Psychologie een inleiding
Hoofdstuk 4: leren en omgeving
Leren: proces waardoor ervaringen een blijvende verandering veroorzaken in het gedrag of in mentale processen
Instinctief gedrag: aangeboren gedrag; wat je niet hebt hoeven leren ; overlevingsdrang/verzorging
Aangeleerd gedrag: taal
1) Klassieke conditionering (Pavlov)
Onderzoek speekselafscheiding bij honden, hierdoor kwam Pavlov erachter hoe honden leren.
➔ Aangeboden neutrale prikkel roept een reflex op (aangeboren/willekeurig) als een associatie tussen
beide ontstaat
Vooraf:
Bak hondenbrokken (UCS) → Speekselafscheiding (UCR)
Geluid (NS) → geen respons
Tijdens:
Geluid (NS) met hondenbrokken (UCS) → Kwijlen (UCR)
Door dit vaak te herhalen = leren = geluid NS wordt CS
UCS = unconditoned conditiones stimilus
UCR = unconditioned conditiones respons
NS = neutrale stimilus
CS = conditioned stimulus
Er zijn hierbij verschillende fases:
1) Verwerving CS en UCS
Dit is de fase waarin geleerd wordt en dit gaat snel
2) Extinctie CS
Afleren door uitblijven van 1 stimulus
3) Spontaan herstel CS
Na lang niks ineens toch weer een respons
Wanneer iets uitdooft betekend dit afleren.
Stimilusgeneralisatie: voorbeeld met little Albert en het konijn → ze probeerden hem bang te maken voor een wit konijn;
uiteindelijk is Albert nu bang voor alles dat wit en harig is, zelfs een witte baard vindt hij eng. Dit komt doordat angst
generaliseert naar andere stimuli die erop lijken.
Stimilusdiscreminatie: onderscheiden van verschillende stimuli (waar doe je wel wat op uit en waar niet)
Aversieve conditionering: voorbeeld → een patiënt eet brood voordat hij/zij een chemo behandeling ondergaat. Na de
chemo wordt je misselijk, patiënt heeft automatisch de link gelegd met het brood dat hij/zij voor de chemo heeft gegeten
en wordt daardoor automatisch misselijk zodra hij/zij brood eet. Een oplossing voor dit probleem is om rare stimuli te eten
voordat de chemo begint, dit wordt ook wel sondebokstimulus genoemd.
2) Operant conditoneren
Dit is een vorm van leren (stimulus respons) waarbij de kans op een respons veranderd door de gevolgen
ervan.
→ (re)actief leren
→ Trial en error: door middel van het uitproberen en leren van fouten een oplossing vinden voor een
probleem → wet van Effect: hierbij leidt het gedrag van een organisme tot plezierige of onplezierige
resultaten, die op hun beurt weer de kans beïnvloeden dat het organisme nog een keer dit gedrag vertoont.
→ Beloning en straf
Bovenstaande manieren zijn allemaal manieren om goed gedrag te belonen.
Verschil met klassieke conditionering: operant conditioneren is op meer gedragstypen van toepassing en
het vormt een verklaring voor de manier waarop organismen nieuwe en complexe gedragingen leren, en niet
volkomen afhankelijk zijn van aangeboren reflexen.
Hoofdstuk 4: leren en omgeving
Leren: proces waardoor ervaringen een blijvende verandering veroorzaken in het gedrag of in mentale processen
Instinctief gedrag: aangeboren gedrag; wat je niet hebt hoeven leren ; overlevingsdrang/verzorging
Aangeleerd gedrag: taal
1) Klassieke conditionering (Pavlov)
Onderzoek speekselafscheiding bij honden, hierdoor kwam Pavlov erachter hoe honden leren.
➔ Aangeboden neutrale prikkel roept een reflex op (aangeboren/willekeurig) als een associatie tussen
beide ontstaat
Vooraf:
Bak hondenbrokken (UCS) → Speekselafscheiding (UCR)
Geluid (NS) → geen respons
Tijdens:
Geluid (NS) met hondenbrokken (UCS) → Kwijlen (UCR)
Door dit vaak te herhalen = leren = geluid NS wordt CS
UCS = unconditoned conditiones stimilus
UCR = unconditioned conditiones respons
NS = neutrale stimilus
CS = conditioned stimulus
Er zijn hierbij verschillende fases:
1) Verwerving CS en UCS
Dit is de fase waarin geleerd wordt en dit gaat snel
2) Extinctie CS
Afleren door uitblijven van 1 stimulus
3) Spontaan herstel CS
Na lang niks ineens toch weer een respons
Wanneer iets uitdooft betekend dit afleren.
Stimilusgeneralisatie: voorbeeld met little Albert en het konijn → ze probeerden hem bang te maken voor een wit konijn;
uiteindelijk is Albert nu bang voor alles dat wit en harig is, zelfs een witte baard vindt hij eng. Dit komt doordat angst
generaliseert naar andere stimuli die erop lijken.
Stimilusdiscreminatie: onderscheiden van verschillende stimuli (waar doe je wel wat op uit en waar niet)
Aversieve conditionering: voorbeeld → een patiënt eet brood voordat hij/zij een chemo behandeling ondergaat. Na de
chemo wordt je misselijk, patiënt heeft automatisch de link gelegd met het brood dat hij/zij voor de chemo heeft gegeten
en wordt daardoor automatisch misselijk zodra hij/zij brood eet. Een oplossing voor dit probleem is om rare stimuli te eten
voordat de chemo begint, dit wordt ook wel sondebokstimulus genoemd.
2) Operant conditoneren
Dit is een vorm van leren (stimulus respons) waarbij de kans op een respons veranderd door de gevolgen
ervan.
→ (re)actief leren
→ Trial en error: door middel van het uitproberen en leren van fouten een oplossing vinden voor een
probleem → wet van Effect: hierbij leidt het gedrag van een organisme tot plezierige of onplezierige
resultaten, die op hun beurt weer de kans beïnvloeden dat het organisme nog een keer dit gedrag vertoont.
→ Beloning en straf
Bovenstaande manieren zijn allemaal manieren om goed gedrag te belonen.
Verschil met klassieke conditionering: operant conditioneren is op meer gedragstypen van toepassing en
het vormt een verklaring voor de manier waarop organismen nieuwe en complexe gedragingen leren, en niet
volkomen afhankelijk zijn van aangeboren reflexen.