Blok 1 – psychopathologie
Probleem 2 – ADHD en selectief mutisme
Leerdoelen:
1. Hoe ziet de normale cognitieve ontwikkeling in de midden kindertijd eruit?
Vergeleken met de vroege kindertijd, zijn er een aantal cognitieve verbeteringen te zien in de midden
kindertijd. Ze kunnen nu meer logisch, systematisch nadenken over meerdere informatiestukken,
door een vermindering in hun centratie. Ook hebben ze meer vermogen de onderliggende realiteit te
beseffen, ondanks oppervlakkige verschijning, en komen ze dus over het appearance-reality
probleem heen. Ze krijgen meer domein-specifieke kennis en expertise en krijgen meer controle over
aandacht en geheugen door een betere informatieverwerking. De metacognitie begint zich hier ook
steeds meer te ontwikkelen. Een aantal dingen die ze echter nog niet kunnen, zijn het denken over
abstract en hypothetische problemen. Ze hebben nog geen brede basis aan kennis zoals volwassenen
die hebben en ze hebben nog moeite met bepaalde vaardigheden die ze bezitten als deel van een
groter probleemoplossingssysteem.
2. Wat zijn de kenmerken van ADHD en selectief mutisme?
De primaire kenmerken van ADHD zijn hyperactiviteit-impulsiviteit en onoplettendheid, en deze
kunnen dan ook in drie subtypes verdeeld worden. Selectief mutisme is wanneer een kind in
bepaalde situaties, zoals op school, niet praat en thuis bijvoorbeeld wel, zonder dat er
taalstoornissen of spraakproblemen zijn.
3. Wat zijn de bestaande theorieën over ADHD?
Er zijn verschillende hersengebieden die gerelateerd kunnen zijn aan symptomen van ADHD, en ook
is er over het algemeen een kleiner hersenvolume bij ADHD. Ook kunnen er tekorten zijn in
executieve functies, die symptomen als respons inhibitie en onoplettendheid zouden kunnen
verklaren. Er is nog wel meer onderzoek nodig naar de specifieke oorzaken.
4. Welke behandelingen zijn er?
Er zijn verschillende mogelijke behandelingen bij ADHD, maar het is belangrijk te beginnen met
psycho-educatie en ouder- en leerkrachttraining om de omgeving te optimaliseren. Als deze niet
werken, kan verder gekeken worden. Een andere effectief bevonden behandeling is neurofeedback,
waar het kind leert zijn hersenactiviteit te controleren. Ook bestaan er trainingen die het
werkgeheugen kunnen verbeteren, wat kan helpen met onder andere onoplettendheid.
, De Hart (2004): cognitive development in middle childhood
Er zijn verschillende cognitieve veranderingen van de vroege naar de midden kindertijd. Zo laten
kinderen verbeteringen zien in:
- De capaciteit voor logisch, systematisch denken met meerdere informatiestukken, deels door
een vermindering in hun centratie.
- Het vermogen onderliggende realiteit te beseffen ondanks de oppervlakkige verschijning.
- Domein-specifieke kennis en expertise.
- Informatieverwerkingsvermogen en controle over aandacht en geheugen.
- Metacognitie: het vermogen effectief te denken over de eigen kennis en gedachteprocessen.
Ondanks deze verbeteringen, blijven er echter nog een aantal beperkingen:
- Ondanks verbeteringen in domein-specifieke kennis, missen ze nog de brede basis aan kennis
die volwassenen bezitten, wat hun redenering nog wat onvolwassen maakt.
- Soms hebben ze nog moeite met het gebruiken van een vaardigheid die ze bezitten als deel
van een groter probleemoplossingssysteem.
- Deze kinderen kunnen nog niet volwassen redeneren over abstracte en hypothetische
problemen, maar denken eerder concreet na over het hier en nu.
Grote cognitieve ontwikkelingen in de midden kindertijd
Conservatie
In de midden kindertijd wordt het begrip van conservatie aanzienlijk beter. Op een leeftijd van 10
laten de meeste kinderen al begrip zien van conservatie van fysieke kwantiteiten. Dit laat een breder
ontwikkelingspatroon zien, namelijk dat wanneer een vaardigheid net opkomt, het nog heel fragiel is,
maar door ervaring het steeds beter ontwikkelt. Nu vereist het minder cognitieve bronnen en kan het
in meer contexten toegepast worden.
Om conservatie te begrijpen, moeten kinderen het verschil kennen tussen contingent truth en
necessary truth. Contingent truth gaat over wat je observeert, terwijl een necessary truth gebaseerd
is op logische gedachtes naast wat je waarneemt, het infereren. Hierdoor komen ze over het
appearance-reality probleem heen. Begrip van necessary truth is echter nog beperkt tot vooral
concrete kenmerken, en meer abstracte concepten vinden ze nog lastig te begrijpen.
Om conservatieproblemen op te lossen moet ook een fundamentele shift plaatsvinden in de logische
redenering van kinderen. Informatieverwerkingstheorieën bieden een uitleg gebaseerd op
veranderingen in mentale procedures of regels die kinderen gebruiken om problemen op te lossen.
Op alle leeftijden worden verschillende regels gebruikt. Pas als kinderen de logical necessity volledig
begrijpen, kunnen ze conservatieproblemen goed oplossen.
Hiërarchische classificatie
Deze classificatie wordt gebruikt om kennis te organiseren. Hierbij maak je namelijk een soort
hiërarchie, waar bovenaan het algemene concept staat, en in elke rij daaronder het steeds
specifieker opgedeeld wordt. Hiermee kunnen kinderen nu steeds beter denken in subklassen, maar
het is nog niet volledig ontwikkelt. Ook hier zijn ze beter met concrete voorwerpen die ze zien dan
met abstracte, hypothetische vragen, en ook zijn ze beter met natuurlijke verzamelingen, zoals een
bos, dan abstracte klassen.
Matrix classificatie
Sommige data kan beter georganiseerd worden in een matrix systeem. Zo heb je bijvoorbeeld
schroeven die je op 2 manieren kan verdelen; lengte en breedte, wat een matrix vereist. Dit wordt
een multiplicatie van klassen genoemd; een dimensie (breedte) wordt vermeerderd door een
, andere (lengte). Eerder konden kinderen maar op 1 dimensie ordenen, en nu meer. Dit komt vooral
door het overkomen van centratie en het minder focussen op 1 kenmerk.
Aandacht
6-11 jarigen hebben verbeterd vermogen hun aandacht te reguleren. Ze beseffen dat het een
beperkte bron is, die ze met opzet op bepaalde taken kunnen focussen. Ze worden meer
systematisch, georganiseerd en selectief in het gebruiken van hun aandacht. Ze ontwikkelen betere
strategieën om hun aandacht te reguleren en ze weten wanneer ze deze kunnen toepassen. Ze
worden meer flexibel in het aanpassen van hun aandacht in verschillende situaties.
Geheugen
Ook voor geheugen leren ze meer strategieën om te helpen met iets onthouden. Verschillende
factoren spelen een rol in de geheugenontwikkeling:
1. Geheugencapaciteit: de hoeveelheid informatie die onthouden kan worden en de ruimte om
mentale processen uit te voeren tijdens opslag en retrieval. Het werkgeheugen sensorisch
geheugen en korte termijn geheugen nemen toe met de ontwikkeling door de toegenomen
snelheid en efficiëntie van informatieverwerking. Dit komt ook door neurale ontwikkelingen
waar de verbindingen flexibeler worden, wat processen automatiseert.
2. Kennis: de hoeveelheid kennis die in het LTG behouden kan worden neemt ook toe, wat
beïnvloed wat kinderen kunnen leren en onthouden. Ze kunnen betere inferenties maken
over nieuwe informatie en hierdoor beter informatie begrijpen en ophalen. Constructive
memory, het infereren uit tekst, verbeterd, en dit helpt bij het ophalen van informatie.
3. Mnemonic strategieën: dit zijn opzettelijke, goal-directed strategieën die het geheugen
helpen. Strategieën die veel gebruikt worden zijn rehearsal, organization en elaboration.
Rehearsal is het herhalen van informatie om het te onthouden, zoals een telefoonnummer.
Organisatie is het organiseren van informatie in betekenisvolle categorieën. Elaboratie is het
vormen van betekenisvolle verbindingen tussen items die onthouden moeten worden. Vanaf
7 jaar oud gaan kinderen deze steeds meer toepassen en vanaf 10 kunnen ze dit efficiënt. Er
zijn 3 soorten problemen in het gebruik hiervan bij kinderen:
- Mediatie: ze zijn nog niet in staat zo’n strategie te gebruiken, zelfs als een volwassene het
voorstelt.
- Productie: ze kunnen het niet spontaan gebruiken, maar wel als het wordt voorgesteld.
- Utilisatie: ze gebruiken een strategie spontaan, maar in de verkeerde situaties.
4. Metageheugen: dit is kennis over geheugen en geheugenprocessen. Denken over hoe je iets
kan onthouden en je krachten en zwaktes hierbij kennen, kan je helpen met het goed
onthouden van dingen. Kinderen die hier sterk in zijn, kunnen efficiënter hun informatie
onthouden en ophalen. Ze zijn zich bewust van effectieve strategieën en hebben deze eigen
gemaakt.
Sociale interactie en cognitieve ontwikkeling
In de vroege kindertijd wordt de cognitieve ontwikkeling vooral beïnvloed door interacties met
volwassenen en leeftijdsgenoten. Volwassen kunnen didactische leerervaringen bieden, waarin
iemand met meer kennis de oplossing van een probleem leert aan het kind. Leeftijdsgenoten kunnen
coöperatieve leerervaringen bieden, waar kinderen met dezelfde kennis en skills samen ideeën
delen en oplossingen ontdekken. Beide leerervaringen helpen met de cognitieve ontwikkeling.
Didactische leerervaringen
Hier is de ‘leraar’ dus verantwoordelijk voor de leerervaring. Een manier waarop ze dit doen, is
scaffolding, een proces waar de leraar de leerling ondersteund door het gedrag te bekijken en
feedback te geven. Didactische leerervaringen door leeftijdsgenoten kunnen ook gebeuren, wanneer
een kind bijvoorbeeld al meer weet over iets dan het andere kind, of een vaardigheid al kan.
Probleem 2 – ADHD en selectief mutisme
Leerdoelen:
1. Hoe ziet de normale cognitieve ontwikkeling in de midden kindertijd eruit?
Vergeleken met de vroege kindertijd, zijn er een aantal cognitieve verbeteringen te zien in de midden
kindertijd. Ze kunnen nu meer logisch, systematisch nadenken over meerdere informatiestukken,
door een vermindering in hun centratie. Ook hebben ze meer vermogen de onderliggende realiteit te
beseffen, ondanks oppervlakkige verschijning, en komen ze dus over het appearance-reality
probleem heen. Ze krijgen meer domein-specifieke kennis en expertise en krijgen meer controle over
aandacht en geheugen door een betere informatieverwerking. De metacognitie begint zich hier ook
steeds meer te ontwikkelen. Een aantal dingen die ze echter nog niet kunnen, zijn het denken over
abstract en hypothetische problemen. Ze hebben nog geen brede basis aan kennis zoals volwassenen
die hebben en ze hebben nog moeite met bepaalde vaardigheden die ze bezitten als deel van een
groter probleemoplossingssysteem.
2. Wat zijn de kenmerken van ADHD en selectief mutisme?
De primaire kenmerken van ADHD zijn hyperactiviteit-impulsiviteit en onoplettendheid, en deze
kunnen dan ook in drie subtypes verdeeld worden. Selectief mutisme is wanneer een kind in
bepaalde situaties, zoals op school, niet praat en thuis bijvoorbeeld wel, zonder dat er
taalstoornissen of spraakproblemen zijn.
3. Wat zijn de bestaande theorieën over ADHD?
Er zijn verschillende hersengebieden die gerelateerd kunnen zijn aan symptomen van ADHD, en ook
is er over het algemeen een kleiner hersenvolume bij ADHD. Ook kunnen er tekorten zijn in
executieve functies, die symptomen als respons inhibitie en onoplettendheid zouden kunnen
verklaren. Er is nog wel meer onderzoek nodig naar de specifieke oorzaken.
4. Welke behandelingen zijn er?
Er zijn verschillende mogelijke behandelingen bij ADHD, maar het is belangrijk te beginnen met
psycho-educatie en ouder- en leerkrachttraining om de omgeving te optimaliseren. Als deze niet
werken, kan verder gekeken worden. Een andere effectief bevonden behandeling is neurofeedback,
waar het kind leert zijn hersenactiviteit te controleren. Ook bestaan er trainingen die het
werkgeheugen kunnen verbeteren, wat kan helpen met onder andere onoplettendheid.
, De Hart (2004): cognitive development in middle childhood
Er zijn verschillende cognitieve veranderingen van de vroege naar de midden kindertijd. Zo laten
kinderen verbeteringen zien in:
- De capaciteit voor logisch, systematisch denken met meerdere informatiestukken, deels door
een vermindering in hun centratie.
- Het vermogen onderliggende realiteit te beseffen ondanks de oppervlakkige verschijning.
- Domein-specifieke kennis en expertise.
- Informatieverwerkingsvermogen en controle over aandacht en geheugen.
- Metacognitie: het vermogen effectief te denken over de eigen kennis en gedachteprocessen.
Ondanks deze verbeteringen, blijven er echter nog een aantal beperkingen:
- Ondanks verbeteringen in domein-specifieke kennis, missen ze nog de brede basis aan kennis
die volwassenen bezitten, wat hun redenering nog wat onvolwassen maakt.
- Soms hebben ze nog moeite met het gebruiken van een vaardigheid die ze bezitten als deel
van een groter probleemoplossingssysteem.
- Deze kinderen kunnen nog niet volwassen redeneren over abstracte en hypothetische
problemen, maar denken eerder concreet na over het hier en nu.
Grote cognitieve ontwikkelingen in de midden kindertijd
Conservatie
In de midden kindertijd wordt het begrip van conservatie aanzienlijk beter. Op een leeftijd van 10
laten de meeste kinderen al begrip zien van conservatie van fysieke kwantiteiten. Dit laat een breder
ontwikkelingspatroon zien, namelijk dat wanneer een vaardigheid net opkomt, het nog heel fragiel is,
maar door ervaring het steeds beter ontwikkelt. Nu vereist het minder cognitieve bronnen en kan het
in meer contexten toegepast worden.
Om conservatie te begrijpen, moeten kinderen het verschil kennen tussen contingent truth en
necessary truth. Contingent truth gaat over wat je observeert, terwijl een necessary truth gebaseerd
is op logische gedachtes naast wat je waarneemt, het infereren. Hierdoor komen ze over het
appearance-reality probleem heen. Begrip van necessary truth is echter nog beperkt tot vooral
concrete kenmerken, en meer abstracte concepten vinden ze nog lastig te begrijpen.
Om conservatieproblemen op te lossen moet ook een fundamentele shift plaatsvinden in de logische
redenering van kinderen. Informatieverwerkingstheorieën bieden een uitleg gebaseerd op
veranderingen in mentale procedures of regels die kinderen gebruiken om problemen op te lossen.
Op alle leeftijden worden verschillende regels gebruikt. Pas als kinderen de logical necessity volledig
begrijpen, kunnen ze conservatieproblemen goed oplossen.
Hiërarchische classificatie
Deze classificatie wordt gebruikt om kennis te organiseren. Hierbij maak je namelijk een soort
hiërarchie, waar bovenaan het algemene concept staat, en in elke rij daaronder het steeds
specifieker opgedeeld wordt. Hiermee kunnen kinderen nu steeds beter denken in subklassen, maar
het is nog niet volledig ontwikkelt. Ook hier zijn ze beter met concrete voorwerpen die ze zien dan
met abstracte, hypothetische vragen, en ook zijn ze beter met natuurlijke verzamelingen, zoals een
bos, dan abstracte klassen.
Matrix classificatie
Sommige data kan beter georganiseerd worden in een matrix systeem. Zo heb je bijvoorbeeld
schroeven die je op 2 manieren kan verdelen; lengte en breedte, wat een matrix vereist. Dit wordt
een multiplicatie van klassen genoemd; een dimensie (breedte) wordt vermeerderd door een
, andere (lengte). Eerder konden kinderen maar op 1 dimensie ordenen, en nu meer. Dit komt vooral
door het overkomen van centratie en het minder focussen op 1 kenmerk.
Aandacht
6-11 jarigen hebben verbeterd vermogen hun aandacht te reguleren. Ze beseffen dat het een
beperkte bron is, die ze met opzet op bepaalde taken kunnen focussen. Ze worden meer
systematisch, georganiseerd en selectief in het gebruiken van hun aandacht. Ze ontwikkelen betere
strategieën om hun aandacht te reguleren en ze weten wanneer ze deze kunnen toepassen. Ze
worden meer flexibel in het aanpassen van hun aandacht in verschillende situaties.
Geheugen
Ook voor geheugen leren ze meer strategieën om te helpen met iets onthouden. Verschillende
factoren spelen een rol in de geheugenontwikkeling:
1. Geheugencapaciteit: de hoeveelheid informatie die onthouden kan worden en de ruimte om
mentale processen uit te voeren tijdens opslag en retrieval. Het werkgeheugen sensorisch
geheugen en korte termijn geheugen nemen toe met de ontwikkeling door de toegenomen
snelheid en efficiëntie van informatieverwerking. Dit komt ook door neurale ontwikkelingen
waar de verbindingen flexibeler worden, wat processen automatiseert.
2. Kennis: de hoeveelheid kennis die in het LTG behouden kan worden neemt ook toe, wat
beïnvloed wat kinderen kunnen leren en onthouden. Ze kunnen betere inferenties maken
over nieuwe informatie en hierdoor beter informatie begrijpen en ophalen. Constructive
memory, het infereren uit tekst, verbeterd, en dit helpt bij het ophalen van informatie.
3. Mnemonic strategieën: dit zijn opzettelijke, goal-directed strategieën die het geheugen
helpen. Strategieën die veel gebruikt worden zijn rehearsal, organization en elaboration.
Rehearsal is het herhalen van informatie om het te onthouden, zoals een telefoonnummer.
Organisatie is het organiseren van informatie in betekenisvolle categorieën. Elaboratie is het
vormen van betekenisvolle verbindingen tussen items die onthouden moeten worden. Vanaf
7 jaar oud gaan kinderen deze steeds meer toepassen en vanaf 10 kunnen ze dit efficiënt. Er
zijn 3 soorten problemen in het gebruik hiervan bij kinderen:
- Mediatie: ze zijn nog niet in staat zo’n strategie te gebruiken, zelfs als een volwassene het
voorstelt.
- Productie: ze kunnen het niet spontaan gebruiken, maar wel als het wordt voorgesteld.
- Utilisatie: ze gebruiken een strategie spontaan, maar in de verkeerde situaties.
4. Metageheugen: dit is kennis over geheugen en geheugenprocessen. Denken over hoe je iets
kan onthouden en je krachten en zwaktes hierbij kennen, kan je helpen met het goed
onthouden van dingen. Kinderen die hier sterk in zijn, kunnen efficiënter hun informatie
onthouden en ophalen. Ze zijn zich bewust van effectieve strategieën en hebben deze eigen
gemaakt.
Sociale interactie en cognitieve ontwikkeling
In de vroege kindertijd wordt de cognitieve ontwikkeling vooral beïnvloed door interacties met
volwassenen en leeftijdsgenoten. Volwassen kunnen didactische leerervaringen bieden, waarin
iemand met meer kennis de oplossing van een probleem leert aan het kind. Leeftijdsgenoten kunnen
coöperatieve leerervaringen bieden, waar kinderen met dezelfde kennis en skills samen ideeën
delen en oplossingen ontdekken. Beide leerervaringen helpen met de cognitieve ontwikkeling.
Didactische leerervaringen
Hier is de ‘leraar’ dus verantwoordelijk voor de leerervaring. Een manier waarop ze dit doen, is
scaffolding, een proces waar de leraar de leerling ondersteund door het gedrag te bekijken en
feedback te geven. Didactische leerervaringen door leeftijdsgenoten kunnen ook gebeuren, wanneer
een kind bijvoorbeeld al meer weet over iets dan het andere kind, of een vaardigheid al kan.