Kennislijn
Leven en ethiek
Week 1
Concepten:
Beginselenethiek
Gevolgenethiek
Deugdethiek
Zorgethiek
Ethische gevoeligheid
Beginselenethiek (Emmanuel Kant (1725-1804)): Gaat over iemands drijfveren en intenties. Heb je de
juist intentie? Geen focus op het gevolg. Kant stelt dat je mensen moet behandelen op een manier
die ethisch goed is van zichzelf en niet om er iets anders mee gedaan te krijgen. Hij stelt dat je
mensen niet moet zien als middel, maar als doel. Stel dat iedereen/niemand dit zou doen? Welke
handeling is juist volgens de regels? Ook wel plichtethiek genoemd. Was tijdens de verlichting, hier
gingen mensen nadenken voor zichzelf en niet meer doen wat de kerk of het dorp zegt. Autonoom
rationeel nadenken. Hij stelt hierbij dat je autonoom nadenken, want je hebt een geweten, dus jij
moet dat, dat is je plicht.
Kant komt met de categorisch imperatief: een simpele stelregel die je helpt te bepalen of je
handeling goed is of niet. Als je voor een ethisch dilemma staat moet je zodanig handelen dat je
handelen een algemene regel zou kunnen zijn. Stel dat iedereen/niemand dit zou doen? Wordt de
wereld er dan beter van. Het gaat over een zuiver motief.
Kritiek: Hij maakt zich niet druk om gevoel, dat interesseert hem niet. De ander is hier niet relevant.
Hij houdt geen rekening met het gevolg. Hij denkt niet na over iemands karakter, sommige mensen
kunnen dit gewoon niet.
Gevolgenethiek (John Stuart Mill (1806-1873)): levert de handeling het grootste voordeel op voor de
meeste mensen? Of voorkomt deze het leed voor de meeste mensen? Greatest happiness principal.
Het draait om de uitkomst van de gekozen handeling en het nut ervan. Als er zo veel mogelijk
mensen baat bij hebben, dan is het goed. Zoveel mogelijk nut, plezier, voordeel voor de grootste
groep mensen. Plezier vs. pijn. Wiskunde ethiek, afwegingen maken. Ook wel utilisme (nut)
genoemd.
Schadebeginsel: de hoeveelheid pijn ten opzichte van het plezier. Individuele vrijheid om jezelf te
ontdekken. Grens ligt bij het schade aandoen van iemand anders bij jou handelen.
Kritiek: van tevoren elk gevolg in moeten schatten, wat soms niet kan. Minderheidsgroepen worden
benadeeld.
Deugdethiek (Aristoteles (384-322 v.Chr.)): de deugdethiek stelt dat we ethisch goed leven als we
onze deugden eigen maken. Als we in staat zijn om deugdelijke eigenschappen in de praktijk te
brengen dan worden we gelukkig. Hij stelt dat mensen in alles wat ze doen een doel nastreven. Dit
doe je om uiteindelijk het ultieme doel na te streven: gelukkig worden. Toont je handeling je
voortreffelijke karakter? Hierbij gaat het minder om die algemene regels, maar om de praktijk en de
voortreffelijkheid, de kwaliteit, van het karakter. Het draait om het ontwikkelen van een goed
karakter in plaats van het volgen van strikte regels of het streven naar het beste resultaat. Voor
Aristoteles is goed handelen het gevolg van een deugdzaam karakter. Vanuit de deugden ga je kijken
welke handelingen je gaat doen om uiteindelijk mensen gelukkig te maken. Een wijs mens voelt
vanbinnen wat die moet doen om die te bereiken. Goed is wat goed is voor het algemeen welzijn:
d.w.z. voor iedereen. Elke deugd is een middenweg, een deugd ligt nooit in extremen maar in
gematigdheid, het midden tussen twee uiterste. Je mijdt de ondeugden om tot de deugd te komen,
dit doe je door te oefenen in de praktijk (praxis).
, Deugd: een goede eigenschap die je hebt verworven.
Belangrijkste deugdelijke eigenschappen, kardinale deugden:
Rechtvaardigheid
Moed
Verstandigheid
Zelfbeheersing/gematigdheid
Klassieke ondeugden:
Trots
Jaloezie
Boosheid
Luiheid
Gulzigheid
Wellust
Zorgethiek (Joan Tronto (1952-)): ethiek wordt te vaak bekeken vanuit mannelijkheid, met de nadruk
op het individu en diens rechtvaardigheid. Als alternatief komt Gilligan met vrouwelijke ethiek. Deze
ethiek sluit beter aan bij de belevingswereld van vrouwen, deze is meer gericht op verbondenheid
tussen mensen en de daarbij behorende taak om voor elkaar te zorgen. De zorgethiek gaat in op
gezamenlijke handelen van een groep mensen als geheel, ethiek van de groep. Een groep is ethisch
juist bezig als de leden van de groep voor elkaar zorgen. Mensen zijn verantwoordelijk om met elkaar
bezig te zijn en elkaar te helpen waar nodig is. We staan niet als losse individuen op de wereld, maar
we zijn bij elkaar betrokken.
Ze onderscheidt 4 aspecten van goede zorg:
Caring about, aandachtige betrokkenheid: stelt dat je bezig moet zijn met de vraag of
anderen in jouw omgeving hulp nodig hebben.
Caring for, het op je nemen van de zorg: gaat over de beslissing die je moet nemen als je ziet
dat iemand hulp nodig heeft, ga je helpen of niet? Als je bij het eerste aspect signaleert dat
iemand hulp nodig heeft moet je volgens Tronto deze taak op je nemen.
Care giving, zorg verlenen: hoe ga je helpen? Competentie.
Care receiving, zorg ontvangen: als iemand alle hulp die je aanbiedt weigert is het lastig om
iemand te helpen. Het is essentieel in de samenleving dat mensen open staan om hulp te
ontvangen en/of te vragen. Responsiviteit.
Aan alle aspecten moet worden voldaan om te kunnen spreken van goede zorg.
Ethische gevoeligheid (Emmanuel Levinas (1906-1995)): het gevoel dat je een morele keuze te maken
hebt.
Alteriteit: verwijst naar de anderen mensen om ons heen die net als wij ideeën, gevoelens en
gedachten ervaren. Andere mensen zijn volgens Levinas geen dingen, maar anderen. Is eigenlijk het
tegenovergesteld van identiteit.
Egologie: juist niet stilstaan bij alteriteit, omdat we juist bezig zijn met onszelf. Gaat gepaard met een
ultieme vrijheid. Volgens Levinas is de tweede wereldoorlog een voorbeeld van een ultieme egologie.
Levinas ziet leven vanuit een egologie als een probleem. Anderen zijn volgens Levinas fundamenteel
kwetsbaar, mensen kan leed worden aangedaan. Levinas vindt omdat anderen kwetsbaar zijn dat we
de verantwoordelijkheid hebben om de ander tot zijn recht te laten komen, om hem te helpen, je
over hem te bekommeren en naar hem te luisteren. Als we leven vanuit de egologie hebben we hier
juist geen oog voor. Volgens Levinas is het essentieel dat we uit de egologie komen. Hier hebben we
een appèl, wat de ander op ons doet, voor nodig. We moeten geconfronteerd worden met de ander
om uit onze egologie te komen.
Week 2
Concepten:
Professionele autonomie
Leven en ethiek
Week 1
Concepten:
Beginselenethiek
Gevolgenethiek
Deugdethiek
Zorgethiek
Ethische gevoeligheid
Beginselenethiek (Emmanuel Kant (1725-1804)): Gaat over iemands drijfveren en intenties. Heb je de
juist intentie? Geen focus op het gevolg. Kant stelt dat je mensen moet behandelen op een manier
die ethisch goed is van zichzelf en niet om er iets anders mee gedaan te krijgen. Hij stelt dat je
mensen niet moet zien als middel, maar als doel. Stel dat iedereen/niemand dit zou doen? Welke
handeling is juist volgens de regels? Ook wel plichtethiek genoemd. Was tijdens de verlichting, hier
gingen mensen nadenken voor zichzelf en niet meer doen wat de kerk of het dorp zegt. Autonoom
rationeel nadenken. Hij stelt hierbij dat je autonoom nadenken, want je hebt een geweten, dus jij
moet dat, dat is je plicht.
Kant komt met de categorisch imperatief: een simpele stelregel die je helpt te bepalen of je
handeling goed is of niet. Als je voor een ethisch dilemma staat moet je zodanig handelen dat je
handelen een algemene regel zou kunnen zijn. Stel dat iedereen/niemand dit zou doen? Wordt de
wereld er dan beter van. Het gaat over een zuiver motief.
Kritiek: Hij maakt zich niet druk om gevoel, dat interesseert hem niet. De ander is hier niet relevant.
Hij houdt geen rekening met het gevolg. Hij denkt niet na over iemands karakter, sommige mensen
kunnen dit gewoon niet.
Gevolgenethiek (John Stuart Mill (1806-1873)): levert de handeling het grootste voordeel op voor de
meeste mensen? Of voorkomt deze het leed voor de meeste mensen? Greatest happiness principal.
Het draait om de uitkomst van de gekozen handeling en het nut ervan. Als er zo veel mogelijk
mensen baat bij hebben, dan is het goed. Zoveel mogelijk nut, plezier, voordeel voor de grootste
groep mensen. Plezier vs. pijn. Wiskunde ethiek, afwegingen maken. Ook wel utilisme (nut)
genoemd.
Schadebeginsel: de hoeveelheid pijn ten opzichte van het plezier. Individuele vrijheid om jezelf te
ontdekken. Grens ligt bij het schade aandoen van iemand anders bij jou handelen.
Kritiek: van tevoren elk gevolg in moeten schatten, wat soms niet kan. Minderheidsgroepen worden
benadeeld.
Deugdethiek (Aristoteles (384-322 v.Chr.)): de deugdethiek stelt dat we ethisch goed leven als we
onze deugden eigen maken. Als we in staat zijn om deugdelijke eigenschappen in de praktijk te
brengen dan worden we gelukkig. Hij stelt dat mensen in alles wat ze doen een doel nastreven. Dit
doe je om uiteindelijk het ultieme doel na te streven: gelukkig worden. Toont je handeling je
voortreffelijke karakter? Hierbij gaat het minder om die algemene regels, maar om de praktijk en de
voortreffelijkheid, de kwaliteit, van het karakter. Het draait om het ontwikkelen van een goed
karakter in plaats van het volgen van strikte regels of het streven naar het beste resultaat. Voor
Aristoteles is goed handelen het gevolg van een deugdzaam karakter. Vanuit de deugden ga je kijken
welke handelingen je gaat doen om uiteindelijk mensen gelukkig te maken. Een wijs mens voelt
vanbinnen wat die moet doen om die te bereiken. Goed is wat goed is voor het algemeen welzijn:
d.w.z. voor iedereen. Elke deugd is een middenweg, een deugd ligt nooit in extremen maar in
gematigdheid, het midden tussen twee uiterste. Je mijdt de ondeugden om tot de deugd te komen,
dit doe je door te oefenen in de praktijk (praxis).
, Deugd: een goede eigenschap die je hebt verworven.
Belangrijkste deugdelijke eigenschappen, kardinale deugden:
Rechtvaardigheid
Moed
Verstandigheid
Zelfbeheersing/gematigdheid
Klassieke ondeugden:
Trots
Jaloezie
Boosheid
Luiheid
Gulzigheid
Wellust
Zorgethiek (Joan Tronto (1952-)): ethiek wordt te vaak bekeken vanuit mannelijkheid, met de nadruk
op het individu en diens rechtvaardigheid. Als alternatief komt Gilligan met vrouwelijke ethiek. Deze
ethiek sluit beter aan bij de belevingswereld van vrouwen, deze is meer gericht op verbondenheid
tussen mensen en de daarbij behorende taak om voor elkaar te zorgen. De zorgethiek gaat in op
gezamenlijke handelen van een groep mensen als geheel, ethiek van de groep. Een groep is ethisch
juist bezig als de leden van de groep voor elkaar zorgen. Mensen zijn verantwoordelijk om met elkaar
bezig te zijn en elkaar te helpen waar nodig is. We staan niet als losse individuen op de wereld, maar
we zijn bij elkaar betrokken.
Ze onderscheidt 4 aspecten van goede zorg:
Caring about, aandachtige betrokkenheid: stelt dat je bezig moet zijn met de vraag of
anderen in jouw omgeving hulp nodig hebben.
Caring for, het op je nemen van de zorg: gaat over de beslissing die je moet nemen als je ziet
dat iemand hulp nodig heeft, ga je helpen of niet? Als je bij het eerste aspect signaleert dat
iemand hulp nodig heeft moet je volgens Tronto deze taak op je nemen.
Care giving, zorg verlenen: hoe ga je helpen? Competentie.
Care receiving, zorg ontvangen: als iemand alle hulp die je aanbiedt weigert is het lastig om
iemand te helpen. Het is essentieel in de samenleving dat mensen open staan om hulp te
ontvangen en/of te vragen. Responsiviteit.
Aan alle aspecten moet worden voldaan om te kunnen spreken van goede zorg.
Ethische gevoeligheid (Emmanuel Levinas (1906-1995)): het gevoel dat je een morele keuze te maken
hebt.
Alteriteit: verwijst naar de anderen mensen om ons heen die net als wij ideeën, gevoelens en
gedachten ervaren. Andere mensen zijn volgens Levinas geen dingen, maar anderen. Is eigenlijk het
tegenovergesteld van identiteit.
Egologie: juist niet stilstaan bij alteriteit, omdat we juist bezig zijn met onszelf. Gaat gepaard met een
ultieme vrijheid. Volgens Levinas is de tweede wereldoorlog een voorbeeld van een ultieme egologie.
Levinas ziet leven vanuit een egologie als een probleem. Anderen zijn volgens Levinas fundamenteel
kwetsbaar, mensen kan leed worden aangedaan. Levinas vindt omdat anderen kwetsbaar zijn dat we
de verantwoordelijkheid hebben om de ander tot zijn recht te laten komen, om hem te helpen, je
over hem te bekommeren en naar hem te luisteren. Als we leven vanuit de egologie hebben we hier
juist geen oog voor. Volgens Levinas is het essentieel dat we uit de egologie komen. Hier hebben we
een appèl, wat de ander op ons doet, voor nodig. We moeten geconfronteerd worden met de ander
om uit onze egologie te komen.
Week 2
Concepten:
Professionele autonomie