Open bloedsomloop: het bloed kan vrij door het lichaamsweefsel vloeien
Gesloten bloedsomloop: het bloed komt niet buiten de bloedvaten
Enkele bloedsomloop: per omloop stroomt het bloed een keer door het hart
Dubbele bloedsomloop: per omloop stroomt het bloed twee keer door het hart (de kleine
en grote bloedsomloop samen)
Kleine bloedsomloop: hart → longen → hart
Grote bloedsomloop: hart → organen in bovenlichaam of onderlichaam → hart
Waarom heeft een zoogdier een gesloten dubbele bloedsomloop nodig?
Zoogdieren hebben een gesloten, dubbele bloedsomloop om het bloed efficiënt en snel naar
de organen te sturen met voldoende zuurstof. Dit is nodig omdat zoogdieren warmbloedig
zijn en veel energie verbruiken.
Slagaders: zuurstofrijke vertakkingen die richting organen gaan
Aders: zuurstofarme vertakkingen die richting het hart gaan
Aorta: de grote lichaamsslagader die zich vertakt in slagaders
→ Eerste vertakking is de kransslagader
Slagaders worden meestal vernoemd naar het orgaan of ledemaat waar het bloed naartoe
stroomt
Uitzonderingen:
- Kransslagaders: naar het hart
Aders worden meestal vernoemd naar het orgaan of ledemaat waar ze vandaan komen
Uitzonderingen:
- Kransader: van het hart
- Bovenste holle ader: van hoofd en armen naar de rechterboezem
- Onderste holle ader: van borst en lager naar rechterboezem
- Poortader: van darmen naar lever
Haarvaten: de allerkleinste bloedvaatjes in de organen waar de uitwisseling van stoffen
tussen het bloed en de cellen van een weefsel plaatsvindt
Bloedsomloop vraag:
Let op de poortader, dat is een uitzondering.
Een glucose molecuul wordt opgenomen in de darmen en komt uiteindelijk in de nieren,
omschrijf de route.
Darmen → Poortader → lever haarvaten → leverader → onderste holle ader →
rechterboezem → rechterkamer → longslagader → longhaarvaten → longader →
linkerboezem → linkerkamer → aorta → nierslagader → nierhaarvaten
,Hartcyclus
Tijdens de hartcyclus openen en sluiten de kleppen door een verschil in druk van het bloed
aan weerszijden van de kleppen. De hartkleppen verhinderen dat het bloed naar de
boezems terugstroomt wanneer de kamers samentrekken. De slagaderkleppen verhinderen
dat het bloed naar de kamers terugstroomt wanneer de kamers ontspannen
3 fasen van een hartslag:
1. Het vullen van de kamers
- De kamers en de boezems ontspannen: diastole: ontspanning van de hartspier
→ Het bloed stroomt vanuit de aders via de boezems de kamers in
→ De boezems trekken samen: boezemsystole
→ De kamers trekken samen: kamersystole
→ Door de druk van het bloed tijdens de kamersystole sluiten de hartkleppen tussen kamers
en boezems
2. Het leegpersen van de kamers
→ De slagaderkleppen (longslagaderklep en aortaklep) gaan open tegelijkertijd met de
sluitende kamers en boezems hartkleppen
→ Het bloed stroomt de longslagader en de aorta in
→ De kamers ontspannen en de kamerdruk daalt tot onder de druk in de slagaders
→ De slagaderkleppen sluiten
3. Een korte pauze
Hartkleppen: tussen boezem en kamer
→ Voorkomen het terugstromen van bloed naar boezem
Slagaderkleppen/halvemaanvormige kleppen: tussen kamer en ader
→ Voorkomen het terugstromen van bloed naar kamer
Voor de geboorte
In de embryonale bloedsomloop spelen de longen nog geen rol bij gaswisseling, want de
baby krijgt O2 van de moeder via de navelstreng
→ O2 rijke bloed mengt zich in de lever en in de onderste holle ader van de ongeboren baby
met bloed dat O2 arm is
→ ⅓ van het bloed uit de rechterharthelft stroomt naar de longen, de rest gaat meteen naar
de grote bloedsomloop
Foramen ovale: verbinding tussen de rechter- en de linkerboezem
Ductus Botalli: verbinding tussen de longslagader en de aorta
De omweg via de longen kost onnodig energie
,Na de geboorte
Als de navelstreng is afgebonden, scheiden de grote en kleine bloedsomloop zich volledig
- De bloedvaten tussen de navelstrengader, de holle ader en de lever sluiten.
- De longen vullen zich met lucht en dat leidt tot een grotere bloedstroom vanuit het hart
naar de longen en terug
- Het foramen ovale sluit doordat de druk in de linkerharthelft groter wordt dan die in de
rechter
- De verbinding tussen de aorta en longslagader sluit een paar dagen na geboorte
10.2 Bloeddruk
Bloeddruk: de kracht waarmee het hart het bloed de vaten in pompt
Ontstaat door het samentrekken van de hartkamers
Systolische druk / bovendruk: hoge druk
→ Tijdens het samentrekken van de kamers
Diastolische druk / onderdruk: basis niveau
→ Tijdens ontspannen van de kamers
De rechterharthelft regelt de kleine bloedsomloop en de linkerharthelft regelt de grote
bloedsomloop. Daarom is de linkerharthelft groter en sterker.
Bloeddruk wordt gemeten met een manchet die om de arm wordt geplaatst. Deze wordt
opgepompt tot de bloedstroom in de armslagader stopt. Vervolgens wordt de druk langzaam
verminderd:
● Bovendruk: Het eerste geluid dat je hoort als het bloed weer begint te stromen.
● Onderdruk: Het moment waarop het geluid verdwijnt, omdat het bloed weer
ongehinderd stroomt.
10.3 Regeling hartwerking
Sinusknoop / boezemknoop: geeft een vast ritme prikkels af die zorgen voor het
samentrekken van spiervezels → gevolg is dat beide boezems tegelijkertijd samentrekken
- Zenuwen naar de sinusknoop kunnen dit ritme verhogen of verlagen
AV-knoop: geeft een vast ritme prikkels af die ervoor zorgen dat het samentrekken van de
kamers iets later gebeurt dan de boezems
De bundel van His: vertakte bundel van hartspiercellen gespecialiseerd in het doorgeven van
elektrische prikkels
Purkinjevezels: puntjes van de bundel van His.
, ECG
P-top: de boezems trekken samen (boezemsystole)
QRS-top: de kamers trekken samen en de boezems ontspannen (kamersystole +
boezemdiastole)
T-top: de kamers ontspannen (kamerdiastole)
Inspanning
Bij grotere inspanning neemt de hartslagfrequentie, het slagvolume en de kracht waarmee
de kamers samentrekken toe
Ook door stress kan de hartslag toenemen
Hartminuutvolume = hartslagfrequentie × slagvolume
● Incidenteel sporten: het hartminuutvolume neemt toe door een verhoogde hartslag
en soms een groter slagvolume.
● Langdurig sporten: verhoogt het slagvolume (het hart wordt efficiënter), waardoor
de hartslag in rust lager is, maar het hartminuutvolume tijdens inspanning nog
steeds hoog kan zijn.
10.4 Stoffentransport
Bloedsamenstelling
Bloedplasma: waterige deel van het bloed met opgeloste stoffen
Rode bloedcellen: transporteren O2 en CO2
Witte bloedcellen: afweer ziekteverwekkers
Bloedplaatjes: afgesplitste deeltjes van bepaalde typen bloedstamcellen die een rol spelen
bij bloedstolling