COLLEGE 1: Tijdruimte model Hägerstrand
Capability constraints: Het concept van tijd. Bevat afspraken en het
gelimiteerde aantal tijd om iets in 24 uur te kunnen doen.
Coupling constraints: beperkingen die gebonden zijn aan punten buiten de
controle van een persoon, zoals een werk/schoolrooster.
Authority Constraints: Beperkingen die stemmen voort uit regels die bepaald
worden door instellingen.
Migratie: Verhuizing met als doel zich ergens permanent te vestigen waarbij
minimaal de laagste administratieve grens wordt overschreden. De laagste
administratieve grens in Nederland is de gemeente. (Migratie dus: Van Sittard
naar Heerlen, of van Nederland naar Nieuw-Zeeland)
Forensisme: Heen en weer reizen tussen woon- en werkgemeente. In
statistieken meegenomen als dit minimaal één maal per week op een vaste dag
gebeurt.
Mobiliteit:
1. Het gemak waarmee mensen zich verplaatsen of goederen verplaatst
worden, bijv. de frequentie en afstand (mobiliteit als in verplaatsing)
2. Verhuismobiliteit (mobiliteit als in gemak). Cijfer dat de mobiliteit van
binnenlandse verhuizingen in een bepaalde regio (gemeente, provincie,
landsdeel) weergeeft.
Bereikbaarheid: gemak waarmee je op een bepaalde plek kunt komen. Denk
hierbij ook aan disabilities.
, Vervoersprestatie: mobiliteit dat gemeten kan worden gemeten in
reizigerskilometers en tonkilometers.
Reizigerskilometers: ‘een eenheid voor de afstand die een individuele reiziger
met een bepaald vervoermiddel aflegt’.
Tonkilometers: ‘is een eenheid die in de transportgeografie en de
transporteconomie wordt gebruikt om de evolutie in het goederenverkeer aan te
geven. Eén tonkilometer is het vervoer van 1 ton over 1 kilometer.’
De positieve groei in de mobiliteit is vanaf de tweede helft van de vorige eeuw
flink toegenomen. Dit is beïnvloed door de volgende factoren:
- Ruimtelijke schaalvergroting (grotere actieradius per persoon, vervoer is
makkelijker en sneller)
- Maatschappelijke ontwikkelingen (individualisering, emancipatie,
arbeidsparticipatie en tegengaan uitsluiting
- Bevolkingstoename
- Welvaartsgroei
- Economische veranderingen (globalisering, Just-in-Time-Management
- Aanbod vervoersmogelijkheden (modaliteiteten en infrastructuur)
Infrastructuur: alle inrichtingselementen in een regio die nodig zijn om
transport en vervoer te laten plaatsvinden
Vervoerssystemen: samenhangend geheel van knooppunten en transportlijnen
(van hubs en spokes)
Zoals je hebt gezien is de grote tweedeling in het vervoer het onderscheid tussen
personen(vervoer) en goederen (transport). Bij goederen is een verdere verdeling
te maken in stukgoed en massagoed (bulk). Massagoed is nog verder te verdelen
in droge en natte bulk.
Capability constraints: Het concept van tijd. Bevat afspraken en het
gelimiteerde aantal tijd om iets in 24 uur te kunnen doen.
Coupling constraints: beperkingen die gebonden zijn aan punten buiten de
controle van een persoon, zoals een werk/schoolrooster.
Authority Constraints: Beperkingen die stemmen voort uit regels die bepaald
worden door instellingen.
Migratie: Verhuizing met als doel zich ergens permanent te vestigen waarbij
minimaal de laagste administratieve grens wordt overschreden. De laagste
administratieve grens in Nederland is de gemeente. (Migratie dus: Van Sittard
naar Heerlen, of van Nederland naar Nieuw-Zeeland)
Forensisme: Heen en weer reizen tussen woon- en werkgemeente. In
statistieken meegenomen als dit minimaal één maal per week op een vaste dag
gebeurt.
Mobiliteit:
1. Het gemak waarmee mensen zich verplaatsen of goederen verplaatst
worden, bijv. de frequentie en afstand (mobiliteit als in verplaatsing)
2. Verhuismobiliteit (mobiliteit als in gemak). Cijfer dat de mobiliteit van
binnenlandse verhuizingen in een bepaalde regio (gemeente, provincie,
landsdeel) weergeeft.
Bereikbaarheid: gemak waarmee je op een bepaalde plek kunt komen. Denk
hierbij ook aan disabilities.
, Vervoersprestatie: mobiliteit dat gemeten kan worden gemeten in
reizigerskilometers en tonkilometers.
Reizigerskilometers: ‘een eenheid voor de afstand die een individuele reiziger
met een bepaald vervoermiddel aflegt’.
Tonkilometers: ‘is een eenheid die in de transportgeografie en de
transporteconomie wordt gebruikt om de evolutie in het goederenverkeer aan te
geven. Eén tonkilometer is het vervoer van 1 ton over 1 kilometer.’
De positieve groei in de mobiliteit is vanaf de tweede helft van de vorige eeuw
flink toegenomen. Dit is beïnvloed door de volgende factoren:
- Ruimtelijke schaalvergroting (grotere actieradius per persoon, vervoer is
makkelijker en sneller)
- Maatschappelijke ontwikkelingen (individualisering, emancipatie,
arbeidsparticipatie en tegengaan uitsluiting
- Bevolkingstoename
- Welvaartsgroei
- Economische veranderingen (globalisering, Just-in-Time-Management
- Aanbod vervoersmogelijkheden (modaliteiteten en infrastructuur)
Infrastructuur: alle inrichtingselementen in een regio die nodig zijn om
transport en vervoer te laten plaatsvinden
Vervoerssystemen: samenhangend geheel van knooppunten en transportlijnen
(van hubs en spokes)
Zoals je hebt gezien is de grote tweedeling in het vervoer het onderscheid tussen
personen(vervoer) en goederen (transport). Bij goederen is een verdere verdeling
te maken in stukgoed en massagoed (bulk). Massagoed is nog verder te verdelen
in droge en natte bulk.