licht verstandelijke beperking
Inleiding:
Een licht verstandelijke beperking (LVB) is een risicofactor (en dus niet een directe oorzaak)
voor het ontstaan en voortbestaan van verschillende problemen. Uit onderzoek blijkt dat
jeugdigen met een LVB een grotere kans hebben op het ontwikkelen van emotionele
problemen en gedragsproblemen dan jeugdigen zonder een LVB.
Om deze problemen te verminderen, zijn gedegen diagnostisch onderzoek en passende
interventies noodzakelijk. Voor professionals die werken met jeugdigen zijn er richtlijnen
ontwikkeld die hen ondersteunen in het omgaan met uiteenlopende problemen, zoals
ADHD, ernstige gedragsproblemen en stemmingsproblemen. Diagnostiek en behandeling
zijn hierbinnen belangrijke onderdelen.
De diagnostische instrumenten en interventies die bij jeugdigen zonder een LVB kunnen
worden ingezet, blijken in de praktijk echter niet of minder goed bruikbaar voor jeugdigen
met een LVB. Daarnaast zijn er voor deze jeugdigen maar heel weinig diagnostische
instrumenten en interventies beschikbaar. Daarom worden in de praktijk toch veelal de
reguliere diagnostische instrumenten en interventies ingezet, maar wel op zo’n manier dat
ze rekening houden met en aansluiten bij de kenmerken van een LVB. Dit geldt ook voor de
ondersteuning aan (jong)volwassenen.
Kenmerken van een LVB:
Er is sprake van een licht verstandelijke beperking als iemand significante beperkingen heeft
in zowel zijn intelligentie, als in adaptief gedrag, ook wel (sociaal) aanpassingsvermogen
genoemd. Adaptief gedrag kan worden onderverdeeld in conceptuele vaardigheden (zoals
taal, tijd-, getal- en geldbegrip), sociale vaardigheden (zoals communicatieve vaardigheden
en het oplossen van sociale problemen) en praktische vaardigheden (zoals persoonlijke
verzorging en gebruik van vervoer). Er is sprake van significant beperkt adaptief gedrag als
iemand tekortkomt op deze gebieden en niet voldoet aan dat wat op basis van zijn
kalenderleeftijd en in zijn cultuur verwacht wordt.
In de Nederlandse praktijk van zorgverlening aan jeugdigen met een verstandelijke
beperking geldt dat jeugdigen met een totale IQ-score tussen de 70 en 85 (die dus eigenlijk
zwakbegaafd zijn en niet verstandelijk beperkt) ook, of eigenlijk toch, van dit zorgaanbod
gebruik kunnen maken mits er sprake is van bijkomende problematiek. Het zijn namelijk
vooral de beperkingen in het sociaal aanpassingsvermogen die voor problematisch
functioneren zorgen. Ook internationaal komen de sociaal-adaptieve vaardigheden steeds
meer centraal te staan in de beeldvorming van jeugdigen met een (L)VB.
Beperkingen in het intellectueel functioneren:
Intellectueel functioneren bestaat uit de volgende vaardigheden: (abstract) denken,
oplossen van problemen, leren, vat krijgen op complexe ideeën en gebruikmaken van
ervaringen om te leren. Concreet betekent dit dat jeugdigen met een LVB meer moeite
hebben met het begrijpen van abstracte begrippen en met abstract redeneren. Hun denken
, is veelal concreet en minder snel en blijft vaker beperkt tot wat ze zich concreet kunnen
voorstellen en wat zich op dat moment afspeelt.
Voor veel jeugdigen met een LVB lijkt het leerplafond te liggen op een niveau van
halverwege de basisschool (groep 5-6). In die fase wordt over het algemeen de stap van het
concreet naar abstract denken gemaakt, wat lastiger blijkt voor jeugdigen met een LVB.
Beperkingen in informatieverwerking:
De denkprocessen van jeugdigen met een LVB verlopen langzamer dan van jeugdigen zonder
een LVB. Daardoor hebben ze meer problemen met het verwerken van aangeboden
informatie. Door een beperking van het werkgeheugen kan er minder informatie
tegelijkertijd verwerkt worden, wat bijvoorbeeld kan leiden tot problemen in het lezen of
rekenen, maar ook in het onthouden van instructies.
Met name de verwerking van verbale informatie verloopt minder goed dan het verwerken
van visueel aangeboden informatie. Bij veel jeugdigen met een LVB worden verder
problemen gezien met het scheiden van hoofd- en bijzaken. Daarnaast blijken er eveneens
problemen te zijn met het ophalen en manipuleren van informatie (kennis) uit het
langetermijngeheugen.
Beperkingen in executieve functies, metacognitie en in generalisatie van kennis:
Tot executieve functies behoren aspecten als het eerst denken dan doen, gevoelens
beheersen, het volhouden van de aandacht en concentratie en het kunnen organiseren en
plannen. Jeugdigen met een LVB hebben een beperktere aandachtsspanne dan jeugdigen
zonder een LVB en hebben meer moeite met het ordenen, rangschikken en differentiëren
van informatie.
Voor jeugdigen met een LVB is het moeilijker om de aandacht op iets specifieks te richten.
Als ze te veel informatie tegelijkertijd moeten verwerken, geeft dat meer problemen met het
prioriteren van informatie en met het afwegen van het belang ervan. Ook hebben ze meer
problemen met inhibitie; het volledig concentreren op een taak en zich niet te laten afleiden
door niet-relevante prikkels in de omgeving. Zij zullen sneller op irrelevante prikkels
reageren. Jeugdigen met een LVB hebben daarnaast ook problemen met het plannen en
organiseren van opdrachten.
Jeugdigen met een LVB blijken meer moeite te hebben met zelfregulerende vaardigheden,
zoals het reflecteren op het eigen gedrag, gedachten en gevoelens. Ze reageren daardoor
eerder vanuit een automatische dan vanuit een weloverwogen beslissing. Ook het zien van
verbanden tussen oorzaak en gevolg, en het (daardoor) kunnen vooruitzien en anticiperen
op iets, is voor hen lastiger.
Gerelateerd hieraan zijn de problemen die jeugdigen met een LVB hebben met het
generaliseren van een geleerde vaardigheid of van geleerde kennis naar andere personen,
plaatsen en situaties die niet direct gerelateerd zijn aan de situatie waarin ze die vaardigheid
of kennis hebben opgedaan. Ze hebben moeite om iets wat ze mogelijk wel weten of kunnen
ook te laten zien in een andere situatie, zoals in de thuissituatie.