Wanneer iemand bij je komt met een aandoening is het belangrijk om klinisch te redeneren.
Ga dieper in op de hulpvraag met 3 vragen: Wat, Hoe, Waarom
- Wat: specificeer de hoofdvraag in persoon, taak en omgeving → wat zijn de
pijnpunten
- Hoe: observeer. Wat valt het meeste op, hulpmiddelen nodig, hoe gaan start, midden
en eindfase etc
- Waarom: Waarom wordt de activiteit op deze manier uitgevoerd → is er
stoornis in functie, omgevingsfactoren of persoonlijke factoren
Mogelijke functiestoornissen bij CNA; neurologische sensomotorische
functiestoornissen (4 S-en)
- Spierkracht (sterkte)
- Sturing (selectiviteit, coördinatie, motorische controle, stabiliteit)
- Spiertonus (hyper-/hypertonie, slapte, spasme, rigiditeit, paratonie)
- Sensibiliteit (vitaal-gnostisch en proprioceptief)
En ook:
- houdingsregulatie / automatische reacties / balans
Overige relevantie functiestoornissen:
- Artrogene/myogene mobiliteitsbeperking → (P/A)ROM
- Visueel
- (motorische)planning
- Spraak-taal/begrip/emotie
- Leercapaciteit
- Uithoudingsvermogen
Contextuele factoren: Omgevings- en persoonlijke factoren
Fysiotherapeutische diagnose bevat de volgende onderdelen:
- functioneringsproblemen van de patiënt in termen van activiteit, participatie en
stoornissen (oordeel fysiotherapeut)
- beloop
- wijze van omgang met het functioneringsprobleem
- hulpvraag en de relevantie behandelbare grootheden
- indicatie voor fysiotherapie (ja/nee)
- verwacht herstel
Compenseren: Een alternatieve manier leren om de handeling uit te voeren. Je functioneert
ondanks het probleem maar je herstelt het probleem niet. Gericht op aanpassing
Herleren: Herleren betekent dat iemand de oorspronkelijke functie of beweging opnieuw
aanleert. Herstellen van de
oorspronkelijke beweging. herstelt de
functie weer.
CNA; Hoorcollege 2: Inleiding
neuropathologie
,Cortex cerebri is op neo-niveau
Sulcus centralis: hersengroeve die een verdeling maakt tussen motorisch (actie) en
sensorisch (waarneming)
Hiernaast staat de sensomotorische
kring.
→ In deze kring kun je op alle
verschillende niveaus als het ware
instappen. S1 → tast prikkel. Limbisch
systeem → Honger. Naar school gaan →
M3
→ Het is ook mogelijk om niveaus te
overslaan. Je gaat bijvoorbeeld van S2
naar M2. Het wordt meer een reflex
achtig, je voelt wat kriebelen en schud
direct je hand zonder dat je bent nagegaan of deze kriebel gevaarlijk is of juist
niet gevaarlijk.
Cerebellum (kleine hersenen) zorgt ervoor dat de beweging die je wilt uitvoeren soepel
verloopt en coördineert dit. Wordt gebruikt bij terugkoppeling voor bijsturing.
- feedback: vergelijkt instructies met effect (langzaam)
- Feedforward: onderschept instructies en stelt bij op basis van de verwachting (snel)
Neuronen is het centrale zenuwstelsel voor het aansturen:
Centraal motorisch neuron (CMN): cortex cerebri / hersenschors
Perifeer motorisch neuron (PMN): medulla spinalis / ruggenmerg (ligt dus wel in centrale
zenuwstelsel
→ tractus corticospinalis: piramidebaan → direct naar ruggenmerg
(interneuronen)
- grootste deel zorgt voor je extremiteiten (gekruist) en (10% direct naar hand)
- andere deel gaat anterior naar je nek en romp (ongekruist) → daarnaast
komt bij de romp ook delen van lagere niveaus (paleo en archi)
Denk aan bij de hersenen dat wanneer er iets kapot is in de linkerhersenhelft dat er dan
problemen zijn aan de rechterkant van het lichaam
klinische beelden
● Cortex Cerebri: Bij dit deel van de hersenen kunnen problemen zijn bij spierkracht,
spiertonus, sturing en sensibiliteit.
- Spierkracht
Parese: spierkracht is verminderd maar niet verdwenen
Paralyse: spierkracht is volledig afwezig
→ daarnaast worden er nog onderscheid gemaakt in distaal & proximaal,
fijne motoriek & grove motoriek
- sensibiliteit
→ motoriek is vaak samen met de sensibiliteit verstoord → krijgt alleen
maar min symptomen (uitval)
- Spiertonus (niet palpeerbaar)
→ Hypotonie: slappe parese, verminderde tonus
→ spasticiteit: spastische parese, het wordt een beetje stijf en blijft in een
, houding
→ activiteit rekreflex te hoog → de remming is verstoord
→ verstrekt bij verhoogde activatie en beweging
→ antizwaartekracht spieren (flexie arm, extensie been)
- Sturing
ontremming reflexen ruggenmerg
verminderde sturing → combinatie kracht, tonus en reflexen (selectiviteit)
● Ruggenmerg: uitval onder laesie niveau
- spierkracht en sensibiliteit
→ volledig of gedeeltelijk
→ op en onder niveau laesie
spierkracht: parese/paralyse
sensibiliteit: plus en min. gnostische sensibiliteit (houding en beweging, fijne
tast) vitale sensibiliteit: pijn, temperatuur, grove tast
- spiertonus en sturing
→ secundair hypertonie en hyperreflexie (spasticiteit)
geen inhibitie uit cortex, toename rekreflexen via reflexbogen
ruggenmerg, geen synergievorming. het is vooral nutteloze spierspanning
● Basale kernen: banen op een lager systeem (paleoniveau) & motorisch!!
→ faciliteren en inhiberen (aan en uit zetten)
→ onbewuste, aangeleerde bewegingspatronen (automatisch bewegen)
→ invloed op hersenstam en ruggenmerg (houding/tonus), invloed op
motorisch cortex (initiatie, planning, programmering), invloed op frontale
cortex (cognitie, emotie en motivatie)
→ voornamelijk moeite met het starten van de beweging
→ Spiertonus (rigiditeit): alle spieren, loden pijp (continu), maskergelaat, gebogen
houding
→ sturing (te weinig): kleine bewegingen (hypokinesie), traag (bradykinesie),
moeite met starten/ stoppen (akinesie), houdingsproblemen, automatisch bewegen
verstoord.
→ hypokinetisch rigide beeld: gehele lichaam stijf en traag,
automatisch bewegen verstoord
→ hyperkinetisch beeld: Te veel & ongestuurde, onwillekeurig bewegingen
● Cerebellum
- atactisch beeld: ongecontroleerd bewegen (onhandigheid, doorschieten)
→ specifiek en doelgericht bewegingen gaat minder goed.
Tabel met overzicht:
cortex basale kernen cerebellum
CVA, HEMI hypokinesie dronkenmans
spastisch en slape breedbasisch
hypotongang/ gangbeeld
spacticigang
Sturing selectief bewegen akinesie, coördinatie, ataxie
(buiten patroon bradykinesie, hypo (observatie,
bewegen, zwaaien) (gang analyse, cerebellum testen)
10MWT, POMA,