Staatsrecht heeft betrekking op het instellen van ambten en het verlenen van bevoegdheden
aan die ambten. Er zijn verschillende functies:
- Constituerend: het instellen van een overheid
- Attribuerend: het verlenen van bevoegdheid
- Regulerend: het stellen van beperkingen aan de verleende bevoegdheden
Legitimiteit = burgers aanvaarden dat de overheid macht uitoefent en recht schept.
De tegenhanger van constitutionalisme is absolutisme → de macht ligt bij één ambt. Waarom
houdt dit verband met soevereiniteitsideeën: er is maar één ambt met een uiteindelijke
beslissingsbevoegdheid.
Meest voorkomende staatsvormen bij constitutionalisme:
1. Eenheidsstaat
a. Gecentraliseerd; er is één grondwet. Overheidsfuncties worden uitgeoefend door
ambten die tot de centrale overheid behoren.
b. Gedecentraliseerd; het land is verdeeld in meerdere territoriale
overheidsverbanden met zelfstandige bevoegdheden.
2. Federale staat / tweeledige staat → een samengestelde staat die bestaat uit deelstaten
met meestal een eigen grondwet.
De machtenscheiding is in Nederland niet zuiver, maar beperkt. Vooral de rechterlijke macht is
strikt gescheiden. Checks and balances: ambten kunnen elkaar over en weer controleren.
Wat zijn de 6 basiselementen van de rechtsstaat
1. Legaliteitseis
a. Elk overheidsoptreden moet berusten op een wet in formele zin, die door
delegatie of attributie aan een ambt is toegekend.
2. Verbod op terugwerkende kracht voor belastend overheidsoptreden
3. Regelgeving en uitvoering gebeurt in beginsel niet door hetzelfde ambt
4. Onafhankelijk en onpartijdige rechter
5. Klassieke grondrechten en vrijheidsrechten worden gewaarborgd
6. Democratie
a. Wetgeving komt tot stand door de volksvertegenwoordiging
Nuanceringen van de rechtsstatelijke elementen:
- Ongeschreven recht: algemene rechtsbeginselen worden vaak achteraf gevonden door
een rechter die niet democratisch verkozen is.
- Wet in materiële zin: er moet een algemene regel ten grondslag liggen aan
overheidsoptreden. Als voorschriften alleen intern werken, is er geen wettelijke
grondslag nodig.
, Soevereiniteit: de hoogste, niet herleidbare, ongebonden en niet te beperken macht of
bevoegdheid
- In volkenrechtelijke zin: onafhankelijkheid van een staat.
Een soevereine staat kan binnen zijn eigen rechtsgebied overheidsmacht uitoefenen
zonder de inmenging van andere staten.
- In staatsrechtelijke zin: het orgaan binnen een land die de staatsmacht heeft.
- Beperkte soevereiniteitsbegrip: een overheidsverband als complex van ambten → niet
aan toezicht onderworpen. Het centrale overheidsstelsel wordt beschouwd als
soeverein.
Refah Partisi:
Algemene bepaling in de Grondwet:
Wetsvoorstel en advies RvS Wet op de politieke partijen
Week 2
Kiesrecht
Art. 4 Gw; het recht om te kiezen en gekozen te worden. Wanneer ben je kiesgerechtigde (54
Gw):
- Nederlander,
- Leeftijd van 18 jaar bereikt
- Niet uitgesloten van het kiesrecht
Scoppola t. Italië; lidstaten hebben een margin of appreciation bij de beoordeling of iemand
ontzet wordt uit het kiesrecht → dit mag alleen als de uitsluiting van het kiesrecht niet
algemeen en automatisch is.
Stelsel van evenredige vertegenwoordiging (53 Gw): er is evenredigheid tussen het aantal
stemmen en het aantal zetels dat je krijgt. Je moet de kiesdeler halen voor één zeter.
Voordelen Nadelen
Evenredige - Er gaan geen stemmen - Versplintering; veel
vertegenwoordiging verloren politieke partijen
- Nauwkeurige afspiegeling - Coalitievorming duurt lang
van de bevolking
Meerderheidsstelsel - Directe band tussen - Meer stemmen gaan
kiezer en gekozene verloren
- Regeringsstabiliteit - Kleine partijen maken
geen kans op een zetel
- Gerrymandering; de
grenzen van districten
manipuleren om te zorgen
dat je overal de
meerderheid hebt
, Hoe wordt de Eerste Kamer gekozen
- Art. 55 Gw; door de leden van de provinciale staten / leden van de kiescolleges /
kiescollege van niet-ingezeten Nederlanders
Welke bevoegdheden heeft de Staten-Generaal:
1. Samenwerking; samen met een ander ambt.
a. Art. 81 Gw: vaststelling van wetten in samenwerking met de regering
b. Art. 77 en 118 Gw: besluiten nemen ter voorbereiding van een ander besluit
c. Art. 103 Gw: SG beslist over het voortduren van een uitzonderingstoestand
2. Zelfstandig
a. Art. 30 lid 2 Gw: het benoemen van de koning
b. Art. 58 Gw: onderzoek naar geloofsbrieven
c. Art. 61 Gw: benoemen van voorzitter en griffier
d. Art. 67 Gw: besluiten tot beraadslagen met gesloten deuren
e. Art. 68 Gw: inlichtingenrecht
f. Art. 70 Gw: parlementaire enquête
g. Art. 91 Gw: reglement van orde vaststellen / stilzwijgende goedkeuring van
verdragen
De kamerleden stemmen zonder last op grond van art. 67 lid 3 Gw; kamerleden kunnen dus
niet worden aangesproken of vervolgd worden voor wat zij in de kamer zeggen.
Fractiediscipline = kandidaat-kamerleden kunnen jegens hun partij de verplichting aangaan
om zich te houden aan het verkiezingsprogramma.
- Dit is iets anders dan verkiezingsafspraken → deze overeenkomsten zijn nietig. Je kunt
dus niet overeenkomsten sluiten met mensen op dezelfde lijst.
Het lastverbod is een democratisch element in de Grondwet.
Volgens Kortmann heeft het staatsrecht niet de functie om staatsgezag te legitimeren. Legitiem
= iets feitelijk accepteren. Wat is het verschil tussen legaal en legitiem?
- Legaal: gaat over de bevoegdheid die je nodig hebt om over te kunnen gaan tot
daadwerkelijke uitoefening.
- Legitiem: gaat over de vraag of je staatsgezag feitelijk accepteert, wat iets subjectiefs en
psychologisch is. Dit kan het staatsrecht bevorderen.
Week 3
De regering = het orgaan dat bestaat uit de koning en de ministers (art. 42 lid 1 Gw). Het
kabinet is een politieke term voor de ploeg bewindspersonen die eens in de zoveel tijd worden
geformeerd;
- Na een interne breuk in het kabinet
- Na de periodieke verkiezingen van de Tweede Kamer
Welke kritiekpunten zijn er over de Nederlandse kabinetsformatie: