Paragraaf 1 periodiek systeem
Protonen (p) --> positief geladen
Neutronen (n) --> neutraal
Elektronen (e) --> negatief geladen
Protonen en elektronen zijn altijd gelijk.
massagetal – aantal protonen = aantal neutronen
voorbeeld natrium
atoomnummer is 11 dus 11 protonen en 11 elektronen
massagetal is 23. 23 – 11 = 12. Dus 12 neutronen.
Elektronenverdeling (binas tabel 99) 2,8,1. (2+8+1=11)
Groep 1 --> alkalimenten
Groep 17 --> halogenen
Groep 18 --> edelgassen
Paragraaf 2 ionen
Positief ion --> staat elektronen af
Negatief ion --> neem elektronen op in de buitenste schil
Elektronen in de buitenste schil in de elektronenwolk heten valentie-
elektronen. Valentie-elektronen bepalen de chemische eigenschappen van
een stof.
Als een atoom één of meer van zijn elektronen uit de buitenste schil
afstaat is de positieve lading in de kern groter dan de negatieve lading in
de elektronenwolk. Het atoom als geheel is dan positief geworden. Een
atoom met een positieve lading noem je een positief ion.
Als een atoom één of meer elektronen in de buitenste schil opneemt is de
negatieve lading in de elektronenwolk groter dan de positieve lading in de
kern. Het atoom als geheel is dan negatief geworden. Een atoom met
negatieve lading noem je een negatief ion.
Paragraaf 3 massa's van bouwstenen
Het symbool van de relatieve atoommassa is A, de eenheid is de atomaire
massa-eenheid (u). De massa van een proton is ongeveer gelijk aan de
massa van een neutron en is 1,01 u. de massa van een elektron is
verwaarloosbaar. De massa van een atoom wordt dan bepaald door de
massa van de kern. De ionmassa is gelijk aan de atoommassa. Als van