Psychologie een inleiding
Hoofdstuk 2: Biopsychologie, neurowetenschappen en de menselijke aard
Biopsychologie: ook wel gedragsbiologie genoemd; bestuderen van interactie tussen gedrag/biologie/omgeving, vaak
gericht op dieren
Evolutie: proces waarbij organismen geleidelijk veranderen doordat ze zich succesvol aan kunnen passen aan een
veranderende omgeving; evolutieproces is de koppeling tussen erfelijkheid en gedrag.
Creationisme: opvatting dat het Universum en de Aarde (met alle planten/dieren/mensen) hun ontstaan te danken hebben
aan een scheppingsdaad.f
Natuurlijke selectie: de drijvende kracht achter de evolutie; de omgeving ‘selecteert’ de best aangepaste organismen; deze
organismen zullen het lange leven en zich het meest voortplanten; ‘survival of the fittest’
Adaptieve kenmerken: kenmerken van iets of iemand die ontstaan zijn door aanpassing aan een specifieke omgeving; voor
de mens is dit bijvoorbeeld het groeien van de hersenen doordat ze zich aan taal hebben aangepast.
Evolueren van gedrag: door de interactie tussen erfelijkheid en de eisen die door de omgeving gesteld worden.
(gedrag = persoonlijke eigenschappen x situatie)
Genen: zij delen moleculaïre informatie die kan worden omgezet in fysieke kenmerken (haarkleur/lengte); dit is een
‘blauwdruk’ dat je van je ouders geërfd hebt; is in elke cel van je lichaam aanwezig.
Belangrijk: ook psychologische kenmerken zijn erfelijk, zoals angst/basistemperament/gedragspatronen.
Genotype: verzameling van eigenschappen van iemand die is geërfd van de ouders; maakt je genetisch uniek; je blauwdruk
Fenotype: waarneembare fysieke kenmerken; bepaald door het genotype en de omgeving (stress, voeding en ziekte); zowel
lengte als haarkleur als ook de ‘bedrading’ in je hersenen en je gedrag
Lichaam bestaat uit cellen. Een cel bestaat uit een genoom. Deze genoom bevat 1 complete set chromosomen. Deze
chromosomen bestaan uit een stof, dit noemen we DNA; hierin wordt een soort ‘code’ opgeslagen waarin al onze erfelijke
eigenschappen zijn vastgelegd. Het eiwit waar DNA zich omheen wikkelt wordt ook wel histoon genoemd. Ook zitten er op
de chromosomen genen; dit is in feite een stukje DNA want elke gen beschrijft een code van een kenmerk; deze bepaald
hoe je lichaam werkt en hoe je eruit ziet. Genen bestaan weer uit nucleotiden; 1 gen bevat 4 nucleotiden, je hebt natuurlijk
duizenden genen en dus ook duizenden soorten nucleotiden waardoor je unieke combinaties kunt vormen (1 combinatie is
1 eiwit); nucleotiden bestaan uit ‘paren’.
Ontwikkelingsproblemen of lichamelijke problemen kunnen veroorzaakt worden door fouten in het fenotype; genen
kunnen zelf een fout bij zich dragen of de opdracht hoe genen tot expressie komen is fout gegaan (door chromosomen).
Geslachtschromosomen: 2 van de 46 (23 paar); X en Y. De X komt altijd van de biologische moeder en hetgeen wat van de
biologische vader komt bepaald het geslacht; XX is vrouw en XY is man.
Autosomen: chromosomen dat geen geslachtschromosomen zijn.
Cellen kunnen zich individueel anders maken (huidcellen/spiercellen/neuronen in de hersenen); terwijl de genen die in de
cellen altijd hetzelfde zijn. Dat dit kan komt doordat interne processen een bepaalde cel ‘aan’ en andere genen ‘uit’ kunnen
zetten; ontwikkeling en groei van je lichaam bijvoorbeeld. Ook komt dit door signalen uit de omgeving; ervaringen worden
aan het genomoon verzonden.
Het aan en uit zetten van bepaalde genen door nature/nurture laat elke keer een code achter; een soort registratie. Deze
registraties vormen samen een logboek van alle invloeden op de cel; soms worden deze codes weggezet op het DNA of op
het histoon; de restjes noem je het epigenoom (aanvullende ervaringen). Het epigenoom reageert op ervaringen uit de
omgeving (o.a. ook voeding en beweging) en is daardoor flexibel met het aan/uit zetten van genen.
Hoofdstuk 2: Biopsychologie, neurowetenschappen en de menselijke aard
Biopsychologie: ook wel gedragsbiologie genoemd; bestuderen van interactie tussen gedrag/biologie/omgeving, vaak
gericht op dieren
Evolutie: proces waarbij organismen geleidelijk veranderen doordat ze zich succesvol aan kunnen passen aan een
veranderende omgeving; evolutieproces is de koppeling tussen erfelijkheid en gedrag.
Creationisme: opvatting dat het Universum en de Aarde (met alle planten/dieren/mensen) hun ontstaan te danken hebben
aan een scheppingsdaad.f
Natuurlijke selectie: de drijvende kracht achter de evolutie; de omgeving ‘selecteert’ de best aangepaste organismen; deze
organismen zullen het lange leven en zich het meest voortplanten; ‘survival of the fittest’
Adaptieve kenmerken: kenmerken van iets of iemand die ontstaan zijn door aanpassing aan een specifieke omgeving; voor
de mens is dit bijvoorbeeld het groeien van de hersenen doordat ze zich aan taal hebben aangepast.
Evolueren van gedrag: door de interactie tussen erfelijkheid en de eisen die door de omgeving gesteld worden.
(gedrag = persoonlijke eigenschappen x situatie)
Genen: zij delen moleculaïre informatie die kan worden omgezet in fysieke kenmerken (haarkleur/lengte); dit is een
‘blauwdruk’ dat je van je ouders geërfd hebt; is in elke cel van je lichaam aanwezig.
Belangrijk: ook psychologische kenmerken zijn erfelijk, zoals angst/basistemperament/gedragspatronen.
Genotype: verzameling van eigenschappen van iemand die is geërfd van de ouders; maakt je genetisch uniek; je blauwdruk
Fenotype: waarneembare fysieke kenmerken; bepaald door het genotype en de omgeving (stress, voeding en ziekte); zowel
lengte als haarkleur als ook de ‘bedrading’ in je hersenen en je gedrag
Lichaam bestaat uit cellen. Een cel bestaat uit een genoom. Deze genoom bevat 1 complete set chromosomen. Deze
chromosomen bestaan uit een stof, dit noemen we DNA; hierin wordt een soort ‘code’ opgeslagen waarin al onze erfelijke
eigenschappen zijn vastgelegd. Het eiwit waar DNA zich omheen wikkelt wordt ook wel histoon genoemd. Ook zitten er op
de chromosomen genen; dit is in feite een stukje DNA want elke gen beschrijft een code van een kenmerk; deze bepaald
hoe je lichaam werkt en hoe je eruit ziet. Genen bestaan weer uit nucleotiden; 1 gen bevat 4 nucleotiden, je hebt natuurlijk
duizenden genen en dus ook duizenden soorten nucleotiden waardoor je unieke combinaties kunt vormen (1 combinatie is
1 eiwit); nucleotiden bestaan uit ‘paren’.
Ontwikkelingsproblemen of lichamelijke problemen kunnen veroorzaakt worden door fouten in het fenotype; genen
kunnen zelf een fout bij zich dragen of de opdracht hoe genen tot expressie komen is fout gegaan (door chromosomen).
Geslachtschromosomen: 2 van de 46 (23 paar); X en Y. De X komt altijd van de biologische moeder en hetgeen wat van de
biologische vader komt bepaald het geslacht; XX is vrouw en XY is man.
Autosomen: chromosomen dat geen geslachtschromosomen zijn.
Cellen kunnen zich individueel anders maken (huidcellen/spiercellen/neuronen in de hersenen); terwijl de genen die in de
cellen altijd hetzelfde zijn. Dat dit kan komt doordat interne processen een bepaalde cel ‘aan’ en andere genen ‘uit’ kunnen
zetten; ontwikkeling en groei van je lichaam bijvoorbeeld. Ook komt dit door signalen uit de omgeving; ervaringen worden
aan het genomoon verzonden.
Het aan en uit zetten van bepaalde genen door nature/nurture laat elke keer een code achter; een soort registratie. Deze
registraties vormen samen een logboek van alle invloeden op de cel; soms worden deze codes weggezet op het DNA of op
het histoon; de restjes noem je het epigenoom (aanvullende ervaringen). Het epigenoom reageert op ervaringen uit de
omgeving (o.a. ook voeding en beweging) en is daardoor flexibel met het aan/uit zetten van genen.