Tijdvak van Karel de Grote
Heersde over Frankische rijk
Tijd van monikken en ridders
5.1 leenheren en leenmannen
Het Frankische rijk
In 799 vluchtte paus Leo III naar Duitsland, hij wilde hulp van de Frankische koning
Karel de Grote omdat hij werd aangevallen, Karel liet de paus onder bescherming.
In 800 kwam Karel vervolgens zelf naar Rome, daar zette de paus in zijn eigen kerk
een gouden kroon op zijn hoofd en de paus kroonde hem tot keizer. Hiermee liet de
paus zien dat hij Karel zag als de opvolger. De franken waren een Germaans volk.
Germaanse volk ontstond in België en Frankrijk. In 768 ook Duitsland, Nederland en
Frankrijk
Karel breidde het rijk verder uit -> Oostenrijk, noord Italie en noord Spanje
Bestuur
Het Frankische rijk was er slecht aan toe
In het enorme Frankische rijk was het moeilijk om politieke zaken te overleggen
wegens de lange afstanden van het rijk dus Karel reisde zelf rond, Op die manier liet
hij ook zijn gezag zien.
Karel bestuurde zijn rijk met behulp van hertogen en graven. Dit waren hoge edelen
die door Karel waren benoemd om een gebied te besturen Als een hertog of graaf
werd benoemd , sprak hij een eed van trouw uit. .
De edelman was na zon benoeming een leenman of vazal en de koning was zijn
leenheer. Een leenman kreeg een gebied in lenen mocht er inkomsten uit halen. Hij
moest ook in het gebied rechtspreken en zorgen voor veiligheid.
Dit bestuur systeem met leenheren en leenmannen heet het leenstelsel of feodalisme
Politieke verdeeldheid
Onder de krachtige Karel was het Frankische rijk een politieke eenheid, maar na zij
dood in 814 volgde een aantal zwakkere vorsten. Onder hun gezag ontstond de
verdeeldheid en viel het rijk uiteen in 2 rijken: het west en oost-Frankische rijk.
Onder de zwakke koningen veranderde de verhouding tussen leenheren en
leenmannen. Stonden zwakke koningen toe dat het gezag van edelen over een gebied
bij hun dood automatisch overging op hun zonen. Zo werd de macht van edelen
erfelijk.
Een onveilige tijd
In de 9e en 10e eeuw was Europa minder veilig dan de tijd van Karel de Grote. Dit
kwam niet alleen door de politieke verdeeldheid, maar ook door overvallen van
roverbenden en invallen van Vikingen in de kustgebieden.
Vikingen waren Germanen uit Scandinavië die met hun lichte en snelle boten langs de
Europese kusten en rivieren kerken en stadjes aanvielen. (Vikingen plunderden ->
Wijk bij Duurstede of toen bekend als Dorestad)