Histologie
Hoofdstuk 3 De cel.
Paragraaf 1
1665 robert hooke – ontdekt cellen
1830 schleiden en schwann – de cel is bouwsteen van levende organismen en bestaat uit
klompje cytoplasma + een kern.
De cel is:
- Eenheid van bouw – omdat alle levende organismen opgebouwd zijn uit cellen
- Eenheid van functie – omdat er in de cel vele processen zich afspelen die er samen
voor zorgen dat de cel blijft leven
- Eenheid van groei – doordat cel zich deelt vermeerdert aantal cellen in organisme,
hierdoor kan het groeien
Protista – eencellige planten en dieren. Alle levensverrichtingen worden gedaan door 1 cel.
Deze cel is dan omnipotent/totipotent.
Veelcellige organismen – niet alle cellen zijn in staat alle levensverrichtingen uit te voeren.
Het gehele organisme is hier wel toe in staat. Er zijn weefsels en organen tot ontwikkeling
gekomen die zich hebben gespecialiseerd in bep. Functies. De vorm van deze
organen/weefsels/cellen is afgestemd op de te vervullen functie.
De vorm & functie is dus sterk gerelateerd aan biologie van levend organisme.
De bevruchte eicel is wel nog een omnipotente cel à er ontwikkelt zich een geheel
organisme in.
Paragraaf 2
De cel bestaat uit:
- De celmembraan – Ong. 7,5-10nm dik en alleen te zien met
elektronenmicroscoop. Het speelt een rol bij
voedselopname, wateropname en uitscheiding
- Het cytoplasma – eiwit bevattende waterige vloeistof met
daarin celorganellen, insluitsels, het cytoskelet en de kern.
- De nucleus – hierin liggen dragers v.d. erfelijke
eigenschappen. De kern regelt functioneren v.d. cel.
In het cytoplasma liggen de volgende celorganellen:
- Endoplasmatisch reticulum - platte, met elkaar verbonden zakjes. Buiten bevinden
zich veel ribosomen, hier vindt eiwitsynthese plaats. ER stuurt eiwitten naar golgi.
, - Golgi-apparaat – platte zakjes zonder ribosomen. Zorgt voor synthese van
polysachariden en glycoproteïnen. Het sorteert en pakt de celpr. In blaasjes die in de
cel blijven of later worden uitgescheiden.
- Lysosomen – ruimen afvalproducten op v.d. cel maar ook schadelijke bestanddelen.
Er zijn veel enzymen di zorgen voor afbraak van eiwitten, vetten & koolhydraten
- Mitochondriën – langwerpige zakjes met gladde buitenkant en geplooide
binnenkant. Zijn de krachtcentrales v.d. cel.
- Cytosol – vloeistof waarin alle organellen zich bevinden
De kern/nucleus bestaat uit:
- De kernmembraan – dubbel vlies aan buitenzijde welke alleen zichtbaar is met
elektronenmicroscoop. Bevat poriën.
- Het karyoplasma – waterige vloeistof met daarin nucleolus en chromatine
- De nucleoclus – bestaat uit nucleïnezuur (RNA) en eiwit
- Het chromatine – 3 dimensionaal vlechtwerk van draden waarin de genen als dragers
v.d. erfelijke eigenschappen liggen. Bestaan uit desoxyribonucleïnezuur (DNA). Je
hebt lichtere delen (euchromatine) en donkere delen (heterochromatine).
Euchromatine is het deel waarvan mRNA wordt afgelezen en heterochromatine is
inactief DNA.
De bovengenoemde delen komen in alle plantaardige & dierlijke cellen voor.
Paragraaf 3.
Celbiologie – hierin komen 3 wetenschapsgebieden samen. Histologie en cytologie, de
fysiologie en biochemie.
Cellen hebben voor de opbouw v.h. eigen cellichaam en uitvoeren van de celprocessen
voedsel nodig. Dit dient dan eerst verteerd te worden: de zeer grote eiwit-, koolhydraat- en
vetmoleculen moeten afgebroken worden tot kleine oplosbare moleculen die dan worden
opgenomen. Zij passeren de celmembraan.
Voedselmoleculen worden gebruikt voor:
- Energieproductie – suikers die verbrand worden (dissimilatie). Bij verbranding
ontstaan pr. Die de cel weer uitscheidt.
- Bouwstofproductie – synthese van eiwitten door biochemische processen.
Assimilatie.
- Vervaardiging van een celtypisch product – bijv. slijm door muceuze
speekselkliercellen of eiwitten door sereuze speekselkliercellen voor gebruik op
andere plek.
Hoofdstuk 4 de primaire weefsels
Paragraaf 1 inleiding
De 3 fasen van embryonale ontwikkeling:
1. Klieving van bevruchte eicel - door opeenvolgende delingen ontstaat het morula- of
moerbeistadium. Hierin ontstaat een holte en dit stadium wordt de blastula
genoemd. Deze bestaat uit 1 laag cellen.
, 2. Kiembladvorming - Door een ingewikkeld proces van instulpen en uitgroeien zal het
eenlagige embryo, de blastula, veranderen in een drielagig embryo, de gastrula. De
drie ontstane lagen worden de kiembladen genoemd. Het buitenste kiemblad het
ectoderm, het middelste het mesoderm en het binnenste het entoderm.
3. Differentiatie
a. Ectoderm – zenuwstelsel en zintuigen, epidermis v.d. huid met de derivaten
b. Mesoderm – bindweefsel, kraakbeen, been, cement, dentine, spieren, bloed
en bloedvaten, nieren en geslachtsorganen
c. Entoderm - Maag/darm stelsel, speekselklieren, lever, pancreas en longen
Wanneer alle organen in aanleg aanw. Zijn spreekt men
van een foetus i.p.v. een embryo (na 80 dgn).
Uit de kiembladen ontstaan de primaire weefsels die
steeds in uitgegroeide organen worden aangetroffen:
1. Zenuwweefsel – ectoderm
2. Epitheel – ecto, meso of entoderm
3. Bind/steunweefsel – mesoderm
4. Spierweefsel – mesoderm
5. Bloedweefsel – mesoderm
In de organen kunnen we verschillende primaire weefsels
aantreffen. Het kan zijn dat ze bestaan uit weefsels van
verschillende. Kiembladen.
VB: De huid, de gingiva, het mondslijmvlies zijn terug te voeren tot ectoderm en mesoderm.
De tanden en kiezen zijn voor het grootste deel mesodermaal van oorsprong, terwijl een
klein deel (het glazuur) ontstaat uit het ectoderm.
De E.O. van organen is zeer gecompliceerd. De indeling in de weefsels is belangrijk omdat
deze weefsels in morfologisch opzicht duidelijk verschillen, maar ook omdat cellen in het
volwassen organisme van het ene primaire weefsel niet kunnen transformeren tot cellen van
een ander primair weefsel.
Transformatie van cellen kan wel gebeuren binnen elk primair weefsel: een epitheelcel kan
van vorm veranderen, een bindweefselcel kan een ander functie
Paragraaf 2 epitheel
Epitheelweefsel – weefsel dat bestaat uit cellen die dicht tegen elkaar aanliggen en dat
uitwendige en inwendige opp. Van het lichaam bedekt.
Tot epitheel behoren:
- Huid
- Gingiva
- Nieren + de afvoergangen
- Slijmvliezen
- Darmepitheel
, - Binnenbekleding hart & bloedvaten
- Longen en luchtwegen
- Buikholte
Dingen die bestaan uit epitheel en worden tot epitheel gerekend:
- Alle klieren
- Nagels en de haren
- Belangrijke delen v.d. zintuigen
Functies van epitheel zijn:
- Bescherming – stevigheid
- Vormen van secreten – vb. speeksel/slijm
- Excretie – uitscheiding van afvalstoffen
- Absorptie – opname van stoffen van buitenaf
- Transport - d.m.v. trilharen.
2 basistypen van epitheelweefsels:
- Eenlagig epitheel – alle cellen staan op basaalmembraan
- Meerlagig epitheel – slechts de cellen v.d. onderste laag staan op basaalmembraan.
Basaalmembraan - ligt onder alle epithelia. Vormt de scheidingslaag tss. Epitheel en
bindweefsel. Celloze laag van o.a. glycoproteïnen & vezels.
Lumen – holte die een epitheel bekleedt.
Eenlagige epithelen kan je onderscheiden in:
- Eenlagig plaveisel epitheel – binnenbekleding van bloedvaten
- Eenlagig kubisch epitheel – o.a. in speekselklieren en thyroid. Wand van vele
afvoergangen bestaan hieruit
- Eenlagig cilinder epitheel – binnenbekleding v.d. darmen en in eileider, neussinus en
kleine bronchiën.
- Meerrijig epitheel – alle cellen staan op basaalmembraan maar niet allen bereiken de
opp. O.a. in luchtpijp. Celkernen liggen op verschillende hoogtes.
Cilia – trilharen. Lange haarvormige, beweeglijke uitsteeksels. Zorgen voor opwekken van
stroming en brengen vuil deeltjes naar buiten.
Borstelzoom – groot aantal vingervormige uitstulpingen op celopp. Ook microvilli genoemd.
Komt voor bij darmepitheel en zorgt voor opp. Vergroting.
Meerlagig epitheel kan onderscheiden worden in:
- Meerlagig onverhoornend epitheel – laag met platte intact cellen. Te vinden in
mondholte, de gingiva, slokdarm en vagina.
- Meerlagig parakeratotisch verhoornend epitheel – onvolledige verhoorning
waardoor in meest opp. Gelegen cellen nog kern resten zijn. Alleen aanw. Op gingiva.
- Meerlaging orthokeratotisch verhoornend epitheel – volledige verhoorning v.d.
bovenste cellagen. Geen kern/organellen aanw. Bij gingiva en epidermis.
Hoofdstuk 3 De cel.
Paragraaf 1
1665 robert hooke – ontdekt cellen
1830 schleiden en schwann – de cel is bouwsteen van levende organismen en bestaat uit
klompje cytoplasma + een kern.
De cel is:
- Eenheid van bouw – omdat alle levende organismen opgebouwd zijn uit cellen
- Eenheid van functie – omdat er in de cel vele processen zich afspelen die er samen
voor zorgen dat de cel blijft leven
- Eenheid van groei – doordat cel zich deelt vermeerdert aantal cellen in organisme,
hierdoor kan het groeien
Protista – eencellige planten en dieren. Alle levensverrichtingen worden gedaan door 1 cel.
Deze cel is dan omnipotent/totipotent.
Veelcellige organismen – niet alle cellen zijn in staat alle levensverrichtingen uit te voeren.
Het gehele organisme is hier wel toe in staat. Er zijn weefsels en organen tot ontwikkeling
gekomen die zich hebben gespecialiseerd in bep. Functies. De vorm van deze
organen/weefsels/cellen is afgestemd op de te vervullen functie.
De vorm & functie is dus sterk gerelateerd aan biologie van levend organisme.
De bevruchte eicel is wel nog een omnipotente cel à er ontwikkelt zich een geheel
organisme in.
Paragraaf 2
De cel bestaat uit:
- De celmembraan – Ong. 7,5-10nm dik en alleen te zien met
elektronenmicroscoop. Het speelt een rol bij
voedselopname, wateropname en uitscheiding
- Het cytoplasma – eiwit bevattende waterige vloeistof met
daarin celorganellen, insluitsels, het cytoskelet en de kern.
- De nucleus – hierin liggen dragers v.d. erfelijke
eigenschappen. De kern regelt functioneren v.d. cel.
In het cytoplasma liggen de volgende celorganellen:
- Endoplasmatisch reticulum - platte, met elkaar verbonden zakjes. Buiten bevinden
zich veel ribosomen, hier vindt eiwitsynthese plaats. ER stuurt eiwitten naar golgi.
, - Golgi-apparaat – platte zakjes zonder ribosomen. Zorgt voor synthese van
polysachariden en glycoproteïnen. Het sorteert en pakt de celpr. In blaasjes die in de
cel blijven of later worden uitgescheiden.
- Lysosomen – ruimen afvalproducten op v.d. cel maar ook schadelijke bestanddelen.
Er zijn veel enzymen di zorgen voor afbraak van eiwitten, vetten & koolhydraten
- Mitochondriën – langwerpige zakjes met gladde buitenkant en geplooide
binnenkant. Zijn de krachtcentrales v.d. cel.
- Cytosol – vloeistof waarin alle organellen zich bevinden
De kern/nucleus bestaat uit:
- De kernmembraan – dubbel vlies aan buitenzijde welke alleen zichtbaar is met
elektronenmicroscoop. Bevat poriën.
- Het karyoplasma – waterige vloeistof met daarin nucleolus en chromatine
- De nucleoclus – bestaat uit nucleïnezuur (RNA) en eiwit
- Het chromatine – 3 dimensionaal vlechtwerk van draden waarin de genen als dragers
v.d. erfelijke eigenschappen liggen. Bestaan uit desoxyribonucleïnezuur (DNA). Je
hebt lichtere delen (euchromatine) en donkere delen (heterochromatine).
Euchromatine is het deel waarvan mRNA wordt afgelezen en heterochromatine is
inactief DNA.
De bovengenoemde delen komen in alle plantaardige & dierlijke cellen voor.
Paragraaf 3.
Celbiologie – hierin komen 3 wetenschapsgebieden samen. Histologie en cytologie, de
fysiologie en biochemie.
Cellen hebben voor de opbouw v.h. eigen cellichaam en uitvoeren van de celprocessen
voedsel nodig. Dit dient dan eerst verteerd te worden: de zeer grote eiwit-, koolhydraat- en
vetmoleculen moeten afgebroken worden tot kleine oplosbare moleculen die dan worden
opgenomen. Zij passeren de celmembraan.
Voedselmoleculen worden gebruikt voor:
- Energieproductie – suikers die verbrand worden (dissimilatie). Bij verbranding
ontstaan pr. Die de cel weer uitscheidt.
- Bouwstofproductie – synthese van eiwitten door biochemische processen.
Assimilatie.
- Vervaardiging van een celtypisch product – bijv. slijm door muceuze
speekselkliercellen of eiwitten door sereuze speekselkliercellen voor gebruik op
andere plek.
Hoofdstuk 4 de primaire weefsels
Paragraaf 1 inleiding
De 3 fasen van embryonale ontwikkeling:
1. Klieving van bevruchte eicel - door opeenvolgende delingen ontstaat het morula- of
moerbeistadium. Hierin ontstaat een holte en dit stadium wordt de blastula
genoemd. Deze bestaat uit 1 laag cellen.
, 2. Kiembladvorming - Door een ingewikkeld proces van instulpen en uitgroeien zal het
eenlagige embryo, de blastula, veranderen in een drielagig embryo, de gastrula. De
drie ontstane lagen worden de kiembladen genoemd. Het buitenste kiemblad het
ectoderm, het middelste het mesoderm en het binnenste het entoderm.
3. Differentiatie
a. Ectoderm – zenuwstelsel en zintuigen, epidermis v.d. huid met de derivaten
b. Mesoderm – bindweefsel, kraakbeen, been, cement, dentine, spieren, bloed
en bloedvaten, nieren en geslachtsorganen
c. Entoderm - Maag/darm stelsel, speekselklieren, lever, pancreas en longen
Wanneer alle organen in aanleg aanw. Zijn spreekt men
van een foetus i.p.v. een embryo (na 80 dgn).
Uit de kiembladen ontstaan de primaire weefsels die
steeds in uitgegroeide organen worden aangetroffen:
1. Zenuwweefsel – ectoderm
2. Epitheel – ecto, meso of entoderm
3. Bind/steunweefsel – mesoderm
4. Spierweefsel – mesoderm
5. Bloedweefsel – mesoderm
In de organen kunnen we verschillende primaire weefsels
aantreffen. Het kan zijn dat ze bestaan uit weefsels van
verschillende. Kiembladen.
VB: De huid, de gingiva, het mondslijmvlies zijn terug te voeren tot ectoderm en mesoderm.
De tanden en kiezen zijn voor het grootste deel mesodermaal van oorsprong, terwijl een
klein deel (het glazuur) ontstaat uit het ectoderm.
De E.O. van organen is zeer gecompliceerd. De indeling in de weefsels is belangrijk omdat
deze weefsels in morfologisch opzicht duidelijk verschillen, maar ook omdat cellen in het
volwassen organisme van het ene primaire weefsel niet kunnen transformeren tot cellen van
een ander primair weefsel.
Transformatie van cellen kan wel gebeuren binnen elk primair weefsel: een epitheelcel kan
van vorm veranderen, een bindweefselcel kan een ander functie
Paragraaf 2 epitheel
Epitheelweefsel – weefsel dat bestaat uit cellen die dicht tegen elkaar aanliggen en dat
uitwendige en inwendige opp. Van het lichaam bedekt.
Tot epitheel behoren:
- Huid
- Gingiva
- Nieren + de afvoergangen
- Slijmvliezen
- Darmepitheel
, - Binnenbekleding hart & bloedvaten
- Longen en luchtwegen
- Buikholte
Dingen die bestaan uit epitheel en worden tot epitheel gerekend:
- Alle klieren
- Nagels en de haren
- Belangrijke delen v.d. zintuigen
Functies van epitheel zijn:
- Bescherming – stevigheid
- Vormen van secreten – vb. speeksel/slijm
- Excretie – uitscheiding van afvalstoffen
- Absorptie – opname van stoffen van buitenaf
- Transport - d.m.v. trilharen.
2 basistypen van epitheelweefsels:
- Eenlagig epitheel – alle cellen staan op basaalmembraan
- Meerlagig epitheel – slechts de cellen v.d. onderste laag staan op basaalmembraan.
Basaalmembraan - ligt onder alle epithelia. Vormt de scheidingslaag tss. Epitheel en
bindweefsel. Celloze laag van o.a. glycoproteïnen & vezels.
Lumen – holte die een epitheel bekleedt.
Eenlagige epithelen kan je onderscheiden in:
- Eenlagig plaveisel epitheel – binnenbekleding van bloedvaten
- Eenlagig kubisch epitheel – o.a. in speekselklieren en thyroid. Wand van vele
afvoergangen bestaan hieruit
- Eenlagig cilinder epitheel – binnenbekleding v.d. darmen en in eileider, neussinus en
kleine bronchiën.
- Meerrijig epitheel – alle cellen staan op basaalmembraan maar niet allen bereiken de
opp. O.a. in luchtpijp. Celkernen liggen op verschillende hoogtes.
Cilia – trilharen. Lange haarvormige, beweeglijke uitsteeksels. Zorgen voor opwekken van
stroming en brengen vuil deeltjes naar buiten.
Borstelzoom – groot aantal vingervormige uitstulpingen op celopp. Ook microvilli genoemd.
Komt voor bij darmepitheel en zorgt voor opp. Vergroting.
Meerlagig epitheel kan onderscheiden worden in:
- Meerlagig onverhoornend epitheel – laag met platte intact cellen. Te vinden in
mondholte, de gingiva, slokdarm en vagina.
- Meerlagig parakeratotisch verhoornend epitheel – onvolledige verhoorning
waardoor in meest opp. Gelegen cellen nog kern resten zijn. Alleen aanw. Op gingiva.
- Meerlaging orthokeratotisch verhoornend epitheel – volledige verhoorning v.d.
bovenste cellagen. Geen kern/organellen aanw. Bij gingiva en epidermis.