College 1: Normatieve professionaliteit. Hoofdstuk 1 van het boek en 6.1 t.m. 6.1.1, en
7.1.
De gouden regel: Behandel de ander zoals je zelf behandeld wil worden
Deze eenvoudige, krachtige richtlijn wordt aangetroffen in veel culturen over de hele wereld.
Het benadrukt dat men de plicht heeft om rekening te houden met de belangen en
waardigheid van anderen, zoals men dat ook van zichzelf zou verwachten.
- Je hoeft alleen niet ver in de geschiedenis te zoeken om te weten day de menselijke
geest makkelijk bereid is om iets anders te geloven dan de gouden regel: en dus is er
het kwade.
- Het kwaad wordt meestal gezien als gedrag dat anderen schade toebrengt en
opzettelijk wordt uitgevoerd, vaak met gebruikmaking van macht om deze schade te
veroorzaken.
Over slecht gedrag: Het kwaad
Experimenteren en geschiedenis laten zien dat de overgrote meerderheid, als de
omstandigheden daar zijn, in staat is om kwade dingen te doen.
Deze 7 sociale processen spelen een rol bij het ontstaan van slecht gedrag:
1. Gedachteloos de eerste kleine stap nemen (maakt de volgende makkelijker)
2. Ontmenselijken van anderen (o.a. stigmatiseren, de ander niet als mens zien)
3. Afstand nemen van jezelf als individu (anonimiteit i.p.v. identiteit)
4. Afstand nemen van persoonlijke verantwoordelijkheid (sociale norm, iedereen doet
het dus ik ook)
5. Blind gehoorzamen aan autoriteit
6. Conformeren aan groepsnormen (je houdt het mede in stand)
7. Passieve tolerantie van slecht gedrag (je ziet het gebeuren en laat het toe)
We zeggen: Oh, het zijn een paar rotte appels. Maar zo bezien zijn de verantwoordelijken in
belangrijke mate degenen die verantwoordelijk zijn voor het systeem waar het handelende
individu in gevangen zit (het gaat dus om macht).
1.1 Normatieve professionaliteit
Waarom is dit alles voor pedagogen belangrijk?
Omdat zoals de experimenten o.a. laten zien, een mens (dus b.v. jezelf) gemakkelijk kan
geïndoctrineerd worden als je hier niet bewust van bent; je kunt letterlijk “zelf” verliezen.
Dus naast ontwikkelen van je kunde (ook wel technisch-instrumentele professionaliteit
genoemd) – moet een pedagoog ook kunnen oordelen over de vraag in hoeverre het streven
naar effectiviteit & efficiency aansluit op de ruimere bedoeling van opvoeden – namelijk de
oriëntatie op de eigenstandigheid (het zelf) van je kind.
Voorbeeld: sociaal werkers die beschikken over de juiste kennis, kunde en professionele
vaardigheden zijn effectief en efficiënt in het bereiken van hun doelen. Ze beschikken over
technisch-instrumentele professionaliteit. (Rothfusz)
Efficiency: de mate waarin de doelen zijn bereikt.
Normatieve professionaliteit: Als je je bewust bent van de normen, waarden en deugden
die een rol spelen in jouw handelen – over wat je als sociaal werker belangrijk en
nastrevenswaardig vindt – en dat je die in een open dialoog kunt toetsen aan de argumenten
van anderen. Hierbij staat respect voor de ander centraal. (Rothfusz)
,De pedagoog reflecteert ook op de ‘waartoe’ vraag en is daarmee normatief professioneel.
Elke relatie is uniek = je integreert steeds je technisch-instrumentele professionaliteit met
je normatieve professionaliteit en met je persoonlijke competenties (met je persoonlijke
professionaliteit). De overstijgende deugd is professionele wijsheid (het nemen van de
juiste praktische beslissingen).
Professionele wijsheid wordt omschreven als het vermogen om op basis van argumenten
de juiste praktische keuzes te maken. Het houdt in dat de hulpverlener in gesprek kan gaan
over keuzes, dat hij ethische vragen kan signaleren, hierop kan reflecteren en hier open-
minded over in gesprek kan gaan. (Rothfusz)
Nog meer redenen waarom het van belang is je normatief persoonlijk te ontwikkelen, je hebt
o.a. te maken met:
- Kwetsbare mensen: Factoren als armoede, werkeloosheid en verstandelijke/fysieke
beperkingen verminderen de mogelijkheden van mensen om hun levens vorm te
geven.
- Werken met gevoelige info
- De machtspositie: een hulpverlener moet uitkijken dat hij niet voor de cliënt gaat
bepalen wat goed voor hem is.
- Het krachtenveld van verschillende belangen: van de client en van de organisatie
en van de overheid. De waarden en normen kunnen van elk verschillen, dus de
hulpverlener moet hierin zijn eigen, professionele afwegingen maken.
Om je normatieve professionaliteit te ontwikkelen is het verder relevant te weten dat morele
problemen op verschillende niveaus plaatsvinden.
Morele vraagstukken hebben verschillende niveaus:
- Microniveau: b.v. een therapeut staat voor de keuze om vertrouwelijkheid te
behouden of de autoriteiten te waarschuwen bij zelfmoordgedachten van een cliënt
(veiligheid cliënt in het geding).
- Mesoniveau: b.v. hulpverleners in een verslavingskliniek overwegen de behandeling
van een cliënt te stoppen wegens het negeren van regels (autonomie cliënt) wat de
veiligheid in gevaar kan brengen.
- Macroniveau: b.v. beleidsmakers moeten geestelijke gezondheidszorg betaalbaar
houden (kostenbeheersing), met een juiste balans tussen kosten en kwaliteit (van de
zorg).
Deze niveaus staan met elkaar in verbinding.
Niveaus beschreven vanuit het boek (Rothfusz):
- Op microniveau zijn er morele vragen over de manier waarop je van mens tot mens
met elkaar zou moeten omgaan. Deze vragen spelen een rol in alle menselijke
relaties.
- Op mesoniveau maken organisaties morele keuzes, die onder meer hun neerslag
vinden in de visie van de instelling. Hierbij gaat het om opvattingen over de missie
van een instelling en de manier waarop ze daaraan wil werken.
- Op macroniveau gaat het over politieke keuzes en de manier waarop de samenleving
moet worden ingericht.
Moreel vraagstuk: macroniveau.
De professional kan gezien worden als hoeder van waarden (=idealen), omdat men onder
andere zich kan beroepen op de ‘universele’ verklaring van de rechten van de mens’ – dus
iets wat op macroniveau besloten is (zoals universele mensenrechten), kan op microniveau
worden toegepast.
, 1.2 Signaleren van morele problemen.
Omdat je als hulpverlener zoveel invloed kunt hebben op het leven van anderen, moet je je
kunnen verantwoorden.
Verantwoordelijkheid nemen is niet altijd eenvoudig. Het kan aanlokkelijk zijn om de
verantwoordelijkheid te ontlopen. Er zijn veel manieren om dat te doen. 3 voorbeelden van
excuusjes om het te ontlopen:
1. ‘Ik deed slechts wat mij werd opgedragen’
2. ‘Iedereen deed het’
3. ‘Ik wist nergens van’ etc.
Volgens filosofe Hannah Arendt houden we ons liever met banale dingen bezig dan dat we
ons druk maken om de moraal – zie daar: de banaliteit van het kwaad.
Als sociaal werker moet je verantwoordelijkheid nemen voor je keuzes en handelingen.
Verantwoordelijkheid is zowel een plicht om te zorgen dat iets goed gaat, als het vermogen
en de bereidheid om je te verantwoorden – om uit te leggen waarom je bepaalde keuzes
hebt gemaakt (Rothfusz).
Als je verantwoordelijkheid neemt voor een professionele keuze, moet je open zijn over de
argumenten waarop je die keuzes baseert. Je kunt daarbij een onderscheid maken tussen
taak- en deugdverantwoordelijkheid (Rothfusz):
- Taakverantwoordelijkheid verwijst naar afspraken die binnen een organisatie gemaakt
zijn. Voorbeeld: Zo kan je de verantwoordelijkheid hebben om een spreekuur te
houden, waarin je met mensen praat en hen ondersteunt in het oplossen van hun
problemen. Dat staat in de taakomschrijving bijvoorbeeld.
- Deugdverantwoordelijkheid is niet gebaseerd op vastgelegde afspraken, maar op
normen en waarden, op een morele plicht die de betrokkene heeft. B.v.: Je wil niet
alleen je taakomschrijving volgen, maar voelt ook de plicht om hulpvaardig te zijn en
het welzijn van je cliënt op de eerste plaats te zetten.
Als je je bewust bent van welke waarden en normen je nastreeft in je beroep, dus welke
morele plichten je hebt, helpt dat je om te signaleren wanneer er sprake is van morele
problemen.
Verantwoordelijkheid nemen
Als professional moet je ‘bewust bekwaam’ zijn. Dat wil zeggen dat je bewust bezig bent om
je de competenties van je beroep eigen te maken. Door te reflecteren op je emoties, je
persoonlijke en professionele waarden en normen, kun je bewust bekwaam worden.