Beschrijf de fiscale gevolgen van de volgende gebeurtenissen:
Opgave 1a
Piet en Tineke trouwen in 2017 (ze waren nog geen partners voor de IB). Piet heeft 3% en Tineke heeft
4% van alle aandelen in Trouw BV (één soort aandelen, alle geplaatst).
Uitwerking
Door het huwelijk worden Piet en Tineke van rechtswege partners (art. 5a lid 1 sub a AWR). Hun belangen
worden dan samengeteld voor de vraag of er een aanmerkelijk belang is (art. 4.6 sub a Wet IB). Omdat zij
vóór huwelijk beiden geen aanmerkelijk belang hadden, ontstaat het aanmerkelijk belang door het
huwelijk. Er vindt dus een sfeerovergang plaats van box 3 naar box 2. De verkrijgingsprijs van dat
aanmerkelijk belang wordt gesteld op de waarde in het economisch verkeer ten tijde van het huwelijk
(art. 4.23 Wet IB).
Opgave 1b
Het huwelijk van Piet en Tineke loopt op de klippen, in 2018 scheiden ze van tafel en bed, en in 2019 gaan
ze ook formeel scheiden. Piet behoudt bij de formele scheiding zijn 3% en Tineke haar 4%.
Uitwerking
Art. 5a lid 3 AWR merkt iemand die van tafel en bed is gescheiden aan als niet gehuwd. Nu Piet en Tineke
van tafel en bed zijn gescheiden zijn zij niet langer partners.
Getrouwd binnen gemeenschap van goederen – scheiding van tafel en bed
Als zij in gemeenschap van goederen gehuwd waren, worden zij geacht 3,5% te bezitten. Hun aanmerkelijk
belang wordt dan beëindigd op grond van art. 4.16 lid 1 sub g Wet IB. Afrekenen of doorschuiven vindt
plaats op de voet van art. 4.40 Wet IB. Bij het doorschuiven blijft de verkrijgingsprijs staan op de waarde
in het economisch verkeer ten tijde van het huwelijk. Er ontstaat een fictief aanmerkelijk belang op grond
van art. 4.11 Wet IB.
Getrouwd buiten gemeenschap van goederen – scheiding van tafel en bed
Als zij buiten gemeenschap gehuwd waren, leidt de verbreking van het partnerschap tot een bezit van Piet
en Tineke van 3%, respectievelijk 4%, zoals het ook voor en tijdens het huwelijk al was. Ook in dat geval
dus een fictieve vervreemding op de voet van art. 4.16 lid 1 sub g Wet IB. In beginsel moeten zij afrekenen,
dan verplaatsen de aandelen zich weer naar box 3. Echter, zij hebben wel de mogelijkheid om de claim
door te schuiven op grond van art. 4.40 Wet IB. De verkrijgingsprijs wordt bij doorschuiving gesteld op de
waarde in het economische verkeer van de aandelen ten tijde van het aangaan van het huwelijk.
Vervolgens ontstaat er een fictief aanmerkelijk belang op grond van art. 4.11 Wet IB.
Getrouwd binnen gemeenschap van goederen – formele scheiding
Ook hier is weer sprake van een fictieve vervreemding op grond van art. 4.16 lid 1 sub g Wet IB. Alleen
hier is art. 4.17 Wet IB van toepassing. Dit zegt dat er toch geen sprake is van een vervreemding. In
gemeenschap van goederen hadden beiden 3,5% aandelen. Nu krijgt Tineke weer haar 4% terug en Piet
zijn 3%. Er is in dit geval sprake van over-/onderbedeling, dus art. 4.17 Wet IB is van toepassing. De
verkrijgingsprijs wordt dan op grond van art. 4.39 lid 2 Wet IB doorgeschoven. Het is mogelijk om
afrekening te verzoeken (art. 4.38 Wet IB).