Hoorcollege erfrecht
College 1: Inleiding en algemene bepalingen
Wat is erfrecht?
Het gaat om de vermogensrechtelijke aspecten bij het overlijden van een natuurrechtelijk persoon.
Ieder natuurlijk persoon komt te overlijden, dus er moet een kader zijn die de erfopvolging regelt.
Eigen vermogen is dus essentieel voor het erfrecht. Erfopvolging kan op twee manieren geschieden;
de wet (van rechtswege) of een uiterste wilsbeschikking. Er gaat een geheel van rechten en plichten
over. Niet alle rechten en plichten gaan over; bijv. hoogstpersoonlijke rechten. erfrecht is echter
meer dan alleen vermogensrechtelijk. Het belang van het erfrecht komt naar voren in een goed
rechtsverkeer. Het erfrecht is gebaseerd op de veronderstelde wil van de doorsnee man. Het erfrecht
kent ook zijn belang in het voorkomen van versnippering van onderneming; het economische belang.
het erfrecht kent enkele uitgangspunten;
- Bloedverwantschap; het erfrecht gaat uit van de wil dat de erflater zijn nalatenschap nalaat
aan bloedverwanten, of in ieder geval familie. Bloedverwantschap is gebaseerd op de
familierechtelijke betrekking.
- Testeervrijheid; een natuurlijk persoon heeft zijn vrije beschikking over zijn goederen, ook na
overlijden. Hij mag zelf beslissen wat er gebeurt met zijn goederen binnen het kader van de
wet. De testeervrijheid geeft de erflater de mogelijkheid zijn beschikkingsmacht over zijn
vermogen ook na overlijden te behouden. Het BW verwijst niet naar de testeervrijheid, maar
kan worden afgeleid uit art. 4:1 BW.
- Verzorgingsgedachte; bepaalde personen worden op grond van de wet beschermd. Dit
beperkt de testeervrijheid van de erflater. Dit zie je terug in de wilsrechten.
Korte geschiedenis
Het erfrecht staat in boek 4 BW sinds 1992. Daarvoor was het erfrecht geregeld in boek 3, als
onderdeel van het goederenrecht. Het gaat om de overgang van goederen. Echter is de scheiding van
erfrecht belangrijk, het gaat namelijk maar om één situatie en het betreft een overgang van een
geheel van rechten en plichten (in plaats van een specifiek goed).
Overgangsrecht
Door de overgang van oud naar nieuw BW is het niet altijd duidelijk onder welk recht bijvoorbeeld
een testament valt. Dit regelt het overgangsrecht. Het gaat om de werking van nieuw recht op al
bestaande rechtsverhoudingen. Complicerende factor; een uiterste wilsbeschikking gaat pas werken
na het overlijden van de erflater. Er kan niet gevraagd worden naar bedoelingen. De overgangswet
kent een gelaagde structuur; titel 4 gaat over algemene zaken, titel 5 is specificerend. Hoofdregel is
de onmiddellijke werking van de nieuwe regels. Het nieuwe recht geldt ook voor de reeds bestaande
testamenten. De wetgever wijkt hier wel eens vanaf, om zo de wil van de erflater zo veel mogelijk te
eerbiedigen. Het oude recht blijft dus heel lang relevant. Art. 69 Ow is een voorbeeld van zo een
uitzondering, inhoudende dat iemand een vermogensrecht niet kan verliezen door het nieuwe recht,
een schuld op een ander overgaat of een goed onterecht wordt belast.
Bloed- en aanverwantschap
Het verschil tussen bloed- en aanverwantschap is belangrijk. De verhouding tussen familieleden is
essentieel in het erfrecht. Bloedverwantschap omvat de betrekking tussen personen van wie de een
van de ander afstamt; rechte lijn. Of de betrekking tussen personen met een gemeenschappelijk
stamvader; zijlijn. De relatie tussen de personen is gebaseerd op de afstamming van bepaalde
,ouders. Bloedverwantschap wordt gemeten in graden; art. 1:3 lid 2 BW. Aan de hand van
bloedverwantschap kan aanverwantschap worden vastgesteld.
Algemene bepalingen (titel 4.1 BW)
- Erfopvolging (art. 4:1 BW)
Erfopvolging vindt plaats bij versterf (wettelijke erfrecht) of uiterste wilsbeschikking
(testamentaire erfrecht). Het wettelijke versterferfrecht is te vinden in titel 2 van boek 4. Dit
geldt alleen als hier niet van is afgeweken door middel van een uiterste wilsbeschikking; de titel
bevat regelend recht. Testamentair erfrecht geeft regels waarop kan worden afgeweken;
erfstelling (uitbreiding van de erfgenamen) of onterving (beperking van de erfgenamen). Een
onterving is direct of indirect. Erfopvolging leidt tot verkrijging onder algemene titel; art. 3:80 lid
2 BW. Van rechtswege wordt een geheel van rechten en plichten verkregen, of een evenredig
deel hiervan. Zowel positieve als negatieve vermogensbestanddelen gaan over. De nalatenschap
wordt als geheel gezien. De erfgenamen zetten de persoon van de overledene voort. de
erfopvolging heeft goederenrechtelijk effect; er is geen levering vereist. Op het moment van
overlijden ontstaat er een bijzondere gemeenschap tussen de erfgenamen; art. 3:189 e.v. De
regels omtrent erfopvolging zien alleen op erfgenamen en niet op legatarissen; zij zijn
schuldeisers van de nalatenschap. Zij zijn geen erfgenaam. Wanneer er in een andere wet wordt
gesproken over ‘verkrijging krachtens erfrecht’ houdt dit zowel krachtens versterf als uiterste
wilsbeschikking in. Legaten, erfstellingen en lasten vallen hier ook onder. Alles wat wordt
verkregen na overlijden wordt onder verkrijging krachtens erfrecht verstaan. Indien iemand door
middel van een testament erfgenaam wordt, terwijl hij al wettelijk erfgenaam was maakt hem
testamentair erfgenaam. Zijn positie is niet anders, maar dit maakt wel uit voor de
toepasselijkheid van bepaalde bepalingen. Plaatsvervulling vindt bijvoorbeeld alleen plaats bij
versterf.
Vereisten voor erfopvolging
o De erflater moet zijn overlijden. Indien het overlijden niet zeker is, moet er worden
gekeken naar art. 1:412 jo. 1:426 BW.
o Daarnaast moet er sprake zijn van een erfgenaam krachtens de wet of uiterste
wilsbeschikking.
o Tot slot moet de erfgenaam bestaan op het moment dat de nalatenschap openvalt;
art. 4:9 jo. 4:56 BW. Een ongeboren kind wordt aangemerkt als reeds geboren voor
zover dit zijn belang dit vordert. Mocht het kind vervolgens doodgeboren worden,
wordt het kind geacht nooit te hebben bestaan. Een ongeboren kind voldoet aan de
bestaanseis, mits het levend ter wereld komt. Na het overlijden van de erflater kan
er nog een nieuwe erfgenaam opkomen, bijvoorbeeld door gerechtelijke vaststelling
van het vaderschap. Dit heeft terugwerkende kracht. Notaris Postma-arrest (nr.
147): de nalatenschap was al verdeeld, maar jaren later bleek iemand naders ook
een afstammeling. De nalatenschap zou dan opnieuw moeten worden verdeeld. Art.
1:207 BW de door derde te goeder trouw verkregen rechten kunnen niet worden
geschaad door de terugwerkende kracht van de gerechtelijke vaststelling. HR: de
erfgenamen moeten in deze situatie niet als derden worden gezien. De nalatenschap
zou dus opnieuw moeten worden verdeeld.
- Volgorde van overlijden (art. 4:2 BW)
De volgorde is van belang voor de bestaanseis. Art. 4:2 BW bevat de regeling voor de situatie
waarin niet duidelijk is wie is vooroverleden; zij worden geacht gelijktijdig te zijn overleden. Hen
komt geen voor- en nadeel toe uit elkaars nalatenschappen; de commoriëntenregel genoemd.
De ratio van dit artikel is het voorkomen van een vermogensovergang van de ene persoon, naar
de familie van de andere persoon. Ook als er niet veel tijd zit tussen het overlijden, wordt er
,geacht gelijktijdig te zijn overleden; 30-dagenclausule. Dit heeft niks met de wettelijke
bestaanseis te maken, het is een testamentaire bepaling.
- Onwaardigheid (art. 4:3 BW)
Onwaardigheid geldt niet alleen voor erfgenamen, maar ook legaten en lasten. De wet geeft een
limitatieve opsomming. Onwaardigheid bestaat van rechtswege, het hoeft dus niet te worden
ingeroepen. Het kan ook achteraf blijken. Het moordhuwelijk-arrest; een jonge verpleger huwt
met een rijke vrouw. Hij verzorgt haar en brengt haar om het leven. Hij wordt onherroepelijk
veroordeeld en de HR oordeelde dat hij op basis van de redelijkheid en billijkheid ook geen
voordeel kon genieten uit de algehele gemeenschap van goederen. Redelijkheid en billijkheid kan
in onaanvaardbare gevallen worden aangenomen. Dit ruimt echter niet met de limitatieve
opsomming van dit artikel. Er dient daarom zeer terughoudend mee om te worden gegaan.
Rechten die door derde te goeder trouw zijn gegeven dienen geëerbiedigd te worden; lid 2. De
rechter kan bepalen dat een derde het goed om niet heeft verkregen en daar voordeel van heeft
genoten, hij een vergoeding moet betalen. Onwaardigheid kan vervallen door een
ondubbelzijdige vergeving. De vergeving is vormvrij, maar kan niet gemakkelijk worden
aangenomen. Door stilzitten wordt geen vergiffenis aangenomen; als iemand zijn testament
vergeet aan te passen bijvoorbeeld. Vergiffenis kan wel worden aangenomen als de erflater de
dader expliciet noemt als erfgenaam in zijn testament.
- Verboden rechtshandelingen (art. 4:4 BW)
Dit artikel verklaart enkele rechtshandelingen nietig, met als doel dat de erflater niet belemmerd
wordt in het uitoefenen van zijn erfrechtelijke bevoegdheden om over zijn nalatenschap te
beschikken. In lid 1 gaat het om rechtshandelingen die verricht worden voor het openvallen van
de nalatenschap voor zover die ertoe strekken de persoon te belemmeren in het uitoefenen van
de bevoegdheden. Het artikel kent een breed toepassingsgebied. Het gaat om
rechtshandelingen, eenzijdig of meerzijdig, die bijvoorbeeld gericht zijn op het uitoefenen van
wilsrechten. Een overeenkomst waarin afgesproken wordt dat 1 kind de nalatenschap zal
verwerpen is dus nietig. Het Cautio Socini-arrest is hier relevant. Dit betreft de testamentaire
bepaling waarin de kinderen een deel van de erflating worden toegekend onder de last dat zij
zich niet tegen de bepalingen in het testament verzetten. Deze bepaling is niet nietig, omdat de
kinderen geen bevoegdheid werd ontzegd. De inhoud van lid 2 is beperkter. Het gaat hier slechts
om overeenkomsten die zien op de niet-opengevallen nalatenschap. Daarnaast gaat het alleen
om overeenkomsten met betrekking tot de nalatenschap of een deel hiervan. De regels zijn van
elkaar onafhankelijk. Het gevolg van beide leden is hetzelfde; nietigheid. de rechtshandeling of
overeenkomst heeft nooit bestaan.
- Betaling geldsom (art. 4:5 BW)
Dit artikel biedt een algemene faciliteit indien er op grond van een andere bepaling een betaling
moet worden gedaan, maar ongelegen komt. Dit is bijvoorbeeld zo bij bedrijfsopvolging. Het geld
zit in het bedrijf, de rechter kan dan op verzoek van de schuldenaar bij gewichtige redenen
overwegen dat de vordering over een langere tijd kan worden betaald. Hieraan ligt een
belangenafweging ten grondslag. Een geldsom kan ook verschuldigd zijn bij een overbedeling bij
de verdeling van een nalatenschap. Wanneer de rechter uitstel verleent, kan er rente of
zekerheid worden vastgesteld. Een wijziging in de regeling kan worden getroffen bij gewijzigde
omstandigheden.
vergelijkbare regelingen; art. 3:185 lid 3 en art. 4:74 BW
- Waardering (art. 4:6 BW)
Dit artikel geeft een begripsbepaling. In dit artikel gaat het om de waardering van de goederen
van de nalatenschap. Dit artikel is geen rechtsgrond voor de waardebepaling van goederen. Het
is ook niet ergens anders te vinden in de wet. Wel geeft het artikel aan dat het tijdstip waarop de
, waarde moet worden bepaald, onmiddellijk na het overlijden van de erflater is. Dit houdt in dat
de waarde van de goederen kan worden beïnvloed door het moment van overlijden van de
erflater. De waarde is onder meer relevant voor de berekening van de vordering van de
legitimaris. Het uitgangspunt is de waarde in het economisch verkeer, daarnaast moet er ruimte
gelaat worden voor de omstandigheden van het geval en de redelijkheid en billijkheid. Dit artikel
ziet op de waardering van de goederen van de nalatenschap. Dit is niet hetzelfde als de waarde
van de nalatenschap, hier vallen namelijk ook de schulden onder.
- Geregistreerde partners en stiefkinderen (art. 4:8 BW)
Dit artikel geeft ook begripsbepalingen. Geregistreerde partnerschap wordt gelijkgesteld met het
huwelijk voor het erfrecht. Lid 3 geeft een begripsbepaling voor een stiefkind. Ook na het einde
van het huwelijk of GP blijft een stiefkind een stiefkind. Dit is van belang voor het
aanverwantschap.
College 2: Erfopvolging bij versterf
Parentele stelsel (art. 4:10 BW)
Onder het oude BW werd uitgegaan van een gradueel stelsel. Dit hield in dat een naaste in graad een
verdere persoon in graad uitsluit. Daarnaast bestond er kloving, als gevolg waarvan de nalatenschap
in twee helften werd gesplitst als de nalatenschap naar de grootouders ging. Een echtgenoot,
afstammelingen, broers en zussen ontbraken dan. Het nieuwe BW kent een parentelen stelsel voor
het erfrecht. De mogelijke erfgenamen zijn in vier groepen opgedeeld; de parentelen. De parentelen
komen achtereenvolgens aan de beurt; personen in de tweede groep treden pas op als er in de
eerste groep geen personen zijn die kunnen opvolgen. Wanneer een persoon in een parentele niet
zelf kan opkomen, kan een van zijn nakomelingen in zijn plaats treden. Dit is bijvoorbeeld zo bij
vooroverledenen, hij voldoet dan niet aan de bestaanseis. Dit volgt uit art. 4:12 BW. Er wordt dus pas
toegekomen aan de volgende parentelen, als de personen genoemd in de wet zelf niet kunnen
optreden als erfgenamen en ook geen afstammelingen van hen. De plaatsvervulling brengt een groot
voordeel met zich mee, hierdoor komt de nalatenschap sneller bij de jongeren generaties terecht,
omdat het hier uiteindelijk toch naartoe moet levert het fiscale en economische voordelen op. De
nalatenschap legt op deze manier een kortere weg af.
Lid 3; alleen de bloedverwanten die in familierechtelijke betrekking stonden tot de erflater, worden
in het parentelenstelsel betrokken. Een pure biologische band is dus niet voldoende. Een niet-erkend
kind kan iet als erfgenaam optreden, erkenning, adoptie of gerechtelijke vaststelling is dan nodig om
een familierechtelijke betrekking te laten ontstaan.
Parentelen (art. 4:10 lid 1 BW)
De personen die onder de parentelen vallen, zijn gegeven in de wet;
1. Echtgenoot + kinderen (sub a)
2. Ouders, broers en zussen (sub b)
3. Grootouders (sub c)
4. Overgrootouders (sub d)
Plaatsvervulling (art. 4:12 BW)
De personen die de wet benoemd erven uit eigen hoofde; namelijk door de plaats die zijn in de
ordening innemen. Indien zij hiertoe niet in staat is, kunnen hun afstammelingen eventueel de
plaatsvervulling. Dit geldt niet voor alle personen die in art. 4:10 lid 1 genoemd worden. Lid 2; de
afstammelingen van een kind, broer, zuster, grootouder of overgrootouder van de erflater worden
bij plaatsvervulling geroepen. Plaatsvervulling treedt niet op bij de echtgenoot van de erfgenaam of
zijn ouders. Afstammelingen van de echtgenoot, zijn de stiefkinderen van de erflater. Voor de ouders
geldt dat hun afstammelingen al in de tweede parentelen vallen, dit zijn immers de broers en zussen
College 1: Inleiding en algemene bepalingen
Wat is erfrecht?
Het gaat om de vermogensrechtelijke aspecten bij het overlijden van een natuurrechtelijk persoon.
Ieder natuurlijk persoon komt te overlijden, dus er moet een kader zijn die de erfopvolging regelt.
Eigen vermogen is dus essentieel voor het erfrecht. Erfopvolging kan op twee manieren geschieden;
de wet (van rechtswege) of een uiterste wilsbeschikking. Er gaat een geheel van rechten en plichten
over. Niet alle rechten en plichten gaan over; bijv. hoogstpersoonlijke rechten. erfrecht is echter
meer dan alleen vermogensrechtelijk. Het belang van het erfrecht komt naar voren in een goed
rechtsverkeer. Het erfrecht is gebaseerd op de veronderstelde wil van de doorsnee man. Het erfrecht
kent ook zijn belang in het voorkomen van versnippering van onderneming; het economische belang.
het erfrecht kent enkele uitgangspunten;
- Bloedverwantschap; het erfrecht gaat uit van de wil dat de erflater zijn nalatenschap nalaat
aan bloedverwanten, of in ieder geval familie. Bloedverwantschap is gebaseerd op de
familierechtelijke betrekking.
- Testeervrijheid; een natuurlijk persoon heeft zijn vrije beschikking over zijn goederen, ook na
overlijden. Hij mag zelf beslissen wat er gebeurt met zijn goederen binnen het kader van de
wet. De testeervrijheid geeft de erflater de mogelijkheid zijn beschikkingsmacht over zijn
vermogen ook na overlijden te behouden. Het BW verwijst niet naar de testeervrijheid, maar
kan worden afgeleid uit art. 4:1 BW.
- Verzorgingsgedachte; bepaalde personen worden op grond van de wet beschermd. Dit
beperkt de testeervrijheid van de erflater. Dit zie je terug in de wilsrechten.
Korte geschiedenis
Het erfrecht staat in boek 4 BW sinds 1992. Daarvoor was het erfrecht geregeld in boek 3, als
onderdeel van het goederenrecht. Het gaat om de overgang van goederen. Echter is de scheiding van
erfrecht belangrijk, het gaat namelijk maar om één situatie en het betreft een overgang van een
geheel van rechten en plichten (in plaats van een specifiek goed).
Overgangsrecht
Door de overgang van oud naar nieuw BW is het niet altijd duidelijk onder welk recht bijvoorbeeld
een testament valt. Dit regelt het overgangsrecht. Het gaat om de werking van nieuw recht op al
bestaande rechtsverhoudingen. Complicerende factor; een uiterste wilsbeschikking gaat pas werken
na het overlijden van de erflater. Er kan niet gevraagd worden naar bedoelingen. De overgangswet
kent een gelaagde structuur; titel 4 gaat over algemene zaken, titel 5 is specificerend. Hoofdregel is
de onmiddellijke werking van de nieuwe regels. Het nieuwe recht geldt ook voor de reeds bestaande
testamenten. De wetgever wijkt hier wel eens vanaf, om zo de wil van de erflater zo veel mogelijk te
eerbiedigen. Het oude recht blijft dus heel lang relevant. Art. 69 Ow is een voorbeeld van zo een
uitzondering, inhoudende dat iemand een vermogensrecht niet kan verliezen door het nieuwe recht,
een schuld op een ander overgaat of een goed onterecht wordt belast.
Bloed- en aanverwantschap
Het verschil tussen bloed- en aanverwantschap is belangrijk. De verhouding tussen familieleden is
essentieel in het erfrecht. Bloedverwantschap omvat de betrekking tussen personen van wie de een
van de ander afstamt; rechte lijn. Of de betrekking tussen personen met een gemeenschappelijk
stamvader; zijlijn. De relatie tussen de personen is gebaseerd op de afstamming van bepaalde
,ouders. Bloedverwantschap wordt gemeten in graden; art. 1:3 lid 2 BW. Aan de hand van
bloedverwantschap kan aanverwantschap worden vastgesteld.
Algemene bepalingen (titel 4.1 BW)
- Erfopvolging (art. 4:1 BW)
Erfopvolging vindt plaats bij versterf (wettelijke erfrecht) of uiterste wilsbeschikking
(testamentaire erfrecht). Het wettelijke versterferfrecht is te vinden in titel 2 van boek 4. Dit
geldt alleen als hier niet van is afgeweken door middel van een uiterste wilsbeschikking; de titel
bevat regelend recht. Testamentair erfrecht geeft regels waarop kan worden afgeweken;
erfstelling (uitbreiding van de erfgenamen) of onterving (beperking van de erfgenamen). Een
onterving is direct of indirect. Erfopvolging leidt tot verkrijging onder algemene titel; art. 3:80 lid
2 BW. Van rechtswege wordt een geheel van rechten en plichten verkregen, of een evenredig
deel hiervan. Zowel positieve als negatieve vermogensbestanddelen gaan over. De nalatenschap
wordt als geheel gezien. De erfgenamen zetten de persoon van de overledene voort. de
erfopvolging heeft goederenrechtelijk effect; er is geen levering vereist. Op het moment van
overlijden ontstaat er een bijzondere gemeenschap tussen de erfgenamen; art. 3:189 e.v. De
regels omtrent erfopvolging zien alleen op erfgenamen en niet op legatarissen; zij zijn
schuldeisers van de nalatenschap. Zij zijn geen erfgenaam. Wanneer er in een andere wet wordt
gesproken over ‘verkrijging krachtens erfrecht’ houdt dit zowel krachtens versterf als uiterste
wilsbeschikking in. Legaten, erfstellingen en lasten vallen hier ook onder. Alles wat wordt
verkregen na overlijden wordt onder verkrijging krachtens erfrecht verstaan. Indien iemand door
middel van een testament erfgenaam wordt, terwijl hij al wettelijk erfgenaam was maakt hem
testamentair erfgenaam. Zijn positie is niet anders, maar dit maakt wel uit voor de
toepasselijkheid van bepaalde bepalingen. Plaatsvervulling vindt bijvoorbeeld alleen plaats bij
versterf.
Vereisten voor erfopvolging
o De erflater moet zijn overlijden. Indien het overlijden niet zeker is, moet er worden
gekeken naar art. 1:412 jo. 1:426 BW.
o Daarnaast moet er sprake zijn van een erfgenaam krachtens de wet of uiterste
wilsbeschikking.
o Tot slot moet de erfgenaam bestaan op het moment dat de nalatenschap openvalt;
art. 4:9 jo. 4:56 BW. Een ongeboren kind wordt aangemerkt als reeds geboren voor
zover dit zijn belang dit vordert. Mocht het kind vervolgens doodgeboren worden,
wordt het kind geacht nooit te hebben bestaan. Een ongeboren kind voldoet aan de
bestaanseis, mits het levend ter wereld komt. Na het overlijden van de erflater kan
er nog een nieuwe erfgenaam opkomen, bijvoorbeeld door gerechtelijke vaststelling
van het vaderschap. Dit heeft terugwerkende kracht. Notaris Postma-arrest (nr.
147): de nalatenschap was al verdeeld, maar jaren later bleek iemand naders ook
een afstammeling. De nalatenschap zou dan opnieuw moeten worden verdeeld. Art.
1:207 BW de door derde te goeder trouw verkregen rechten kunnen niet worden
geschaad door de terugwerkende kracht van de gerechtelijke vaststelling. HR: de
erfgenamen moeten in deze situatie niet als derden worden gezien. De nalatenschap
zou dus opnieuw moeten worden verdeeld.
- Volgorde van overlijden (art. 4:2 BW)
De volgorde is van belang voor de bestaanseis. Art. 4:2 BW bevat de regeling voor de situatie
waarin niet duidelijk is wie is vooroverleden; zij worden geacht gelijktijdig te zijn overleden. Hen
komt geen voor- en nadeel toe uit elkaars nalatenschappen; de commoriëntenregel genoemd.
De ratio van dit artikel is het voorkomen van een vermogensovergang van de ene persoon, naar
de familie van de andere persoon. Ook als er niet veel tijd zit tussen het overlijden, wordt er
,geacht gelijktijdig te zijn overleden; 30-dagenclausule. Dit heeft niks met de wettelijke
bestaanseis te maken, het is een testamentaire bepaling.
- Onwaardigheid (art. 4:3 BW)
Onwaardigheid geldt niet alleen voor erfgenamen, maar ook legaten en lasten. De wet geeft een
limitatieve opsomming. Onwaardigheid bestaat van rechtswege, het hoeft dus niet te worden
ingeroepen. Het kan ook achteraf blijken. Het moordhuwelijk-arrest; een jonge verpleger huwt
met een rijke vrouw. Hij verzorgt haar en brengt haar om het leven. Hij wordt onherroepelijk
veroordeeld en de HR oordeelde dat hij op basis van de redelijkheid en billijkheid ook geen
voordeel kon genieten uit de algehele gemeenschap van goederen. Redelijkheid en billijkheid kan
in onaanvaardbare gevallen worden aangenomen. Dit ruimt echter niet met de limitatieve
opsomming van dit artikel. Er dient daarom zeer terughoudend mee om te worden gegaan.
Rechten die door derde te goeder trouw zijn gegeven dienen geëerbiedigd te worden; lid 2. De
rechter kan bepalen dat een derde het goed om niet heeft verkregen en daar voordeel van heeft
genoten, hij een vergoeding moet betalen. Onwaardigheid kan vervallen door een
ondubbelzijdige vergeving. De vergeving is vormvrij, maar kan niet gemakkelijk worden
aangenomen. Door stilzitten wordt geen vergiffenis aangenomen; als iemand zijn testament
vergeet aan te passen bijvoorbeeld. Vergiffenis kan wel worden aangenomen als de erflater de
dader expliciet noemt als erfgenaam in zijn testament.
- Verboden rechtshandelingen (art. 4:4 BW)
Dit artikel verklaart enkele rechtshandelingen nietig, met als doel dat de erflater niet belemmerd
wordt in het uitoefenen van zijn erfrechtelijke bevoegdheden om over zijn nalatenschap te
beschikken. In lid 1 gaat het om rechtshandelingen die verricht worden voor het openvallen van
de nalatenschap voor zover die ertoe strekken de persoon te belemmeren in het uitoefenen van
de bevoegdheden. Het artikel kent een breed toepassingsgebied. Het gaat om
rechtshandelingen, eenzijdig of meerzijdig, die bijvoorbeeld gericht zijn op het uitoefenen van
wilsrechten. Een overeenkomst waarin afgesproken wordt dat 1 kind de nalatenschap zal
verwerpen is dus nietig. Het Cautio Socini-arrest is hier relevant. Dit betreft de testamentaire
bepaling waarin de kinderen een deel van de erflating worden toegekend onder de last dat zij
zich niet tegen de bepalingen in het testament verzetten. Deze bepaling is niet nietig, omdat de
kinderen geen bevoegdheid werd ontzegd. De inhoud van lid 2 is beperkter. Het gaat hier slechts
om overeenkomsten die zien op de niet-opengevallen nalatenschap. Daarnaast gaat het alleen
om overeenkomsten met betrekking tot de nalatenschap of een deel hiervan. De regels zijn van
elkaar onafhankelijk. Het gevolg van beide leden is hetzelfde; nietigheid. de rechtshandeling of
overeenkomst heeft nooit bestaan.
- Betaling geldsom (art. 4:5 BW)
Dit artikel biedt een algemene faciliteit indien er op grond van een andere bepaling een betaling
moet worden gedaan, maar ongelegen komt. Dit is bijvoorbeeld zo bij bedrijfsopvolging. Het geld
zit in het bedrijf, de rechter kan dan op verzoek van de schuldenaar bij gewichtige redenen
overwegen dat de vordering over een langere tijd kan worden betaald. Hieraan ligt een
belangenafweging ten grondslag. Een geldsom kan ook verschuldigd zijn bij een overbedeling bij
de verdeling van een nalatenschap. Wanneer de rechter uitstel verleent, kan er rente of
zekerheid worden vastgesteld. Een wijziging in de regeling kan worden getroffen bij gewijzigde
omstandigheden.
vergelijkbare regelingen; art. 3:185 lid 3 en art. 4:74 BW
- Waardering (art. 4:6 BW)
Dit artikel geeft een begripsbepaling. In dit artikel gaat het om de waardering van de goederen
van de nalatenschap. Dit artikel is geen rechtsgrond voor de waardebepaling van goederen. Het
is ook niet ergens anders te vinden in de wet. Wel geeft het artikel aan dat het tijdstip waarop de
, waarde moet worden bepaald, onmiddellijk na het overlijden van de erflater is. Dit houdt in dat
de waarde van de goederen kan worden beïnvloed door het moment van overlijden van de
erflater. De waarde is onder meer relevant voor de berekening van de vordering van de
legitimaris. Het uitgangspunt is de waarde in het economisch verkeer, daarnaast moet er ruimte
gelaat worden voor de omstandigheden van het geval en de redelijkheid en billijkheid. Dit artikel
ziet op de waardering van de goederen van de nalatenschap. Dit is niet hetzelfde als de waarde
van de nalatenschap, hier vallen namelijk ook de schulden onder.
- Geregistreerde partners en stiefkinderen (art. 4:8 BW)
Dit artikel geeft ook begripsbepalingen. Geregistreerde partnerschap wordt gelijkgesteld met het
huwelijk voor het erfrecht. Lid 3 geeft een begripsbepaling voor een stiefkind. Ook na het einde
van het huwelijk of GP blijft een stiefkind een stiefkind. Dit is van belang voor het
aanverwantschap.
College 2: Erfopvolging bij versterf
Parentele stelsel (art. 4:10 BW)
Onder het oude BW werd uitgegaan van een gradueel stelsel. Dit hield in dat een naaste in graad een
verdere persoon in graad uitsluit. Daarnaast bestond er kloving, als gevolg waarvan de nalatenschap
in twee helften werd gesplitst als de nalatenschap naar de grootouders ging. Een echtgenoot,
afstammelingen, broers en zussen ontbraken dan. Het nieuwe BW kent een parentelen stelsel voor
het erfrecht. De mogelijke erfgenamen zijn in vier groepen opgedeeld; de parentelen. De parentelen
komen achtereenvolgens aan de beurt; personen in de tweede groep treden pas op als er in de
eerste groep geen personen zijn die kunnen opvolgen. Wanneer een persoon in een parentele niet
zelf kan opkomen, kan een van zijn nakomelingen in zijn plaats treden. Dit is bijvoorbeeld zo bij
vooroverledenen, hij voldoet dan niet aan de bestaanseis. Dit volgt uit art. 4:12 BW. Er wordt dus pas
toegekomen aan de volgende parentelen, als de personen genoemd in de wet zelf niet kunnen
optreden als erfgenamen en ook geen afstammelingen van hen. De plaatsvervulling brengt een groot
voordeel met zich mee, hierdoor komt de nalatenschap sneller bij de jongeren generaties terecht,
omdat het hier uiteindelijk toch naartoe moet levert het fiscale en economische voordelen op. De
nalatenschap legt op deze manier een kortere weg af.
Lid 3; alleen de bloedverwanten die in familierechtelijke betrekking stonden tot de erflater, worden
in het parentelenstelsel betrokken. Een pure biologische band is dus niet voldoende. Een niet-erkend
kind kan iet als erfgenaam optreden, erkenning, adoptie of gerechtelijke vaststelling is dan nodig om
een familierechtelijke betrekking te laten ontstaan.
Parentelen (art. 4:10 lid 1 BW)
De personen die onder de parentelen vallen, zijn gegeven in de wet;
1. Echtgenoot + kinderen (sub a)
2. Ouders, broers en zussen (sub b)
3. Grootouders (sub c)
4. Overgrootouders (sub d)
Plaatsvervulling (art. 4:12 BW)
De personen die de wet benoemd erven uit eigen hoofde; namelijk door de plaats die zijn in de
ordening innemen. Indien zij hiertoe niet in staat is, kunnen hun afstammelingen eventueel de
plaatsvervulling. Dit geldt niet voor alle personen die in art. 4:10 lid 1 genoemd worden. Lid 2; de
afstammelingen van een kind, broer, zuster, grootouder of overgrootouder van de erflater worden
bij plaatsvervulling geroepen. Plaatsvervulling treedt niet op bij de echtgenoot van de erfgenaam of
zijn ouders. Afstammelingen van de echtgenoot, zijn de stiefkinderen van de erflater. Voor de ouders
geldt dat hun afstammelingen al in de tweede parentelen vallen, dit zijn immers de broers en zussen