Methodologie van sociaalwetenschappelijk onderzoek deel 2
Week 3
Module 6: De aard van kwantitatief onderzoek
De rol van theorie in kwantitatief onderzoek
In kwantitatief onderzoek ligt de nadruk op deductie.
- Dit type onderzoek gaat uit van een bestaande theorie of een idee
dat je wilt testen.
Deductie betekent dat je vanuit een algemeen principe of een
brede theorie specifieke verwachtingen (hypothesen) afleidt, en
die vervolgens controleert met behulp van gegevens.
Het proces van onderzoek: research design (operationaliseren)
In kwantitatief onderzoek zijn concepten de belangrijkste ideeën die we
onderzoeken.
- Het zijn abstracte begrippen die we gebruiken om sociale
verschijnselen te begrijpen, zoals armoede, polarisatie of
vertrouwen.
Omdat deze begrippen vaak niet direct meetbaar zijn, moeten
we ze eerst goed omschrijven en vervolgens meetbaar maken.
Je meet concepten, niet hypothesen:
- Een hypothese kan meerdere concepten bevatten.
Bijvoorbeeld "Mensen die sociaal geïsoleerd zijn, hebben meer
kans op depressie.''
- In dit geval moet je zowel sociale isolatie als depressie
afzonderlijk meetbaar maken.
Wat zijn hypotheses?
In wetenschappelijk onderzoek gebruiken we hypotheses om
verwachtingen te testen. Hierbij spelen twee belangrijke soorten
hypotheses een rol:
1. Nulhypothese (H0):
De Nulhypothese stelt dat er geen effect is of geen verschil tussen de
dingen die je onderzoek. De nulhypothese helpt je om kritisch te testen of
een effect of verschil echt bestaat.
, 2. Alternatieve hypothese (H1):
De alternatieve hypothese stelt dat er wel een effect of verschil is. Dit is
wat je eigenlijk wilt onderzoeken of aantonen.
De nulhypothese en alternatieve hypothese werken samen:
- Je begint altijd met de nulhypothese (H0) en gaat na of je genoeg
bewijs hebt om deze te verwerpen.
- Als je voldoende bewijst vindt dat de nulhypothese niet klopt,
accepteer je de alternatieve hypothese (H1).
Bijvoorbeeld:
- H0: medicijn A werkt niet beter dan een placebo.
- H1: medicijn A werkt beter dan een placebo.
Als uit je onderzoek blijkt dat medicijn A significant beter werkt,
verwerp je de nulhypothese en accepteer je de alternatieve
hypothese.
Wat zijn concepten?
- Bouwstenen van een theorie: concepten vormen de basis van
wat je wilt onderzoeken en begrijpen.
- Labels voor sociale verschijnselen: ze geven een naam aan
belangrijke aspecten van de samenleving, zoals ongelijkheid of
tevredenheid.
- Hulpmiddelen voor structuur: concepten helpen om ideeën en
waarnemingen te ordenen, zodat ze makkelijker te onderzoeken
zijn.
Hoe werkt het werken met concepten in kwantitatief onderzoek?
1. Conceptualisering: eerst beschrijf je wat je precies bedoelt met
een concept.
- Dit helpt om een abstract begrip duidelijk te maken.
Voorbeeld: als je onderzoek doet naar armoede, bepaal je wat
je hieronder verstaat. Is het een laag inkomen of een gebrek
aan basisbehoeften?
2. Operationalisering: vervolgens maak je het concept meetbaar.
- Je bedenkt hoe je het in de praktijk gaat onderzoeken door
indicatoren te kiezen die het begrip vertegenwoordigen.
Voorbeeld: voor armoede kun je indicatoren gebruiken zoals
maandinkomen, het aantal maaltijden per dag, of toegang tot
, medische zorg. Deze informatie verzamel je bijvoorbeeld via
vragenlijsten of statistieken.
Wat zijn indicatoren?
Een indicator is een concrete aanwijzing die ons helpt om iets te zeggen
over een abstract concept. Indicatoren werken als ''meetpunten'' voor
begrippen die niet direct zichtbaar of meetbaar zijn. Ze geven indirect
informatie over een concept. Je hebt twee soorten metingen:
1. Directe maat: voor sommige concepten is een duidelijke en
eenvoudige meting mogelijk.
- Voorbeeld: het concept persoonlijk inkomen kan direct gemeten
worden als ''netto maandsalaris in euro's.
Dit is een direct cijfer dat precies aangeeft wat je wilt weten.
2. Meerdere indicatoren: voor complexere of abstracte concepten,
zoals werktevredenheid, zijn er geen directe maten. In plaats
daarvan gebruik je meerdere indicatoren om het concept te
beschrijven en te meten.
- Voorbeeld: om werktevredenheid te meten, kun je gebruik
maken van:
1. Stellingen in een vragenlijst, zoals:
- ''Ik ben tevreden met mijn baan''
- ''Mijn werk geeft mij persoonlijke voldoening''
2. Taalgebruik in werk gerelateerde e-mails:
- Hoe vaak gebruikt iemand woorden zoals ''fijn'', ''geweldig''
of ''leuk''.
- Hoe vaak komen woorden zoals ''saai'' of '' vervelend''
voor?
Indicatoren kunnen op verschillende manieren worden toegepast,
afhankelijk van de gebruikte methode om gegevens te verzamelen:
- Vragenlijsten: bijvoorbeeld het stellen van vragen of gebruiken
van stellingen om meningen of attitudes te meten.
Voorbeeld is een likert-schaal (helemaal mee eens tot helemaal
mee oneens): Ook wel 5 puntenschaal genoemd.
- Inhoudsanalyse: bijvoorbeeld het analyseren van e-mails,
interviews of anderen teksten om woorden en toon te meten.
Waarom is het belangrijk om meerdere items (vragen) te gebruik in een
schaal of index?
Week 3
Module 6: De aard van kwantitatief onderzoek
De rol van theorie in kwantitatief onderzoek
In kwantitatief onderzoek ligt de nadruk op deductie.
- Dit type onderzoek gaat uit van een bestaande theorie of een idee
dat je wilt testen.
Deductie betekent dat je vanuit een algemeen principe of een
brede theorie specifieke verwachtingen (hypothesen) afleidt, en
die vervolgens controleert met behulp van gegevens.
Het proces van onderzoek: research design (operationaliseren)
In kwantitatief onderzoek zijn concepten de belangrijkste ideeën die we
onderzoeken.
- Het zijn abstracte begrippen die we gebruiken om sociale
verschijnselen te begrijpen, zoals armoede, polarisatie of
vertrouwen.
Omdat deze begrippen vaak niet direct meetbaar zijn, moeten
we ze eerst goed omschrijven en vervolgens meetbaar maken.
Je meet concepten, niet hypothesen:
- Een hypothese kan meerdere concepten bevatten.
Bijvoorbeeld "Mensen die sociaal geïsoleerd zijn, hebben meer
kans op depressie.''
- In dit geval moet je zowel sociale isolatie als depressie
afzonderlijk meetbaar maken.
Wat zijn hypotheses?
In wetenschappelijk onderzoek gebruiken we hypotheses om
verwachtingen te testen. Hierbij spelen twee belangrijke soorten
hypotheses een rol:
1. Nulhypothese (H0):
De Nulhypothese stelt dat er geen effect is of geen verschil tussen de
dingen die je onderzoek. De nulhypothese helpt je om kritisch te testen of
een effect of verschil echt bestaat.
, 2. Alternatieve hypothese (H1):
De alternatieve hypothese stelt dat er wel een effect of verschil is. Dit is
wat je eigenlijk wilt onderzoeken of aantonen.
De nulhypothese en alternatieve hypothese werken samen:
- Je begint altijd met de nulhypothese (H0) en gaat na of je genoeg
bewijs hebt om deze te verwerpen.
- Als je voldoende bewijst vindt dat de nulhypothese niet klopt,
accepteer je de alternatieve hypothese (H1).
Bijvoorbeeld:
- H0: medicijn A werkt niet beter dan een placebo.
- H1: medicijn A werkt beter dan een placebo.
Als uit je onderzoek blijkt dat medicijn A significant beter werkt,
verwerp je de nulhypothese en accepteer je de alternatieve
hypothese.
Wat zijn concepten?
- Bouwstenen van een theorie: concepten vormen de basis van
wat je wilt onderzoeken en begrijpen.
- Labels voor sociale verschijnselen: ze geven een naam aan
belangrijke aspecten van de samenleving, zoals ongelijkheid of
tevredenheid.
- Hulpmiddelen voor structuur: concepten helpen om ideeën en
waarnemingen te ordenen, zodat ze makkelijker te onderzoeken
zijn.
Hoe werkt het werken met concepten in kwantitatief onderzoek?
1. Conceptualisering: eerst beschrijf je wat je precies bedoelt met
een concept.
- Dit helpt om een abstract begrip duidelijk te maken.
Voorbeeld: als je onderzoek doet naar armoede, bepaal je wat
je hieronder verstaat. Is het een laag inkomen of een gebrek
aan basisbehoeften?
2. Operationalisering: vervolgens maak je het concept meetbaar.
- Je bedenkt hoe je het in de praktijk gaat onderzoeken door
indicatoren te kiezen die het begrip vertegenwoordigen.
Voorbeeld: voor armoede kun je indicatoren gebruiken zoals
maandinkomen, het aantal maaltijden per dag, of toegang tot
, medische zorg. Deze informatie verzamel je bijvoorbeeld via
vragenlijsten of statistieken.
Wat zijn indicatoren?
Een indicator is een concrete aanwijzing die ons helpt om iets te zeggen
over een abstract concept. Indicatoren werken als ''meetpunten'' voor
begrippen die niet direct zichtbaar of meetbaar zijn. Ze geven indirect
informatie over een concept. Je hebt twee soorten metingen:
1. Directe maat: voor sommige concepten is een duidelijke en
eenvoudige meting mogelijk.
- Voorbeeld: het concept persoonlijk inkomen kan direct gemeten
worden als ''netto maandsalaris in euro's.
Dit is een direct cijfer dat precies aangeeft wat je wilt weten.
2. Meerdere indicatoren: voor complexere of abstracte concepten,
zoals werktevredenheid, zijn er geen directe maten. In plaats
daarvan gebruik je meerdere indicatoren om het concept te
beschrijven en te meten.
- Voorbeeld: om werktevredenheid te meten, kun je gebruik
maken van:
1. Stellingen in een vragenlijst, zoals:
- ''Ik ben tevreden met mijn baan''
- ''Mijn werk geeft mij persoonlijke voldoening''
2. Taalgebruik in werk gerelateerde e-mails:
- Hoe vaak gebruikt iemand woorden zoals ''fijn'', ''geweldig''
of ''leuk''.
- Hoe vaak komen woorden zoals ''saai'' of '' vervelend''
voor?
Indicatoren kunnen op verschillende manieren worden toegepast,
afhankelijk van de gebruikte methode om gegevens te verzamelen:
- Vragenlijsten: bijvoorbeeld het stellen van vragen of gebruiken
van stellingen om meningen of attitudes te meten.
Voorbeeld is een likert-schaal (helemaal mee eens tot helemaal
mee oneens): Ook wel 5 puntenschaal genoemd.
- Inhoudsanalyse: bijvoorbeeld het analyseren van e-mails,
interviews of anderen teksten om woorden en toon te meten.
Waarom is het belangrijk om meerdere items (vragen) te gebruik in een
schaal of index?