Samenvatting filosofie:
Epistemologie: kennisleer. Epistemische.
C1
Kennis: justified true belief
1. Gedachte
2. Gedachte is waar
3. Reden voor gedachte geen gelukgelijk
4. Gedachte niet gebaseerd op foute veronderstellingen (gettier)
⁃ Is kennis het waardevol? Meer dan gelukgelijk?
⁃ Pritchard: ja je hebt niet altijd geluk.
⁃ Intrinsiek waardevol: op zichzelf
⁃ Instrumentele waarde: waarde voor iets anders, bv geld en
kennis.
⁃ Non-instrumentele waarde: waardevol voor zichzelf zonder ander
doel, bv geluk.
Voorbeelden:
⁃ coherentisme en fundamentisme: wie heeft de auto in de brand
gestoken? Pietje heeft ruzie met de eigenaar van de auto, een
geschiedenis van criminaliteit, er zijn brandversnellende vloeistoffen
gevonden in zijn auto en woont dichtbij de locatie van de uitgebrande
auto. Deze redenen zijn samen genoeg om Pietje als verdachte te zien
(coherentisme/netwerkstructuur). Ook is er een video waarop staat dat
hij het heeft gedaan, een heterdaadje. Deze reden is opzichzelfstaand
sterk genoeg om Pietje te verdenken, er zijn niet meer redenen nodig
(fundamentisme/ankerstructuur).
⁃ Gettier cases: je hebt reden om iets te denken en je gedachte
blijkt waar, maar je reden is niet waar. Je hebt pech en geluk.
Voorbeeld: in een weiland vol levensechte nepkoeien wijs je per toeval
precies de enige echte koe aan. Je kan niet weten dat de rest nep
waren maar toch heb je gelijk. OF. Je hebt gisteren een pak in de kast
gehangen dus je zegt: mijn pak hangt in de kast. Het blijkt dat dat pak
van je broer was maar die van jouw er ook al achter hing. Je hebt gelijk
maar je reden, dat je hem er gisteren hebt opgehangen, is niet juist.
⁃ Deontische epistemische rationaliteit of non-deontische. Tom is
christelijk opgevoed en vraagt zich af of seks voor het huwelijk zondig
is. Deontisch, bijbel, ja. Non-Deontisch, kritischer en buiten de bijbel
opzoek, kan nog wel eens nee zijn.
Rationaliteit: handelen op basis van reden
⁃ functionele rationaliteit: gericht op doelmatigheid en efficiëntie.
Logisch handelen maar dan snel en effectief. Probleem oplossen.
, ⁃ Casus: file -> omzeilen is sneller/\ of is omzeilen wel echt
sneller \/? Andere casussen: morgen belangrijk tentamen: snel en goed
informatie leren die je al tot je beschikking hebt /\ of uitzoeken of je de
juiste informatie hebt en de juiste informatie opzoeken \/.
⁃ Epistemische rationaliteit: gericht op kennis en waarheid. Logisch
handelen door te kijken wat er is gebeurd.
⁃ Deontisch en non-deontisch: opzoek naar waarheid binnen eigen
denkkader en buiten eigen denkkader: denkkaders
overstijgen/kritischer.
⁃ Epistemische internalisme en externalisme: Deontisch is genoeg
en non-deontisch is de norm.
Epistemic virtues: hoe goed je je best doet om de waarheid te zoeken.
Cognitive faculties: mogelijkheden/competenties om zoektocht naar
waarheid te doen.
C2
Empirisme:
⁃ Indirect realisme: we nemen objecten niet direct waar maar via
interpretaties in onze geest. Primaire (buitenwereld) en secundaire
kwaliteiten (interpretatie) van objecten. Waarnemen is een combinatie
van gewaarwording en interpretatie. We hebben indirect toegang tot
de buitenwereld omdat we alles interpreteren en niet zien zoals het
daadwerkelijk is.
⁃ Direct realisme: hoe we iets waarnemen staat gelijk aan de
waarheid. Zintuigen zijn tools om de waarheid waar te nemen. We
nemen de buitenwereld direct waar.
⁃ Idealisme: de werkelijkheid is geestelijk van aard. Er is geen
buitenwereld, iets bestaat alleen als het waargenomen word of aan
gedacht word.
⁃ Transcendentaal idealisme: ruimte en tijd bestaat alleen in je
hoofd, dus geen buitenwereld. Je geest structureert ervaren en geeft ze
betekenis obv vorige ervaringen. Er is dus geen echte wereld, alleen de
wereld op de manier waarop jij die ordent in je brein. Rationaliteit voor
ordenen en begrijpen en empirische om kennis en ervaringen op te
doen.
Manieren van redeneren:
⁃ Deductie: algemeen naar specifiek. Uit algemene conclusies een
specifieke conclusie trekken. Bijvoorbeeld: alle mensen zijn sterfelijk, jij
bent mens -> jij bent stervelijk. Alle vogels vliegen, kip is vogel, kip kan
vliegen.
Epistemologie: kennisleer. Epistemische.
C1
Kennis: justified true belief
1. Gedachte
2. Gedachte is waar
3. Reden voor gedachte geen gelukgelijk
4. Gedachte niet gebaseerd op foute veronderstellingen (gettier)
⁃ Is kennis het waardevol? Meer dan gelukgelijk?
⁃ Pritchard: ja je hebt niet altijd geluk.
⁃ Intrinsiek waardevol: op zichzelf
⁃ Instrumentele waarde: waarde voor iets anders, bv geld en
kennis.
⁃ Non-instrumentele waarde: waardevol voor zichzelf zonder ander
doel, bv geluk.
Voorbeelden:
⁃ coherentisme en fundamentisme: wie heeft de auto in de brand
gestoken? Pietje heeft ruzie met de eigenaar van de auto, een
geschiedenis van criminaliteit, er zijn brandversnellende vloeistoffen
gevonden in zijn auto en woont dichtbij de locatie van de uitgebrande
auto. Deze redenen zijn samen genoeg om Pietje als verdachte te zien
(coherentisme/netwerkstructuur). Ook is er een video waarop staat dat
hij het heeft gedaan, een heterdaadje. Deze reden is opzichzelfstaand
sterk genoeg om Pietje te verdenken, er zijn niet meer redenen nodig
(fundamentisme/ankerstructuur).
⁃ Gettier cases: je hebt reden om iets te denken en je gedachte
blijkt waar, maar je reden is niet waar. Je hebt pech en geluk.
Voorbeeld: in een weiland vol levensechte nepkoeien wijs je per toeval
precies de enige echte koe aan. Je kan niet weten dat de rest nep
waren maar toch heb je gelijk. OF. Je hebt gisteren een pak in de kast
gehangen dus je zegt: mijn pak hangt in de kast. Het blijkt dat dat pak
van je broer was maar die van jouw er ook al achter hing. Je hebt gelijk
maar je reden, dat je hem er gisteren hebt opgehangen, is niet juist.
⁃ Deontische epistemische rationaliteit of non-deontische. Tom is
christelijk opgevoed en vraagt zich af of seks voor het huwelijk zondig
is. Deontisch, bijbel, ja. Non-Deontisch, kritischer en buiten de bijbel
opzoek, kan nog wel eens nee zijn.
Rationaliteit: handelen op basis van reden
⁃ functionele rationaliteit: gericht op doelmatigheid en efficiëntie.
Logisch handelen maar dan snel en effectief. Probleem oplossen.
, ⁃ Casus: file -> omzeilen is sneller/\ of is omzeilen wel echt
sneller \/? Andere casussen: morgen belangrijk tentamen: snel en goed
informatie leren die je al tot je beschikking hebt /\ of uitzoeken of je de
juiste informatie hebt en de juiste informatie opzoeken \/.
⁃ Epistemische rationaliteit: gericht op kennis en waarheid. Logisch
handelen door te kijken wat er is gebeurd.
⁃ Deontisch en non-deontisch: opzoek naar waarheid binnen eigen
denkkader en buiten eigen denkkader: denkkaders
overstijgen/kritischer.
⁃ Epistemische internalisme en externalisme: Deontisch is genoeg
en non-deontisch is de norm.
Epistemic virtues: hoe goed je je best doet om de waarheid te zoeken.
Cognitive faculties: mogelijkheden/competenties om zoektocht naar
waarheid te doen.
C2
Empirisme:
⁃ Indirect realisme: we nemen objecten niet direct waar maar via
interpretaties in onze geest. Primaire (buitenwereld) en secundaire
kwaliteiten (interpretatie) van objecten. Waarnemen is een combinatie
van gewaarwording en interpretatie. We hebben indirect toegang tot
de buitenwereld omdat we alles interpreteren en niet zien zoals het
daadwerkelijk is.
⁃ Direct realisme: hoe we iets waarnemen staat gelijk aan de
waarheid. Zintuigen zijn tools om de waarheid waar te nemen. We
nemen de buitenwereld direct waar.
⁃ Idealisme: de werkelijkheid is geestelijk van aard. Er is geen
buitenwereld, iets bestaat alleen als het waargenomen word of aan
gedacht word.
⁃ Transcendentaal idealisme: ruimte en tijd bestaat alleen in je
hoofd, dus geen buitenwereld. Je geest structureert ervaren en geeft ze
betekenis obv vorige ervaringen. Er is dus geen echte wereld, alleen de
wereld op de manier waarop jij die ordent in je brein. Rationaliteit voor
ordenen en begrijpen en empirische om kennis en ervaringen op te
doen.
Manieren van redeneren:
⁃ Deductie: algemeen naar specifiek. Uit algemene conclusies een
specifieke conclusie trekken. Bijvoorbeeld: alle mensen zijn sterfelijk, jij
bent mens -> jij bent stervelijk. Alle vogels vliegen, kip is vogel, kip kan
vliegen.