1. IMPRESSIONISME (ca. 1870-1900)
Wat is het?
Het impressionisme was een reactie op de academische kunst van de 19e eeuw. Kunstenaars wilden niet langer gedetailleerde
en gepolijste werken maken zoals in het classicisme en realisme. In plaats daarvan wilden ze snelle, vluchtige indrukken
(impressies) vastleggen van een moment, vaak buiten in de natuur. Er wordt gebruik gemaak van olieverf in tubes.
ACADEMISCH VS IMPRESSIONSME:
Kenmerken academisch
• volgens academieregels
• Verfijnd, perfect, verheven, exact
Kenmerken impressionime:
• Schetsmatige stijl: geen strakke contouren, maar losse penseelstreken.
• Heldere en felle kleuren: beïnvloed door de nieuwe verftechnieken.
• Veel aandacht voor licht en kleur: hoe verandert licht op verschillende momenten van de dag?
• Beleving van het moment: kunstenaars probeerden het gevoel en de sfeer van een situatie vast te leggen.
• Nieuwe composities: asymmetrische opstellingen, alsof het een momentopname is.
Belangrijke kunstenaars:
• Claude Monet:
- schilderde vaak landschappen en water, zoals Impression, soleil levant (daarvan komt de naam van deze kunststroming).
- Belangstelling van licht
- En plain - air: proberen het moment te vangen
- Maken van series
- Dikke, korstige verftoets
- Maakt soms van sommige schilderijen meerdere versies om verscillende waarnemingen van het licht te laten zien
• Édouard Manet: overgangsfiguur tussen realisme en impressionisme.
• Edgar Degas: vooral bekend om zijn ballerina’s en paardenraces.
• Pierre-Auguste Renoir: schilderde vaak vrolijke scènes met mensen, zoals Bal du moulin de la Galette.
• Berthe Morisot: huiselijke scènes, vooral vrouwen & kinderen
• Camille Pissarro: kleuren opdelen (aanzet pointilisme),
• Auguste Rodine: belangrijkste beeldhouwkunstenaar, gebruik van onrgelmatige oppervlak, lichtinval —> schittering
In de muziek:
Claude Debussy componeerde muziek die net als impressionistische schilderkunst sfeer en gevoel weergaf.
Lili Boulanger
2. NEO-IMPRESSIONISME (ca. 1884-1905)
Wat is het?
Neo-impressionisme bouwde voort op het impressionisme, maar gebruikte een wetenschappelijke aanpak om kleur en licht
nog beter weer te geven.
,Nieuwe technieken:
• Pointillisme: kleine stipjes ongemengde verf, die van een afstand samensmelten tot een kleur
(Georges Seurat).
• Divisionisme: strepen ongemengde verf (Paul Signac).
Voorbeeld: Zondag op La Grande Jatte van Seurat. Dit schilderij is minder
spontaan dan impressionistische werken en heeft een strakke compositie.
3. POST-IMPRESSIONISME (ca. 1885-1910)
Wat is het?
Post-impressionisten bouwden verder op het impressionisme, maar gaven meer aandacht aan vorm, inhoud en emoties. Ze
schilderden niet alleen wat ze zagen, maar ook wat ze voelden.
Kenmerken:
• Vrijere kleuren en vormen dan impressionisten.
• Expressie van gevoelens in plaats van alleen realiteit.
Belangrijke kunstenaars:
• Vincent van Gogh: gebruikte felle, expressieve kleuren en dikke verf (impasto), zoals in De Sterrennacht. —> emotie &
beweging
• Paul Gauguin: schilderde exotische en symbolische taferelen, met vereenvoudigde vormen en warme kleuren
• Paul Cézanne: gebruikt koude en warme kleuren naast elkaar —> creeërt diepte
• Toulouse-Lautrec:
Lautrec Gauguin Cézanne van Gogh
4. SYMBOLISME (ca. 1880-1910)
Wat is het?
Symbolisme was een reactie op het realisme en naturalisme. In plaats van de zichtbare werkelijkheid wilden symbolisten de
innerlijke wereld, het mysterie en het onbewuste verbeelden.
Kenmerken:
• Fantasie, intuïtie en verbeeldingkracht
• Verleden
• Gebruik van mysterieuze symboliek.
• Kleuren als uitdrukkingsvorm van emotie + lijnen en vormen niet realistisch
• Thema’s zoals mythologie, dromen, de dood en het onderbewuste.
, Belangrijke kunstenaars:
• Gustave Moreau: schilderde mystieke, dromerige taferelen.
• Odilon Redon: werkte veel met mysterieuze en dromerige symboliek.
• Paul Gauguin
• Arnold Böcklin
Redon Gauguin. Böcklin
5. ARCHITECTUURSTROMINGEN: ART NOUVEAU, ART DECO & MODERNISME
Art Nouveau / Jugendstil (1880-1920)
In Oostenrijk en Duitsland
Geïnspireerd door de natuur (bloemen, golvende lijnen).
Bewogen lijnen: zweepslagmotief (gebruikt emoties uitdrukken)
Afkeer symmetrie
Geen strakke vormen, maar sierlijke en organische ontwerpen.
Gebruikt in architectuur, sieraden, boeken, schilderkunst, meubels en glaskunst.
Bekende architect: Victor Horta.
Art Deco (1920-1940)
= decoratieve stijl
Strakke, geometrische vormen (tegenreactie op Art Nouveau).
materialen zoals ebbenhout, bakeliet, koper en ivoor.
Vaak symmetrisch en met heldere kleuren.
Omarming van technologie
Modernisme (vanaf 1920)
Strakke en moderene, functionele ontwerpen zonder versiering.
Minimalistische uitstraling
Licht, veel open ruimte, lucht,
Materialen zoals gewapend beton, glas, bakstenen en staal.
Bekende architecten: Le Corbusier, Ludwig Mies van der Rohe, Frank Lloyd Wright.
6. EXPRESSIONISME (ca. 1905-1940)
Wat is het?
Expressionisme draait om het uitdrukken van gevoelens in plaats van de zichtbare werkelijkheid
Wat is het?
Het impressionisme was een reactie op de academische kunst van de 19e eeuw. Kunstenaars wilden niet langer gedetailleerde
en gepolijste werken maken zoals in het classicisme en realisme. In plaats daarvan wilden ze snelle, vluchtige indrukken
(impressies) vastleggen van een moment, vaak buiten in de natuur. Er wordt gebruik gemaak van olieverf in tubes.
ACADEMISCH VS IMPRESSIONSME:
Kenmerken academisch
• volgens academieregels
• Verfijnd, perfect, verheven, exact
Kenmerken impressionime:
• Schetsmatige stijl: geen strakke contouren, maar losse penseelstreken.
• Heldere en felle kleuren: beïnvloed door de nieuwe verftechnieken.
• Veel aandacht voor licht en kleur: hoe verandert licht op verschillende momenten van de dag?
• Beleving van het moment: kunstenaars probeerden het gevoel en de sfeer van een situatie vast te leggen.
• Nieuwe composities: asymmetrische opstellingen, alsof het een momentopname is.
Belangrijke kunstenaars:
• Claude Monet:
- schilderde vaak landschappen en water, zoals Impression, soleil levant (daarvan komt de naam van deze kunststroming).
- Belangstelling van licht
- En plain - air: proberen het moment te vangen
- Maken van series
- Dikke, korstige verftoets
- Maakt soms van sommige schilderijen meerdere versies om verscillende waarnemingen van het licht te laten zien
• Édouard Manet: overgangsfiguur tussen realisme en impressionisme.
• Edgar Degas: vooral bekend om zijn ballerina’s en paardenraces.
• Pierre-Auguste Renoir: schilderde vaak vrolijke scènes met mensen, zoals Bal du moulin de la Galette.
• Berthe Morisot: huiselijke scènes, vooral vrouwen & kinderen
• Camille Pissarro: kleuren opdelen (aanzet pointilisme),
• Auguste Rodine: belangrijkste beeldhouwkunstenaar, gebruik van onrgelmatige oppervlak, lichtinval —> schittering
In de muziek:
Claude Debussy componeerde muziek die net als impressionistische schilderkunst sfeer en gevoel weergaf.
Lili Boulanger
2. NEO-IMPRESSIONISME (ca. 1884-1905)
Wat is het?
Neo-impressionisme bouwde voort op het impressionisme, maar gebruikte een wetenschappelijke aanpak om kleur en licht
nog beter weer te geven.
,Nieuwe technieken:
• Pointillisme: kleine stipjes ongemengde verf, die van een afstand samensmelten tot een kleur
(Georges Seurat).
• Divisionisme: strepen ongemengde verf (Paul Signac).
Voorbeeld: Zondag op La Grande Jatte van Seurat. Dit schilderij is minder
spontaan dan impressionistische werken en heeft een strakke compositie.
3. POST-IMPRESSIONISME (ca. 1885-1910)
Wat is het?
Post-impressionisten bouwden verder op het impressionisme, maar gaven meer aandacht aan vorm, inhoud en emoties. Ze
schilderden niet alleen wat ze zagen, maar ook wat ze voelden.
Kenmerken:
• Vrijere kleuren en vormen dan impressionisten.
• Expressie van gevoelens in plaats van alleen realiteit.
Belangrijke kunstenaars:
• Vincent van Gogh: gebruikte felle, expressieve kleuren en dikke verf (impasto), zoals in De Sterrennacht. —> emotie &
beweging
• Paul Gauguin: schilderde exotische en symbolische taferelen, met vereenvoudigde vormen en warme kleuren
• Paul Cézanne: gebruikt koude en warme kleuren naast elkaar —> creeërt diepte
• Toulouse-Lautrec:
Lautrec Gauguin Cézanne van Gogh
4. SYMBOLISME (ca. 1880-1910)
Wat is het?
Symbolisme was een reactie op het realisme en naturalisme. In plaats van de zichtbare werkelijkheid wilden symbolisten de
innerlijke wereld, het mysterie en het onbewuste verbeelden.
Kenmerken:
• Fantasie, intuïtie en verbeeldingkracht
• Verleden
• Gebruik van mysterieuze symboliek.
• Kleuren als uitdrukkingsvorm van emotie + lijnen en vormen niet realistisch
• Thema’s zoals mythologie, dromen, de dood en het onderbewuste.
, Belangrijke kunstenaars:
• Gustave Moreau: schilderde mystieke, dromerige taferelen.
• Odilon Redon: werkte veel met mysterieuze en dromerige symboliek.
• Paul Gauguin
• Arnold Böcklin
Redon Gauguin. Böcklin
5. ARCHITECTUURSTROMINGEN: ART NOUVEAU, ART DECO & MODERNISME
Art Nouveau / Jugendstil (1880-1920)
In Oostenrijk en Duitsland
Geïnspireerd door de natuur (bloemen, golvende lijnen).
Bewogen lijnen: zweepslagmotief (gebruikt emoties uitdrukken)
Afkeer symmetrie
Geen strakke vormen, maar sierlijke en organische ontwerpen.
Gebruikt in architectuur, sieraden, boeken, schilderkunst, meubels en glaskunst.
Bekende architect: Victor Horta.
Art Deco (1920-1940)
= decoratieve stijl
Strakke, geometrische vormen (tegenreactie op Art Nouveau).
materialen zoals ebbenhout, bakeliet, koper en ivoor.
Vaak symmetrisch en met heldere kleuren.
Omarming van technologie
Modernisme (vanaf 1920)
Strakke en moderene, functionele ontwerpen zonder versiering.
Minimalistische uitstraling
Licht, veel open ruimte, lucht,
Materialen zoals gewapend beton, glas, bakstenen en staal.
Bekende architecten: Le Corbusier, Ludwig Mies van der Rohe, Frank Lloyd Wright.
6. EXPRESSIONISME (ca. 1905-1940)
Wat is het?
Expressionisme draait om het uitdrukken van gevoelens in plaats van de zichtbare werkelijkheid