Samenvatting Pedagogiek 1.6
Hoofdstuk 1: Kinderen en jongeren en de werelden waarin ze leven
Kinderen brengen meer dan 900 uur per jaar op school door. Parallelle school =
school naast de school, buitenschoolse activiteiten waar je later iets aan hebt.
Kinderen in onderbouw besteden 2 uur per dag aan verschillende media,
scholieren gemiddeld 6 uur per dag. Basisschool heet ook funderend onderwijs
fundament wordt gelegd voor verdere schoolloopbaan.
Kaspar Hauser: jarenlang in kleine kelder, was maar 5 jaar onder de mensen.
Wereld = plaats waar men onder de mensen is en waar door mensen gemaakte
objecten voorhanden zijn. Tenslotte ook plaats waar mensen door middel van taal
zich tot elkaar verhouden. Door zijn eenzame verblijf kon hij zich niet
ontwikkelen. ‘’Wilde kinderen’’ lukt het nooit om helemaal deel uit te maken van
mensenwereld. Hechting tussen moeder en kind is noodzakelijke voorwaarde om
te kunnen ontwikkelen. Niet veilig hechten = geen duurzame affectie relatie.
Hechtingstheorie van Bowlby. Rien van IJzendoorn geeft aan dat dit niet
alleen moeder hoeft te zijn, maar ook iemand anders kan zijn, mits hij/zij sensitief
reageert op het kind.
Nestblijver = hulpeloos en op verzorging van ouders aangewezen. Nestvlieder
= kunnen direct op eigen benen staan. Biologen spreken bij mens over
secundaire nestblijver = te vroeg geboren, moet daarom eerst een jaar in soort
culturele buitenbaarmoederlijke ruimte verblijven. Om mens te kunnen worden
‘’tweede geboorte’’ = culturele geboorte = geboorte in wereld van en met
medemensen, een talige, communicatieve wereld.
Kinderen worden met onrijpe hersenen geboren. Alleen onderdelen die voor het
overleven van belang zijn, zijn uitgerijpt. Plasticiteit van de hersenen:
hersenen zijn zeer vormbaar, alleen als synapsen worden geactiveerd blijven ze
bestaan, anders sterven ze af.
- Ervaringen opdoen zenuwcellen activeren ontstaan nieuwe
verbindingen ontstaan nieuwe netwerken kinderen leren denk- en
handelingsmogelijkheden nemen toe.
Gevoelige periode voor leren van waarnemen, lopen, spreken en manipuleren
van objecten (bij Kaspar dus ontkracht). Damasio schrijft over het ‘’zelf’’:
representatie van en het ik dat daaruit voortkomt. Francoise Dolto:
lichaamsschema = sensomotorische van het lichaam: wat kan het lichaam aan.
Lichaamsbeeld = ontstaat vanuit relatie van kind met verzorger, gaat over
ervaringen in de wereld. Lichaamsbeeld is niet bewust.
Taal = kind bouwt lichaamsbeeld op door middel van ervaringen en daarbij
passende woorden: taal.
Imaginaire orde = beeld opvatten als eigen ik. Symbolische orde = kind kan
loskomen van imaginaire bindingen die het met anderen heeft. Het gaat nu niet
meer om beeld waarmee et zich identificeert, maar om een woord of symbool.
,Imaginaire orde is ook: ‘’dit hoort bij mij, dit ben ik’’. Daarna symbolische orde:
‘’wat wil hij precies van mij, wat wil ik zelf eigenlijk?’’
‘’De eeuw van het kind’’ is het boek van Ellen Key in 1900. Zij wilde het kind
de ruimte geven. Pedagoog Dasberg noemde dat domein Jeugdland: een
speciaal voor kinderen en jongeren ingerichte wereld. Schoolland is datzelfde,
maar dan op school. Inmiddels een commercialisering en mediatisering van
Jeugdland
1874: kinderarbeid verboden tot 12 jaar
1901: leerplicht
1905: ouders kunnen uit ouderlijke macht worden gezet bij, bijvoorbeeld
verwaarlozing
2007: leerplicht tot 16 jaar
Hoofdstuk 2: Opvoeding en onderwijs: traditie en actualiteit
Verlichting = periode waarbij men zich wilde ontplooien, op gebied van
economie, kunst en cultuur en opvoeding. Rousseau was Franse filosoof en
pedagoog. Hij wilde dat kinderen de gevolgen van zijn handelen ondergaat en
leert inzien dat hijzelf en de volwassene bepaalde belangen hebben (voorbeeld
van de ruiten). Voorheen werden kinderen opgevoed naar hun ‘’stand’’
John Locke was een filosoof die zegt dat kinderen zoveel mogelijk praktische
ervaringen moeten opdoen. Locke is aanhanger van het empirisme: zintuiglijke
ervaring ligt ten grondslag aan het leren. In de tijd van de verlichting kwam ook
het principe dat elk kind zijn eigen identiteit heeft (identificatie- en
losmakingsproces).
Thema’s die vanaf achttiende eeuw worden ontwikkeld:
1. Erkenning van eigenheid van het kind (individualiteit)
2. Opdoen van ervaringen (activiteit)
3. Gespreken over die ervaringen tussen ouders en kinderen (dialoog)
Pedagogische principes uit de verlichting:
1. Opvoedingsprincipe: elk kind moet worden opgevoegd
2. Vormbaarheidsprincipe: elk kind is vatbaar voor vorming, elk kind kan leren
en heeft mogelijkheid om zich te ontwikkelen
3. Activiteitsprincipe: elk kind wil zelf actief zien en daardoor ontwikkelen,
leren en vormen.
Dit zijn regulatieve principes. Principes die het handelen van opvoeder leiden, je
kunt ze niet wetenschappelijk bewijzen.
Theo Thijssen was onderwijzer op grens tussen oude en nieuwe onderwijs.
Kunnen gaat voor kennen. Typerend voor hem: besef dat je als volwassenen maar
, in beperkte mate invloed hebt op het kind. Twee elementen die hij combineert:
oog voor het individuele kind en opvoeding voor de gemeenschap.
Gemeenschap: opvoeding en onderwijs moeten bijdragen aan betere wereld.
Rond 1900 ontstond volksonderwijs: elk kind recht op goed onderwijs.
Reformpedagogiek: reform = hervorming. Eeuw van het kind. Begonnen in
Engeland en Duitsland.
Vijf grote pedagogen uit twintigste eeuw:
1. Maria Montessori
Oprichter Montessori-school. Eerste vrouwelijke arts en kinderpsychiater in Italië.
Ontwierp zintuiglijk ontwikkelingsmateriaal. Casa dei Bambini (kinderhuis). Alle
opvoeding is zelfopvoeding: ‘’help mij het zelf te doen’’. Kind moet zelf
ervaringen opdoen en zelfstandig kunnen leren. Inspelen op gevoelige perioden
van kind waarbij interesse versterkt optreed.
2. Rudolf Steiner
Oprichter Vrije School (Waldorfschool). Vrijschool betekent: in vrijheid realiseren
van pedagogische visie. Er wordt gewerkt volgens Antroposofische mensbeeld:
‘’mens is drieledig wezen dat denkt, voelt en wil.’’ Schoolinrichting volgens
natuurlijke materialen, gefocust op kunstzinnige geest. In leven verschillende
fasen/gevoelige periodes van 7 jaar.
3. Peter Petersen
Oprichter Jenaplanschool. Kinderen zaten in stamgroepen. Kind is deelnemer
aan gemeenschap, dus veel aandacht voor gemeenschappelijke activiteiten in
gesprek, spel, werk en viering (basisactiviteiten). Vijfde pijler is ‘’verinnerlijking’’.
Nadruk op ontdekkend leren binnen en buiten de school. Meer ‘’pedagogisch
concept’’ dan onderwijsmethode. Dingen overgenomen in regulier onderwijs:
kringgesprekken, vieringen en werken met projecten.
4. Helen Parkhurst
Oprichter Daltonschool. Gaat om ‘’eigenaarschap, persoonsontwikkeling en
ontwikkeling van talenten van leerling.’’ Vijftal kernwaarden: effectiviteit,
reflectie, vrijheid/verantwoordelijkheid, zelfstandigheid en samenwerking.
Leerstof is ingedeeld in taken. Op sommige scholen kiezen kinderen of ze
instructies volgen.
5. Célestin Freinet
Oprichter Freinetschool. Leren moet gebeuren in praktijk, niet uit boeken. Bekend
om Freinet-technieken: schrijven en lezen in combinatie met tekenen, vrije
onderzoek, correspondentie, klassenvergadering en werken met drukpers.
Al deze scholen uit reformpedagogiek komen op drie punten overeen:
Hoofdstuk 1: Kinderen en jongeren en de werelden waarin ze leven
Kinderen brengen meer dan 900 uur per jaar op school door. Parallelle school =
school naast de school, buitenschoolse activiteiten waar je later iets aan hebt.
Kinderen in onderbouw besteden 2 uur per dag aan verschillende media,
scholieren gemiddeld 6 uur per dag. Basisschool heet ook funderend onderwijs
fundament wordt gelegd voor verdere schoolloopbaan.
Kaspar Hauser: jarenlang in kleine kelder, was maar 5 jaar onder de mensen.
Wereld = plaats waar men onder de mensen is en waar door mensen gemaakte
objecten voorhanden zijn. Tenslotte ook plaats waar mensen door middel van taal
zich tot elkaar verhouden. Door zijn eenzame verblijf kon hij zich niet
ontwikkelen. ‘’Wilde kinderen’’ lukt het nooit om helemaal deel uit te maken van
mensenwereld. Hechting tussen moeder en kind is noodzakelijke voorwaarde om
te kunnen ontwikkelen. Niet veilig hechten = geen duurzame affectie relatie.
Hechtingstheorie van Bowlby. Rien van IJzendoorn geeft aan dat dit niet
alleen moeder hoeft te zijn, maar ook iemand anders kan zijn, mits hij/zij sensitief
reageert op het kind.
Nestblijver = hulpeloos en op verzorging van ouders aangewezen. Nestvlieder
= kunnen direct op eigen benen staan. Biologen spreken bij mens over
secundaire nestblijver = te vroeg geboren, moet daarom eerst een jaar in soort
culturele buitenbaarmoederlijke ruimte verblijven. Om mens te kunnen worden
‘’tweede geboorte’’ = culturele geboorte = geboorte in wereld van en met
medemensen, een talige, communicatieve wereld.
Kinderen worden met onrijpe hersenen geboren. Alleen onderdelen die voor het
overleven van belang zijn, zijn uitgerijpt. Plasticiteit van de hersenen:
hersenen zijn zeer vormbaar, alleen als synapsen worden geactiveerd blijven ze
bestaan, anders sterven ze af.
- Ervaringen opdoen zenuwcellen activeren ontstaan nieuwe
verbindingen ontstaan nieuwe netwerken kinderen leren denk- en
handelingsmogelijkheden nemen toe.
Gevoelige periode voor leren van waarnemen, lopen, spreken en manipuleren
van objecten (bij Kaspar dus ontkracht). Damasio schrijft over het ‘’zelf’’:
representatie van en het ik dat daaruit voortkomt. Francoise Dolto:
lichaamsschema = sensomotorische van het lichaam: wat kan het lichaam aan.
Lichaamsbeeld = ontstaat vanuit relatie van kind met verzorger, gaat over
ervaringen in de wereld. Lichaamsbeeld is niet bewust.
Taal = kind bouwt lichaamsbeeld op door middel van ervaringen en daarbij
passende woorden: taal.
Imaginaire orde = beeld opvatten als eigen ik. Symbolische orde = kind kan
loskomen van imaginaire bindingen die het met anderen heeft. Het gaat nu niet
meer om beeld waarmee et zich identificeert, maar om een woord of symbool.
,Imaginaire orde is ook: ‘’dit hoort bij mij, dit ben ik’’. Daarna symbolische orde:
‘’wat wil hij precies van mij, wat wil ik zelf eigenlijk?’’
‘’De eeuw van het kind’’ is het boek van Ellen Key in 1900. Zij wilde het kind
de ruimte geven. Pedagoog Dasberg noemde dat domein Jeugdland: een
speciaal voor kinderen en jongeren ingerichte wereld. Schoolland is datzelfde,
maar dan op school. Inmiddels een commercialisering en mediatisering van
Jeugdland
1874: kinderarbeid verboden tot 12 jaar
1901: leerplicht
1905: ouders kunnen uit ouderlijke macht worden gezet bij, bijvoorbeeld
verwaarlozing
2007: leerplicht tot 16 jaar
Hoofdstuk 2: Opvoeding en onderwijs: traditie en actualiteit
Verlichting = periode waarbij men zich wilde ontplooien, op gebied van
economie, kunst en cultuur en opvoeding. Rousseau was Franse filosoof en
pedagoog. Hij wilde dat kinderen de gevolgen van zijn handelen ondergaat en
leert inzien dat hijzelf en de volwassene bepaalde belangen hebben (voorbeeld
van de ruiten). Voorheen werden kinderen opgevoed naar hun ‘’stand’’
John Locke was een filosoof die zegt dat kinderen zoveel mogelijk praktische
ervaringen moeten opdoen. Locke is aanhanger van het empirisme: zintuiglijke
ervaring ligt ten grondslag aan het leren. In de tijd van de verlichting kwam ook
het principe dat elk kind zijn eigen identiteit heeft (identificatie- en
losmakingsproces).
Thema’s die vanaf achttiende eeuw worden ontwikkeld:
1. Erkenning van eigenheid van het kind (individualiteit)
2. Opdoen van ervaringen (activiteit)
3. Gespreken over die ervaringen tussen ouders en kinderen (dialoog)
Pedagogische principes uit de verlichting:
1. Opvoedingsprincipe: elk kind moet worden opgevoegd
2. Vormbaarheidsprincipe: elk kind is vatbaar voor vorming, elk kind kan leren
en heeft mogelijkheid om zich te ontwikkelen
3. Activiteitsprincipe: elk kind wil zelf actief zien en daardoor ontwikkelen,
leren en vormen.
Dit zijn regulatieve principes. Principes die het handelen van opvoeder leiden, je
kunt ze niet wetenschappelijk bewijzen.
Theo Thijssen was onderwijzer op grens tussen oude en nieuwe onderwijs.
Kunnen gaat voor kennen. Typerend voor hem: besef dat je als volwassenen maar
, in beperkte mate invloed hebt op het kind. Twee elementen die hij combineert:
oog voor het individuele kind en opvoeding voor de gemeenschap.
Gemeenschap: opvoeding en onderwijs moeten bijdragen aan betere wereld.
Rond 1900 ontstond volksonderwijs: elk kind recht op goed onderwijs.
Reformpedagogiek: reform = hervorming. Eeuw van het kind. Begonnen in
Engeland en Duitsland.
Vijf grote pedagogen uit twintigste eeuw:
1. Maria Montessori
Oprichter Montessori-school. Eerste vrouwelijke arts en kinderpsychiater in Italië.
Ontwierp zintuiglijk ontwikkelingsmateriaal. Casa dei Bambini (kinderhuis). Alle
opvoeding is zelfopvoeding: ‘’help mij het zelf te doen’’. Kind moet zelf
ervaringen opdoen en zelfstandig kunnen leren. Inspelen op gevoelige perioden
van kind waarbij interesse versterkt optreed.
2. Rudolf Steiner
Oprichter Vrije School (Waldorfschool). Vrijschool betekent: in vrijheid realiseren
van pedagogische visie. Er wordt gewerkt volgens Antroposofische mensbeeld:
‘’mens is drieledig wezen dat denkt, voelt en wil.’’ Schoolinrichting volgens
natuurlijke materialen, gefocust op kunstzinnige geest. In leven verschillende
fasen/gevoelige periodes van 7 jaar.
3. Peter Petersen
Oprichter Jenaplanschool. Kinderen zaten in stamgroepen. Kind is deelnemer
aan gemeenschap, dus veel aandacht voor gemeenschappelijke activiteiten in
gesprek, spel, werk en viering (basisactiviteiten). Vijfde pijler is ‘’verinnerlijking’’.
Nadruk op ontdekkend leren binnen en buiten de school. Meer ‘’pedagogisch
concept’’ dan onderwijsmethode. Dingen overgenomen in regulier onderwijs:
kringgesprekken, vieringen en werken met projecten.
4. Helen Parkhurst
Oprichter Daltonschool. Gaat om ‘’eigenaarschap, persoonsontwikkeling en
ontwikkeling van talenten van leerling.’’ Vijftal kernwaarden: effectiviteit,
reflectie, vrijheid/verantwoordelijkheid, zelfstandigheid en samenwerking.
Leerstof is ingedeeld in taken. Op sommige scholen kiezen kinderen of ze
instructies volgen.
5. Célestin Freinet
Oprichter Freinetschool. Leren moet gebeuren in praktijk, niet uit boeken. Bekend
om Freinet-technieken: schrijven en lezen in combinatie met tekenen, vrije
onderzoek, correspondentie, klassenvergadering en werken met drukpers.
Al deze scholen uit reformpedagogiek komen op drie punten overeen: