning ter verantwoording
roepen? Leg uit. Ja, de ministers heben ook verantwoordelijkheid voor het handelen van de koning op
grond van artikel 42 lid 2 GW, maar misschien geldt dit meer voor 1 minister uit specifiek gebied?
2. Heringa e.a. beschrijven in het Handboek dat uit het huidige, Nederlandse parlementaire stelsel vier
hoofdbestanddelen kunnen worden afgeleid. Welke zijn dat? Representatieve volksvertegenwoordiging,
primaat van de volksvertegenwoordiging, vertrouwensregel, ministeriele verantwoordelijkheid
3. Heringa e.a. gaan in het Handboek in op extraparlementaire en zakenkabinetten. Zij relativeren het
onderscheid hiertussen. Waarom?
Extraparlementaire kabinetten worden gevormd zonder dat zij steunen op een vaste meerderheid in het
parlement, maar wel streven naar parlementaire steun per beleidsmaatregel of wetsvoorstel. Dit type
kabinet staat dus losser van de politieke partijen in de Kamer, maar heeft nog steeds te maken met
parlementaire controle en politieke onderhandelingen.
Zakenkabinetten bestaan voornamelijk uit vakministers of technocraten, die worden gekozen vanwege hun
expertise en niet vanwege hun partijpolitieke achtergrond. Het idee is dat zij 'boven de partijen' staan en
zich richten op praktische probleemoplossing in plaats van partijpolitieke belangen.
Heringa e.a. stellen dat in de Nederlandse context het verschil tussen deze twee soorten kabinetten niet zo
groot is. Ook een zakenkabinet moet immers functioneren binnen een parlementair stelsel, wat betekent
dat het altijd parlementaire steun nodig heeft om beleid te voeren. Bovendien kunnen zakenkabinetten ook
ministers bevatten met een politieke achtergrond en moeten extraparlementaire kabinetten eveneens
voortdurend onderhandelen met de Kamer. Hierdoor lopen de kenmerken van beide kabinetstypen in de
praktijk vaak door elkaar heen, wat het onderscheid minder scherp maakt.
4. Wat wordt verstaan onder 'vrij mandaat'? Leden van een volksvertegenwoordiging, zoals de Tweede
Kamer, zijn vrij om naar eigen inzicht te stemmen en besluiten te nemen, zonder gebonden te zijn aan
instructies van hun kiezers, politieke partij of anderen.
Kabinet = staatssecretarissen + ministers
Vraag 1
a. Wat is over de kabinetsformatie geregeld in het Reglement van Orde van de Tweede Kamer? In artikel
11.1 wordt de aanwijzing van de (in)formateur geregeld (door de TK) en beraadslaging is dwingend
voorgeschreven + 11.2 = inlichtingen kabinetsformatie + 11.3 = controversiële onderwerpen (onderwerpen
die niet behandeld mogen worden door demissionair kabinet). Fases: verkennende fase, informatiefase,
formatiefase.
b. Geertjes en Van Hout schrijven over de ‘verkenningsfase’. Wat wordt verstaan onder deze fase? Is
hierover iets in het RvOTK geregeld? Deze fase is erop gericht om de partijen bij elkaar te brengen die met
elkaar willen onderhandelen over eventuele samenwerking in een coalitie. Op de dag na de verkiezingen,
dus nog dertien dagen vóór de installatie van de nieuwe Tweede Kamer, wordt hiertoe een verkenner
aangewezen in een besloten bijeenkomst van alle beoogde nieuwe fractievoorzitters in de Tweede Kamer
onder leiding van de ‘oude’ Tweede Kamervoorzitter. Er staat niks in de RvOTK, want het is een informeel
proces. Verkenner onderzoekt welke coalities mogelijk zijn (kan wanneer er een meerderheid is) “ wordt
aangewezen door oude voorzitter van de kamer.
Informateur kijkt met welke partijen kan overeenkomen tot een regeerakkoord (tussen coalititepartijen)
Formateur stelt ministers aan (worden voorgedragen door partijen); normaal gesproken is dat de beoogde
minister-president.
2