Blok 1 – psychopathologie
Probleem 1 – autisme
Leerdoelen:
1. Hoe ziet de normale cognitieve ontwikkeling in de vroege kindertijd eruit?
Kortom krijgen kinderen steeds meer begrip van causale relaties, vooral bij simpele of
bekende systemen. Ze kunnen beter onderscheid maken tussen levende en levenloze
dingen. Ze krijgen kwalitatief begrip van kwantitatieve concepten en ze kunnen met kleine
hoeveelheden redeneren. Ze krijgen een beginnend begrip van classificatie en andere
logische relaties. Ze hebben een geleidelijke ontwikkeling in het vermogen onderscheid te
maken tussen realiteit en verschijning. Ze krijgen uitgebreide aandacht en
geheugenvaardigheden en er is toenemend begrip van perspectieven en gedachtes van
anderen.
2. Wat zijn de kenmerken van autisme?
Tekorten in sociale communicatie en interactie, zoals sociaal-emotionele reciprociteit, non-
verbale communicatie en sociale relaties. Restrictieve, herhaalde gedragingen, interesses en
activiteiten.
3. Wat zijn de belangrijkste theorieën over autisme?
Weak Central Coherence Empathizing Systemizing Executive Dysfunction
Verklaart non-sociale Verklaart non-sociale aspecten Verklaart non-sociale aspecten
aspecten
Niet echt sociale aspecten Verklaart ook sociale aspecten Vooral non-sociaal
Negatiever Positiever Negatiever
RRSBs doordat ze het fijner Focus op RRSBs, maar zeggen dat
vinden en het ze voldoening de executieve functie niet werkt
geeft. en ze het daardoor doen.
4. Welke behandelingen voor autisme zijn er en hoe effectief zijn ze?
Er is ABA, waar bepaalde vaardigheden aangepakt worden door te kijken naar de omgeving
en de invloed die dat heeft op het gedrag. Ook is een PEERS programma effectief gebleken
voor de sociale ontwikkeling. Verder zijn verschillende elementen effectief, zoals psycho-
educatie, integratie van ouders en leraren etc.
, De Hart (2004) Hoofdstuk 9: Cognitive development in early childhood
Het denken van jonge kinderen is kwantitatief anders dan dat van volwassenen door hun mindere
hoeveelheid informatie, maar het is ook kwalitatief anders, wat het zo interessant maakt. De mentale
representatie komt in de peutertijd op, wat ze in staat stelt na te denken over dingen die niet fysiek
aanwezig zijn. Zo kunnen ze nu consequenties van een actie bedenken zonder die actie uit te voeren
en kunnen ze symbolen combineren om complexe ideeën uit te drukken. Het begrip van de wereld
groeit. 4 thema’s spelen een grote rol in de ontwikkeling in de vroege kindertijd:
1. Kinderen zijn actieve deelnemers in hun eigen ontwikkeling. Ze ontdekken de wereld niet
alleen actief, maar gaan er ook begrip van vormen. Ze willen cognitieve uitdagingen onder de
knie krijgen.
2. Er is een samenwerking tussen ontwikkelende capaciteiten en de omgeving. De betere
cognitieve vaardigheden stellen ze in staat met de omgeving te interacteren en nieuwe
sociale interacties te ontdekken waar ze continu feedback op krijgen van anderen.
3. Specificiteit vs. generaliteit worden belangrijk. Kinderen krijgen steeds meer kennis van
concepten en vaardigheden in specifieke domeinen. Ook heeft cultuur een grote invloed op
de cognitieve ontwikkeling, die kennis en redeneringsprocessen vormt.
4. Cognitieve beperkingen bestaan echter nog steeds. Ze hebben moeite met:
- Centratie: het integreren van meerdere stukken informatie. Ze verwerken vaak 1 deel
van de informatie en vormen niet het geheel.
- Appearance-reality probleem: het onderscheid tussen verschijning en realiteit. Ze
hebben de neiging de realiteit te zien als de oppervlakkige verschijning, wanneer
bijvoorbeeld iets wits met blauwfilter wordt laten zien, denken ze dat het echt blauw is.
- Regulatie van aandacht en geheugen: het geheugen wordt bijvoorbeeld steeds beter,
maar ze hebben moeite met het toepassen van bepaalde strategieën.
Piaget dacht dat het denken van kinderen gekarakteriseerd werd door egocentrisme, het
onvermogen iemand anders perspectief aan te nemen. Tegenwoordig weten we dat het niet zo
simpel is. Ze hebben hier wel moeite mee, maar kunnen het vanaf 4 jaar al tot bepaalde hoogte en
dit blijft zich ontwikkelen met het ouder worden.
Redeneren over causatie
De periode van 2-7 jaar oud werd door Piaget gezien als pre-operationele periode, omdat hij
geloofde dat kinderen hier nog geen logische operaties voor redeneren gebruikten. De mate waarin
kinderen logische gevolgtrekkingen kunnen trekken, verschilt per onderwerp. Als ze ergens ervaring
mee hebben of het simpeler is, kunnen ze er bijvoorbeeld makkelijker over vertellen en causale
relaties leren. Rond 3 jaar oud leren ze dat drukken op een knop voor iets kan zorgen, en rond 5 jaar
weten ze ook waarom. Als ze niet weten waarom iets zo is, kunnen ze ter plekke een verklaring
bedenken. Bij een onderzoek hiernaar van Piaget werden 4 niveaus onderscheiden:
1. Een kind denkt dat wij bewegen en de wolken met ons meebewegen. Hier zien ze de realiteit
als de oppervlakkige verschijning. Dit zien ze gebeuren, dus dit zal zo werken.
2. Een kind doet aanspraak op een grotere kracht, zoals God, papa of mama.
3. Kinderen gebruiken natuuroorzaken, maar vaak nog onwaarschijnlijke, zoals dat zonnestralen
de wolken zouden duwen.
4. Een kind komt dicht bij een volwassen verklaring, ook al kan het nog incompleet zijn.
Redeneren over levende en levenloze dingen
Piaget stelde dat denken nu gekarakteriseerd wordt door animisme, de neiging leven toe te schrijven
aan levenloze dingen, zoals de zon die lacht. Kinderen hebben moeite met de lijn tussen levend en
levenloos. Onder levende dingen zien ze bijvoorbeeld wel vaak dieren, maar niet planten. Van 3-4
jaar oud realiseren ze dat levende dingen groeien en levenloze niet. Ze begrijpen echter nog niet alle
, implicaties van levend en levenloos. Zo weten ze dat een mier leeft, maar niet dat hij doodgaat in een
doosje zonder luchtgaten. Op 6-jarige leeftijd wordt dit onderscheid duidelijker en completer.
Redeneren over kwantiteit
Concepten van conservatie
Conservatie is het idee dat een hoeveelheid hetzelfde blijft, ondanks veranderingen in vorm of
uiterlijk. Voor preschoolers kan dit nog niet duidelijk zijn bij vloeistoffen, nummers, massa en lengte.
Kinderen gaan 3 fases door voor het leren begrijpen van conservatie:
1. 3-4 jaar oud: kinderen zijn nu non-conservers; ze beoordelen de hoeveelheid door de hoogte
of lengte, hoe hoger/langer, hoe meer.
2. 5-6 jaar oud: de transitieperiode. Er komt meer twijfel over hoogte en wijdte en ze gaan
inzien dat wanneer je water van het ene glas in het andere schenkt, de hoeveelheid gelijk is.
3. Mature conservation: kinderen kunnen deze vragen snel en correct beantwoorden door
compensatie, omkeerbaarheid, identiteit, en/of het niks toegevoegd/afgehaald criterium.
Meestal ontwikkelt als eerste het begrip van vloeistof. Hoe snel deze fase bereikt wordt, is
afhankelijk van fysieke volwassenheid en ervaringen met de wereld. Het simpel uitleggen zou
niet werken, maar je moet het ze door ervaring en zelf proberen laten leren.
Concepten van cijfers
Concept of number is het bewustzijn van hoeveel items aanwezig zijn en hoe toevoegen, weghalen
en verplaatsen dit beïnvloeden. Preschoolers bezitten dit steeds meer. Zo kunnen ze nu aangeven
welke van 2 rijen meer voorwerpen bevat. Als je echter de voorwerpen in 1 rij zou spreiden, en de rij
langer zou maken, denken ze nu dat deze meer bevat. Ze snappen dit sneller bij kleine hoeveelheden
dan grote.
Begrip van optellen en aftrekken
Verschillende studies laten zien dat kinderen bij kleine hoeveelheden best begrip hebben van
optellen en aftrekken. De jongste kinderen (2-3 jaar oud) negeren vaak het originele aantal en zeggen
dat de groep waar iets bij werd gedaan nu het meeste was, en hetzelfde met aftrekken. 4-5-jarigen
gebruikten een kwalitatieve regel, waar wel werd gekeken naar originele verschillen, maar niet het
precieze aantal. Ze onthouden het als die heeft meer of minder dan die, maar hierdoor maken ze wel
fouten als de verschillen te groot werden. 6-7-jarigen hebben een kwantitatieve regel, waar wordt
gekeken naar het werkelijke verschil in aantal tussen de originele groepen.
Leren tellen
Na de vroege kindertijd kunnen ze vaak wel 5-6 voorwerpen tellen. Er zijn 5 principes die kinderen
leren beheersen bij het leren tellen:
1. One-to-one principle: het idee dat elk voorwerp in een set 1 cijfer representeert.
2. Stable-order principle: het idee dat nummernamen in een bepaalde volgorde voorkomen als
ze gepaard worden met voorwerpen. 1, 2, 3 hebben ze al snel onder de knie, maar daarna
worden nog wel eens fouten gemaakt.
3. Cardinal principle: het idee dat het laatste woord in een cijferreeks het totale aantal
vertegenwoordigd. Dit leren ze vanaf zo’n 3.5 jaar oud.
4. Abstractie principe: het idee dat alle sets objecten te tellen zijn.
5. Order-irrelevant principle: het idee dat het niet uitmaakt op welke volgorde een set geteld
wordt. Zo tellen ze iets een tweede keer op een andere volgorde, als ze beseffen dat dit geen
invloed heeft op de hoeveelheid. Dit weten ze vaak bij 5-jarige leeftijd.
Concepten van meten
Jonge kinderen laten al vroeg begrip van meten zien, al voor ze begrip van conservatie hebben. Ze
maken nog fouten als 2 gelijke hoeveelheden anders gepresenteerd worden, zoals 2 lange touwen,
maar een ligt recht en een gekromd. Hier lijkt hun begrip ook vooral kwalitatief te zijn. Ze kunnen
Probleem 1 – autisme
Leerdoelen:
1. Hoe ziet de normale cognitieve ontwikkeling in de vroege kindertijd eruit?
Kortom krijgen kinderen steeds meer begrip van causale relaties, vooral bij simpele of
bekende systemen. Ze kunnen beter onderscheid maken tussen levende en levenloze
dingen. Ze krijgen kwalitatief begrip van kwantitatieve concepten en ze kunnen met kleine
hoeveelheden redeneren. Ze krijgen een beginnend begrip van classificatie en andere
logische relaties. Ze hebben een geleidelijke ontwikkeling in het vermogen onderscheid te
maken tussen realiteit en verschijning. Ze krijgen uitgebreide aandacht en
geheugenvaardigheden en er is toenemend begrip van perspectieven en gedachtes van
anderen.
2. Wat zijn de kenmerken van autisme?
Tekorten in sociale communicatie en interactie, zoals sociaal-emotionele reciprociteit, non-
verbale communicatie en sociale relaties. Restrictieve, herhaalde gedragingen, interesses en
activiteiten.
3. Wat zijn de belangrijkste theorieën over autisme?
Weak Central Coherence Empathizing Systemizing Executive Dysfunction
Verklaart non-sociale Verklaart non-sociale aspecten Verklaart non-sociale aspecten
aspecten
Niet echt sociale aspecten Verklaart ook sociale aspecten Vooral non-sociaal
Negatiever Positiever Negatiever
RRSBs doordat ze het fijner Focus op RRSBs, maar zeggen dat
vinden en het ze voldoening de executieve functie niet werkt
geeft. en ze het daardoor doen.
4. Welke behandelingen voor autisme zijn er en hoe effectief zijn ze?
Er is ABA, waar bepaalde vaardigheden aangepakt worden door te kijken naar de omgeving
en de invloed die dat heeft op het gedrag. Ook is een PEERS programma effectief gebleken
voor de sociale ontwikkeling. Verder zijn verschillende elementen effectief, zoals psycho-
educatie, integratie van ouders en leraren etc.
, De Hart (2004) Hoofdstuk 9: Cognitive development in early childhood
Het denken van jonge kinderen is kwantitatief anders dan dat van volwassenen door hun mindere
hoeveelheid informatie, maar het is ook kwalitatief anders, wat het zo interessant maakt. De mentale
representatie komt in de peutertijd op, wat ze in staat stelt na te denken over dingen die niet fysiek
aanwezig zijn. Zo kunnen ze nu consequenties van een actie bedenken zonder die actie uit te voeren
en kunnen ze symbolen combineren om complexe ideeën uit te drukken. Het begrip van de wereld
groeit. 4 thema’s spelen een grote rol in de ontwikkeling in de vroege kindertijd:
1. Kinderen zijn actieve deelnemers in hun eigen ontwikkeling. Ze ontdekken de wereld niet
alleen actief, maar gaan er ook begrip van vormen. Ze willen cognitieve uitdagingen onder de
knie krijgen.
2. Er is een samenwerking tussen ontwikkelende capaciteiten en de omgeving. De betere
cognitieve vaardigheden stellen ze in staat met de omgeving te interacteren en nieuwe
sociale interacties te ontdekken waar ze continu feedback op krijgen van anderen.
3. Specificiteit vs. generaliteit worden belangrijk. Kinderen krijgen steeds meer kennis van
concepten en vaardigheden in specifieke domeinen. Ook heeft cultuur een grote invloed op
de cognitieve ontwikkeling, die kennis en redeneringsprocessen vormt.
4. Cognitieve beperkingen bestaan echter nog steeds. Ze hebben moeite met:
- Centratie: het integreren van meerdere stukken informatie. Ze verwerken vaak 1 deel
van de informatie en vormen niet het geheel.
- Appearance-reality probleem: het onderscheid tussen verschijning en realiteit. Ze
hebben de neiging de realiteit te zien als de oppervlakkige verschijning, wanneer
bijvoorbeeld iets wits met blauwfilter wordt laten zien, denken ze dat het echt blauw is.
- Regulatie van aandacht en geheugen: het geheugen wordt bijvoorbeeld steeds beter,
maar ze hebben moeite met het toepassen van bepaalde strategieën.
Piaget dacht dat het denken van kinderen gekarakteriseerd werd door egocentrisme, het
onvermogen iemand anders perspectief aan te nemen. Tegenwoordig weten we dat het niet zo
simpel is. Ze hebben hier wel moeite mee, maar kunnen het vanaf 4 jaar al tot bepaalde hoogte en
dit blijft zich ontwikkelen met het ouder worden.
Redeneren over causatie
De periode van 2-7 jaar oud werd door Piaget gezien als pre-operationele periode, omdat hij
geloofde dat kinderen hier nog geen logische operaties voor redeneren gebruikten. De mate waarin
kinderen logische gevolgtrekkingen kunnen trekken, verschilt per onderwerp. Als ze ergens ervaring
mee hebben of het simpeler is, kunnen ze er bijvoorbeeld makkelijker over vertellen en causale
relaties leren. Rond 3 jaar oud leren ze dat drukken op een knop voor iets kan zorgen, en rond 5 jaar
weten ze ook waarom. Als ze niet weten waarom iets zo is, kunnen ze ter plekke een verklaring
bedenken. Bij een onderzoek hiernaar van Piaget werden 4 niveaus onderscheiden:
1. Een kind denkt dat wij bewegen en de wolken met ons meebewegen. Hier zien ze de realiteit
als de oppervlakkige verschijning. Dit zien ze gebeuren, dus dit zal zo werken.
2. Een kind doet aanspraak op een grotere kracht, zoals God, papa of mama.
3. Kinderen gebruiken natuuroorzaken, maar vaak nog onwaarschijnlijke, zoals dat zonnestralen
de wolken zouden duwen.
4. Een kind komt dicht bij een volwassen verklaring, ook al kan het nog incompleet zijn.
Redeneren over levende en levenloze dingen
Piaget stelde dat denken nu gekarakteriseerd wordt door animisme, de neiging leven toe te schrijven
aan levenloze dingen, zoals de zon die lacht. Kinderen hebben moeite met de lijn tussen levend en
levenloos. Onder levende dingen zien ze bijvoorbeeld wel vaak dieren, maar niet planten. Van 3-4
jaar oud realiseren ze dat levende dingen groeien en levenloze niet. Ze begrijpen echter nog niet alle
, implicaties van levend en levenloos. Zo weten ze dat een mier leeft, maar niet dat hij doodgaat in een
doosje zonder luchtgaten. Op 6-jarige leeftijd wordt dit onderscheid duidelijker en completer.
Redeneren over kwantiteit
Concepten van conservatie
Conservatie is het idee dat een hoeveelheid hetzelfde blijft, ondanks veranderingen in vorm of
uiterlijk. Voor preschoolers kan dit nog niet duidelijk zijn bij vloeistoffen, nummers, massa en lengte.
Kinderen gaan 3 fases door voor het leren begrijpen van conservatie:
1. 3-4 jaar oud: kinderen zijn nu non-conservers; ze beoordelen de hoeveelheid door de hoogte
of lengte, hoe hoger/langer, hoe meer.
2. 5-6 jaar oud: de transitieperiode. Er komt meer twijfel over hoogte en wijdte en ze gaan
inzien dat wanneer je water van het ene glas in het andere schenkt, de hoeveelheid gelijk is.
3. Mature conservation: kinderen kunnen deze vragen snel en correct beantwoorden door
compensatie, omkeerbaarheid, identiteit, en/of het niks toegevoegd/afgehaald criterium.
Meestal ontwikkelt als eerste het begrip van vloeistof. Hoe snel deze fase bereikt wordt, is
afhankelijk van fysieke volwassenheid en ervaringen met de wereld. Het simpel uitleggen zou
niet werken, maar je moet het ze door ervaring en zelf proberen laten leren.
Concepten van cijfers
Concept of number is het bewustzijn van hoeveel items aanwezig zijn en hoe toevoegen, weghalen
en verplaatsen dit beïnvloeden. Preschoolers bezitten dit steeds meer. Zo kunnen ze nu aangeven
welke van 2 rijen meer voorwerpen bevat. Als je echter de voorwerpen in 1 rij zou spreiden, en de rij
langer zou maken, denken ze nu dat deze meer bevat. Ze snappen dit sneller bij kleine hoeveelheden
dan grote.
Begrip van optellen en aftrekken
Verschillende studies laten zien dat kinderen bij kleine hoeveelheden best begrip hebben van
optellen en aftrekken. De jongste kinderen (2-3 jaar oud) negeren vaak het originele aantal en zeggen
dat de groep waar iets bij werd gedaan nu het meeste was, en hetzelfde met aftrekken. 4-5-jarigen
gebruikten een kwalitatieve regel, waar wel werd gekeken naar originele verschillen, maar niet het
precieze aantal. Ze onthouden het als die heeft meer of minder dan die, maar hierdoor maken ze wel
fouten als de verschillen te groot werden. 6-7-jarigen hebben een kwantitatieve regel, waar wordt
gekeken naar het werkelijke verschil in aantal tussen de originele groepen.
Leren tellen
Na de vroege kindertijd kunnen ze vaak wel 5-6 voorwerpen tellen. Er zijn 5 principes die kinderen
leren beheersen bij het leren tellen:
1. One-to-one principle: het idee dat elk voorwerp in een set 1 cijfer representeert.
2. Stable-order principle: het idee dat nummernamen in een bepaalde volgorde voorkomen als
ze gepaard worden met voorwerpen. 1, 2, 3 hebben ze al snel onder de knie, maar daarna
worden nog wel eens fouten gemaakt.
3. Cardinal principle: het idee dat het laatste woord in een cijferreeks het totale aantal
vertegenwoordigd. Dit leren ze vanaf zo’n 3.5 jaar oud.
4. Abstractie principe: het idee dat alle sets objecten te tellen zijn.
5. Order-irrelevant principle: het idee dat het niet uitmaakt op welke volgorde een set geteld
wordt. Zo tellen ze iets een tweede keer op een andere volgorde, als ze beseffen dat dit geen
invloed heeft op de hoeveelheid. Dit weten ze vaak bij 5-jarige leeftijd.
Concepten van meten
Jonge kinderen laten al vroeg begrip van meten zien, al voor ze begrip van conservatie hebben. Ze
maken nog fouten als 2 gelijke hoeveelheden anders gepresenteerd worden, zoals 2 lange touwen,
maar een ligt recht en een gekromd. Hier lijkt hun begrip ook vooral kwalitatief te zijn. Ze kunnen