Begrijpen van mechanismen achter leren. Hoe kunnen we het leren
beter maken?
Leren gebeurt ook in de opvoedsituaties en gebeurt ook door
volwassenen (bijv. door veranderingen binnen organiseren).
Is het effectief wat we leren?
Toolbox voor pedagogen en onderwijswetenschappers
Toolbox kun je aanpassen en wat je leert in school- en gezinscontexten kun
je overal voor gebruiken.
Wat is leren?
Verschillende opvattingen over de uitkomsten van leren.
Er is geen hoofddefinitie van leren.
Hoewel mensen van mening verschillen kunnen we veronderstellen
dat: leren ontstaat wanneer een bepaalde ervaring een relatief
permanente verandering teweegbrengt in iemands gedrag.
De veranderingen kunnen overal plaatsvinden
o Formeel = klaslokaal. Structuur, expliciete doelen, toetsing,
scholingsinstituten, uitkomst; diploma
o Informeel = bij koffiezetapparaat of tijdens series kijken.
Natuurlijke vorm van leren, minder structuur: de ouder heeft
geen plan om je te leren hoe je een fietsband plakt, geen
doelen, geen toets, zelfgestuurd. Het hele leerproces gaat op
eigen initiatief.
o Non-formeel = minder structuur, maar wel soort van structuur
(want e-learning heeft wel een soort van structuut), minder
doelen, wel feedback, maar geen toets. Soms kun je een
certificaat halen van deelname, maar geen diploma. Coaching
en workshops.
3 criteria van leren
, 1. Verandering: leren leidt tot een verandering in gedrag of vermogen,
hoewel het wordt afgeleid uit acties, woorden of schrijven. Sommige
vormen van leren vinden plaats zonder onmiddellijke demonstratie.
2. Uithoudingsvermogen (permanente verandering): leren moet in de
loop van de tijd aanhouden, met uitzondering van tijdelijke
veranderingen veroorzaakt door medicijnen, vermoeidheid of andere
kortetermijnfactoren, hoewel vergeten kan voorkomen.
3. Op ervaring gebaseerd: leren is het resultaat van oefening en
observatie, niet alleen van rijping. Hoewel genetica de ontwikkeling
beïnvloedt (bijv. taalverwerving), speelt interactie met de omgeving
een cruciale rol bij het vormgeven van aangeleerd gedrag.
Leren gaat over verandering in gedrag (1e criterium)
Leren = verandering in gedrag → opgedane ervaringen etc.
Dat wat je al eerder hebt geleerd kan je op een andere context
inzetten (transfer)
Leren wordt beoordeeld op wat mensen zeggen en doen
De kennis en vaardigheden ontstaan in een complex samenspel
tussen de persoon en de omgeving (waar het leren gebeurt)
Het is een spel van kennis geven en nemen
Affectie speelt een belangrijke rol
Een stabiele verandering van gedrag is het eerste criterium van
leren
Leren gaat over gedragsveranderingen over tijd (2e criterium)
Leren blijft mogelijk niet voor altijd bestaan omdat we ook wel eens
wat vergeten en dan speelt de omgeving een belangrijke rol als
stimulans (wat weet je erover?)
Kortdurende veranderingen ondersteunt niet leren
Leren verandert over de langere tijd
Leren gaat over ervaring (3e criterium)
Door rijping en erving (natuurlijke groei) en dit sluiten we uit bij de
definitie van leren omdat het vanzelf gaat
Hangt af van de omgeving, bijv. taal. Je kan taal produceren, maar
de ontwikkeling van taal is afhankelijk van de interactie met de
omgeving
Kinderen die niet uitgedaagd worden om niets te leren, dan ontstaat
het ook niet
De omgeving moet dus responsief zijn voor de omgeving van het
kind
Leren gaat dus over een ervaring op doen
2 hoofdvisies leertheorieën
Rationalisme (Plato, Descartes, Kant) beweert dat kennis voortkomt
uit rede en aangeboren ideeën in plaats van zintuiglijke ervaring.
Plato geloofde dat ware kennis in de geest bestaat en wordt
herinnerd door reflectie. Descartes benadrukte rede en twijfel, en
zei: "Ik denk, dus ik ben." Kant verfijnde het rationalisme door te
stellen dat de geest orde oplegt aan zintuiglijke informatie.
, Empirisme (Aristoteles, Locke, Hume, Mill) beweert dat kennis
voortkomt uit ervaring. Aristoteles benadrukte leren door zintuiglijke
indrukken en associaties. Locke stelde voor dat de geest begint als
een "blanco blad" (tabula rasa) en kennis verwerft door ervaring.
Latere empiristen zoals Hume en Mill onderzochten verder hoe
ideeën zich associëren en combineren in het leren.
2 vroege scholen van psychologie
Er zijn twee vroege scholen van psychologie:
Structuralisme (Titchener), dat de structuur van het bewustzijn
probeerde te analyseren door middel van introspectie, maar werd
bekritiseerd omdat het onbetrouwbaar was.
Functionalisme (James, Dewey), dat zich richtte op hoe mentale
processen individuen helpen zich aan te passen aan hun omgeving,
wat van invloed was op de onderwijspsychologie en later het
behaviorisme.
De rol van onderwijs in leren
Met als doel een permanente gedragsverandering bij de leerlingen
te vormen
o Uitwendige verandering = observeerbaar (toetsresultaat) →
kan verborgen blijven totdat er een appel kan worden gedaan
o Inwendige verandering = interne processen (om een taal te
kunnen spreken)
Niet-leren en afleren
Niet-leren: ‘An active, often ingenious, willful rejection of even the
most compassionate and well-designed teaching’ (Kohl, 1991).
o Vraagt om enorme wilskracht
o Bijv. weigeren om op te letten, doen alsof je iets niet snapt,
Het door elkaar halen van gedachten, het onderdrukken van
nieuwsgierigheid
Afleren: Het loslaten van iets wat je hebt geleerd (bijv. slechte
gewoonten, onjuiste of genuanceerde informatie) uit je geheugen.
o Voelt vaak heel oncomfortabel
Niet al het onderwijs leidt tot iets leren
Niet-leren = de persoon gaat zich afsluiten en eraan mee te werken.
Hij/zij gaat zich “dom” gedragen (‘ik weet het niet’ en een laxe
houding hebben). Vereist wilskracht. Afwijzing van iets willen leren,
, want eigenlijk zijn kinderen van nature nieuwsgierig. Je wil iets niet
leren door angst → er zit een gevoel bij.
Afleren = loslaten van dingen die slecht voor je zijn. Kennis of
vaardigheden moeten worden aangepast en dat voelt
ongemakkelijk. Dat heeft tijd nodig.
Wanneer vindt (niet-/af-) leren plaats?
Afstemming tussen ontwikkelingsbehoefte tijdens een bepaalde periode
(kritieke) en wat de omgeving te bieden heeft. En dat gaat soms fout
(zoals meisje dat werd verwaarloosd, die ontwikkelt geen taal).
Hoe vindt het leren plaats?
Leren ontstaat wanneer een bepaalde ervaring een verandering
teweegbrengt:
o Sociaal-affectief
o Cognitief
o Gedrag
o Psychomotorisch
Dat zijn leeruitkomsten en dat willen we veranderen
En dat doen we expliciet = iets leren over een onderwerp van een
docent
Impliciet = iets ergens horen
Informeel = een zomerkamp waar je dingen leert
Formeel = bedachte setting zoals school
Intentioneel = iedere dag wordt er geleerd
Incidenteel = er zit geen regelmaat in wat je leert
Hoe we instructie geven om de omgeving te ontwerpen:
Behaviorisme = pavlov ’s hond (conditioneren). Gedrag aanleren
Cognitivisme = verandering in cognitie
Constructivisme = construeren van kennis
Dit speelt allemaal een rol in het ontwerpen van onderwijs
(onderwijspraktijk) → hoe ontwerpen we onderwijs?
Theorie biedt diepgaande beschrijving hoe kinderen en mensen denken en
leren. Geeft definitie hoe leren plaatsvindt → grondslagen van leren
Bruggen bouwen
Twee soorten kennis en vaardigheden
1. Je moet je kunnen inleven in je leerkracht (perspectief). Je moet je in
diegene kunnen verplaatsen. Als arts kan je bijv. niet iets
voorschrijven zonder te weten waar de pijn is (je neemt dan een
anamnese af). Als onderwijskundige maak je dus een analyse van
het leerprobleem en je gaat ook degene die moet leren analyseren.
Wie is het en wat zijn hun kenmerken? Wat past bij diegene?
2. Theoretisch-inhoudelijke kennis als basis voor evidence-informed
practice.
Selectie
Integreren = verschillende elementen vanuit verschillende
perspectieven gebruiken voor je advies om hem goed te
onderbouwen.