Zelfstudie 1: Anatomie van het menselijk lichaam; de cel; osmose en diffusie.
- Weten waar de volgende organen liggen:
Schildklier, Hart, Longen, Maag, Milt, Lever, Pancreas, Galblaas, Nieren, Dikke darm, Dunne
darm, Urineblaas.
- Celmembraan opgebouwd uit fosfolipiden en eiwitporiën.
o Fosfolipide heeft hydrofiele kop en hydrofobe staart, hydrofiele kop zit aan
buitenkant en staart aan binnenkant.
o Eiwitporie zorgt voor transport van stoffen in en uit de cel.
- Cytoplasma: organellen drijven hierin.
- Celkern is regelcentrum van de cel en bevat erfelijke informatie.
o Kernmembraan.
- Mitochondrium: motor van de cel en produceert ATP. Ligt in cytoplasma.
- Endoplasmatisch reticulum (ER):
o Ruw: productie van eiwitten.
o Glad: transport eiwitten naar golgisysteem.
- Golgisysteem zorgt voor transport eiwitten in of uit de cel.
- Lysosoom: opruimers van de cel.
- Osmose: proces waarbij watermoleculen over het membraan bewegen zodat de concentratie
opgeloste stoffen aan beide kanten gelijk is.
o Osmotische waarde: mate waarin opgeloste stoffen aanwezig zijn in de vloeistof.
Hoge waarde: veel opgeloste stoffen
Lage waarde: weinig opgeloste stoffen.
- Plantaardige cel:
o Isotone omgeving: osmotische waarde binnen en buiten cel gelijk.
o Hypertone omgeving: osmotische waarde buiten cel hoger dan binnen cel > cel
verliest stevigheid en krimpt want verliest water, dit heet plasmolyse. Celmembraan
laat los van celwand.
o Hypotone omgeving: waarde binnen cel hoger dan buiten cel. Veel water de cel in,
dit heet turgor. Dit is normale toestand van plantcel.
- Dierlijke cel:
o Isotone omgeving beste voor dierlijke cel.
o Hypertone omgeving: veel water verliezen > verschrompelen.
o Hypotone omgeving: meer water cel in > knapt uit elkaar > lysis.
- Membraan van cel is semipermeabel: sommige kleine moleculen vrij door membraan
diffunderen.
o Passief transport: geen energie voor nodig. Cellen van hoge naar lage concentratie.
Kleine cellen kunnen dit zonder hulp, ionen en grote cellen hebben hier hulpeiwit
voor nodig.
o Actief transport: energie voor nodig. Cellen van lage naar hoge concentratie
bijvoorbeeld na en k. (natrium-kalium pomp).
ATP draagt energie over aan transporteiwit waardoor de vorm veranderd en
na zich bindt. Vorm veranderd weer en ionen komen vrij buiten cel. K bindt
en eiwit veranderd van vorm waardoor K in cel komt. ATP is nu op.
- Diffusie: proces waarbij stof zich gelijk over ruimte verdeeld (zonder barriere).
Zelfstudie 2: ademhaling (respiratie)
1
, - In neus en andere delen van de luchtwegen ligt slijmvlies en trilhaarepitheel. Dit heeft 3
functies:
o Lucht zuiveren > vaste stoffen en ziekteverwekkers blijven hangen in slijmvlies.
Trilhaartjes verplaatsen dit naar keel en wordt doorgeslikt.
o Verwarmen van lucht > geen afkoeling van lichaam
o Bevochtigen > opname zuurstof in longen gaat sneller.
- Bronchiën vertakken zich in kleine bronchiolen die eindigen in longblaasjes (alveoli). Deze
zorgen voor diffusie van zuurstof en co2 (kleine diffusie afstand).
- Longvlies: vlies om de longen.
- Borstvlies: vergroeid met binnenwand van borstkas en middenrif.
o Longvlies en borstvlies zitten aan elkaar door vloeistoflaagje (plakken aan elkaar)
- Inademen: middenrif trekt samen, buitenste tussenribspieren trekken samen, halsspieren
trekken samen.
- Uitademen: middenrif ontspannen, buitenste tussenribspieren ontspannen, halsspieren
ontspannen, binnenste tussenribspieren trekken samen, buikspieren trekken samen.
- Ademhalen om O2 binnen te krijgen > nodig om ATP te maken (energie).
- WET VAN FICK?
Zelfstudie 3:
- Rechter harthelft zuurstofarm
- Linker harthelft zuurstofrijk
- Boezem en kamer met elkaar verbonden door hartklep.
o Zorgt ervoor dat bloed maar een kant op stroomt: van boezem naar kamer naar
slagader. Slagader heeft slagaderkleppen waardoor bloed maar een richting op kan
stromen als kamer ontspant (halvemaanvormige kleppen).
- Longslagader vertakt in 2 takken naar longen, het bloed komt via de longader zuurstofrijk
terug in de linkerboezem. Bloed gaat van boezem naar kamer naar aorta.
- Kransslagader: zorgt dat het hart zelf bloed krijgt (spieren enz)
- Kransader komt uit in holle ader: waar zuurstofarm bloed uit het lichaam terug komt. Deze
komt uit in rechter boezem.
- Hart samentrekken wordt autonoom geregeld.
- Dubbele bloedsomloop;
o Kleine bloedsomloop: rechter kamer > longslagader > long > linker boezem >
o Grote bloedsomloop: linker kamer > aorta > lichaamsslagaders > organen /weefsels >
holle ader > rechter boezem > kleine bloedsomloop.
- In rechterboezem liggen 2 knopen
o Sinusknoop: impulsen opwekken die over wand van boezem lopen, zorgen ervoor
dat boezems samentrekken.
o Atriumventrikelknoop: impulsen verder sturen door bundel van his. Impulsen komen
uit bij wand van linker en rechter kamer. Linker en rechter kamer trekken tegelijk
samen.
- Hormoonstelsel en zenuwstelsel hebben invloed op impulsfrequentie.
o Lage bloeddruk herstellen door hart sneller te laten kloppen.
o Adrenaline zorgt voor een stijging van hartfrequentie waardoor bloeddruk stijgt.
P1w3: ondervoeding
De dio:
Kent de definities van de begrippen wasting, cachexie en sarcopenie.
2