Samenvatting Natuurkunde 6.1
Geofysica meten vaak eerst de snelheid waarmee trillingen zich
voortbewegen, de dichtheid en magnetische en elektrische eigenschappen
van de gesteenten onder het aardoppervlak om het profiel van de bodem
te weten te komen
Seismologie: de studie naar trillingen in de aarde die vrijkomen bij
aardbevingen
De aarde bestaat uit verschillende lagen waartussen de snelheid van
seismische trillingen abrupt veranderen:
- Aardkorst: bestaat voornamelijk uit
graniet en basalt en is rond de 8km
(onder oceanen) en 32km (onder
continenten) dik en bestaat uit
continentale platen die drijven op de
mantel
- Mantel: bestaat grotendeels uit
silicaat houdende mineralen (zoals
olivijn en pyroxeen), ongeveer 2900km
dik en grotendeels vervormbaar
- Buitenkern: bestaat voornamelijk uit
vloeibaar ijzer en nikkel (met vrije elektronen), ongeveer 2200km
dik, door convectie wordt een magneetveld opgewekt
- Binnenkern: vast door druk
Op basis van mechanische eigenschappen:
- Lithosfeer: bestaat uit vast gesteente, tussen de 100 en 400 km
dik
- Asthenosfeer: makkelijk vervormbaar door hitte, ongeveer 100 km
dik
- Rest van de mantel: vast, maar kan nog wel iets vervormen
- Buitenkern: bestaat voornamelijk uit vloeibaar ijzer en nikkel (met
vrije elektronen), ongeveer 2200km dik, door convectie wordt een
magneetveld opgewekt
- Binnenkern: vast door druk
Convectie in de mantel: warmere gesteenten diep in de mantel stijgen op
en koudere gesteenten dalen: motor achter de bewegingen van de platen
in de lithosfeer
Geofysisch onderzoek wordt gebruikt voor:
, - Het opsporen van olie, gas en andere delfstoffen (vooral seismisch)
- Het bepalen van de stabiliteit van de grond bij bouwprojecten
- Archeologisch onderzoek
- Het bepalen van de kans op aardbevingen en vulkanisme
Door de beweging in de platen in de lithosfeer ontstaan er op sommige
plekken in de korst mechanische spanningen. Bij het ‘ontspannen’ ontstaat
een aardbeving
Gesmolten gesteente dat omhoog komt zoekt een weg naar de
oppervlakte. De lithosfeer is vast, waardoor het gesteente alleen omhoog
kan komen door barsten in het omringde gesteente te veroorzaken,
waardoor trillingen ontstaan.
Geofysica meten vaak eerst de snelheid waarmee trillingen zich
voortbewegen, de dichtheid en magnetische en elektrische eigenschappen
van de gesteenten onder het aardoppervlak om het profiel van de bodem
te weten te komen
Seismologie: de studie naar trillingen in de aarde die vrijkomen bij
aardbevingen
De aarde bestaat uit verschillende lagen waartussen de snelheid van
seismische trillingen abrupt veranderen:
- Aardkorst: bestaat voornamelijk uit
graniet en basalt en is rond de 8km
(onder oceanen) en 32km (onder
continenten) dik en bestaat uit
continentale platen die drijven op de
mantel
- Mantel: bestaat grotendeels uit
silicaat houdende mineralen (zoals
olivijn en pyroxeen), ongeveer 2900km
dik en grotendeels vervormbaar
- Buitenkern: bestaat voornamelijk uit
vloeibaar ijzer en nikkel (met vrije elektronen), ongeveer 2200km
dik, door convectie wordt een magneetveld opgewekt
- Binnenkern: vast door druk
Op basis van mechanische eigenschappen:
- Lithosfeer: bestaat uit vast gesteente, tussen de 100 en 400 km
dik
- Asthenosfeer: makkelijk vervormbaar door hitte, ongeveer 100 km
dik
- Rest van de mantel: vast, maar kan nog wel iets vervormen
- Buitenkern: bestaat voornamelijk uit vloeibaar ijzer en nikkel (met
vrije elektronen), ongeveer 2200km dik, door convectie wordt een
magneetveld opgewekt
- Binnenkern: vast door druk
Convectie in de mantel: warmere gesteenten diep in de mantel stijgen op
en koudere gesteenten dalen: motor achter de bewegingen van de platen
in de lithosfeer
Geofysisch onderzoek wordt gebruikt voor:
, - Het opsporen van olie, gas en andere delfstoffen (vooral seismisch)
- Het bepalen van de stabiliteit van de grond bij bouwprojecten
- Archeologisch onderzoek
- Het bepalen van de kans op aardbevingen en vulkanisme
Door de beweging in de platen in de lithosfeer ontstaan er op sommige
plekken in de korst mechanische spanningen. Bij het ‘ontspannen’ ontstaat
een aardbeving
Gesmolten gesteente dat omhoog komt zoekt een weg naar de
oppervlakte. De lithosfeer is vast, waardoor het gesteente alleen omhoog
kan komen door barsten in het omringde gesteente te veroorzaken,
waardoor trillingen ontstaan.