Juridische aspecten van gezondheidszorg
Thema 1: Inleiding in het gezondheidsrecht
H1 Recht en gezondheidsrecht
Gezondheidsrecht: Geheel van rechtsregels dat betrekking heeft op de
gezondheid van mensen. Gebaseerd op morele principes: respect voor autonomie
+ gelijkheid.
→ Het is een horizontaal specialisme. → Bestudeerd vanuit civiel, straf-,
bestuurs- en internationaal rechtelijk perspectief.
Het is dynamisch. Nieuwe maatschappelijke of medische inzichten leiden tot
wijzigingen of nieuwe wetten.
→ Relatief jong: sinds jaren 50.
H1 Praktisch gezondheidsrecht
Recht en gezondheidsrecht
Recht = niet makkelijk te definiëren.
Praktisch recht: rechtsregels vastgelegd in wetten. Stelsel van normen en
waarden, voortvloeiend uit historie en cultuur van de gemeenschap waarin het
bestaat en waarin het product een afspiegeling is.
Horizontaal specialisme: bevat wetten speciaal voor gezondheidszorg en
algemene wetten.
Functies recht: maatschappij ordenen d.m.v. regels en kwetsbaren beschermen.
Oordelen moet doeltreffend en rechtvaardig.
Recht = pas recht als het tot gerechtigheid in de samenleving leidt. Deels
bepaald door levens- en wereldbeschouwing.
Nationaal recht: alle wetten en andere rechtsregels die door de Nederlandse
wetgever zijn vastgesteld en binnen Nederlandse landsgrenzen gelden. → Publiek
+ privaat.
Internationaal recht: internationaal publiekrecht = recht tussen staten
onderling.
Verdrag = publiekrechtelijke overeenkomst die een of meerdere staten met een
verdragsorganisatie aangaan.
Verdragsbepalingen scheppen bevoegdheden en verplichtingen tussen partners
onderling maar werken soms ook door in nationale rechtsorde: een ieder
verbindende bepaling.
Supranationaal recht = recht afkomstig van organisaties die van lidstaten een
eigen regelgevende/rechtssprekende bevoegdheid hebben gekregen: Europese
Unie bv.
→ Ook verdragen
Supranationaal + EU = communautair.
Publiekrecht regelt verhoudingen tussen overheid en maatschappij en tussen
overheidsorganen onderling.
Onderverdeeld in:
1. Staatsrecht
2. Bestuursrecht
3. Strafrecht
4. Internationaal recht
,Staatsrecht regelt indeling en bevoegdheden van staat en onderdelen
(provincies, gemeenten enz.) + stelt ook beperkingen via het grondrechten.
Grondwet (Gw) 1814, herhaaldelijk gewijzigd.
Bestuursrecht: omvat regels die overheid in acht moet nemen in relatie tot
burgers. Algemene wet bestuursrecht (Awb) vermeldt hoe overheid besluiten
moet voorbereiden en bekendmaken. Denk aan controlerende en regulerende
bevoegdheden zoals IGJ in gezondheidszorg.
Strafrecht: omschrijft welke gedragingen in welke omstandigheden onder welke
voorwaarden strafbaar zijn + welke sancties opgelegd mogen worden.
Voornaamste bron: Wetboek strafrecht (Sr) uit 1881, invoering in 1886.
Strafprocesrecht in Strafvordering (Sv): geeft bevoegdheid aan politie en justitie
in opsporing verdachte
Internationaal recht: internationaal publiekrecht = recht tussen staten
onderling, bv. verdragen.
Privaatrecht: burgerlijk/ civiel recht = regelt rechtsbetrekkingen tussen
personen, bv. geneeskundige behandelingsovereenkomst.
Regelt verhoudingen tussen personen onderling.
Persoon = drager van rechten en plichten (rechtssubject)
Natuurlijk persoon: individu
Rechtspersoon: organisatie met rechten en plichten: vereniging, stichting,
maatschappij bv., nv. Nodig voor rechtsverkeer bv. overeenkomst.
Privaatrecht grotendeels vastgelegd in Burgerlijk Wetboek:
Boek 1. Personen- en Familierecht
2. Rechtspersonen
3. Vermogensrecht algemeen
4. Erfrecht
5. Zakelijke rechten
6. Algemeen gedeelte verbintenissenrecht
7. Bijzondere overeenkomsten: (7a vervolg)
8. Verkeersmiddelen en vervoer
10. Internationaal Privaatrecht
→ gelaagd. Algemene zaken in bepaald boek, specifieke bepalingen in ander BW.
Materieel recht: Bevoegdheden en verplichtingen van deelnemers aan
rechtsverkeer; wat mag wel en wat mag niet.
Formeel recht: Procesrecht, op welke manier moet een proces worden gevoerd,
hoe worden regels toegepast.
→ Alleen rechters (de rechterlijke macht) mogen beslissingen nemen in civiele
zaken (bijvoorbeeld conflicten tussen mensen of bedrijven) en strafzaken (waar
iemand iets strafbaars heeft gedaan).
Dwingend recht: Regels waar niet van afgeweken mag worden, stelt
belangen/waarden boven vrijheid persoon om zelf te beslissen. Vooral om te
beschermen.
Nietig: Juridisch gezien bestaat afwijking als gevolg van dwingend recht niet.
Regelend recht: Afwijking van rechten waarvan partijen kunnen afwijken door
zelf een andere regeling te treffen. (testament, erfenis)
Ook aanvullend recht
Niets geregeld → dan gelden wettelijke regels
,Objectief recht: het complex van regels en voorschriften – rechtsregels incl. de
procedures – dat door de overheid met een dwingend karakter aan de
gemeenschap is opgelegd.
Subjectief recht: bevoegdheid of aanspraak die iemand in een gegeven situatie
heeft t.o.v. een ander. Moet worden ingeroepen, staat verplichting tegenover.
Vloeit voort uit objectief recht.
Grondrechten: zijn fundamentele mensenrechten uit Eeuw van de Verlichting,
Franse Revolutie, Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd → Na WOII vastgelegd in
internationale verdragen. Klassiek + Sociaal
Klassieke grondrechten: Rechten van individuen waar de staat in beginsel
geen inbreuk op mag maken.
Binnen gezondheidsrecht: gelijke behandeling + verbod op discriminatie,
onaantastbaarheid van het lichaam.
EVRM: recht op leven, verbod op onmenselijke/vernederende behandeling, recht
op vrijheid, privacy, familie en gezinsleven.
Zijn niet absoluut – kunnen onderling botsen.
Inbreuk kan gerechtvaardigd worden als:
1). voorzien bij de wet
2). noodzakelijk in democratische samenleving
3). legitiem doel dient
Rechten van anderen kúnnen inbreuk ervaren.
Sociale grondrechten: bevorderen dat de mens zich in en dankzij de
samenleving zo veel mogelijk kan ontplooien (20e eeuw).
Met opname in Grondwet (1983) is de overheid een actieve welzijnsbevorderende
functie opgelegd. Niet subjectief geformuleerd. Bv. Recht op gezondheidszorg.
Overheid verantwoordelijk voor:
- gezondheidszorg beschikbaar + toegankelijk voor iedereen
- van goede kwaliteit
- informatie is toegankelijk
- bieden van goede omstandigheden voor gezondheid (denk: drinkwater)
→ inspanningsverplichting
Rechtspleging = geheel van regels met betrekking op de organisatie van de
rechtspraak en de wijze waarop een proces verloopt.
Organisatie van de rechterlijke macht
Leden rechterlijke macht voor het leven benoemd.
Rechters onafhankelijk, geen verantwoording afleggen (moeten wel motiveren).
Trias politica: wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht van elkaar
gescheiden, om machtsconcentratie en misbruik te voorkomen.
Piramide van de rechterlijke macht
▲
│
Hoge Raad
│
Gerechtshoven
│
Rechtbanken
Verticaal: Absolute competentie
, Horizontaal: Relatieve competentie
Indeling rechtspraakorganen
- 11 Rechtbanken (arrondissementen)
- 4 Gerechtshoven: Amsterdam, Arnhem-Leeuwarden, Den Haag, ’s-
Hertogenbosch (Ressorten)
- 1 Hoge Raad: Den Haag
Territoriaal werkgebied / rechtsgebied → rechtbank = arrondissement
Ressort = gerechtshof
Rechtbanken bestaan uit 4 sectoren:
- Kanton
- Civiel
- Strafrecht
- Bestuursrecht
Eerst rechtbank = eerste aanleg, 1 of 3 rechters
Uitspraak = vonnis / beschikking
Gerechtshoven
Onderdelen: civiel recht, strafrecht, belastingrecht
Hoger beroep (appel) meervoudige kamer = raadsheren
Uitspraak = arrest
Hoge Raad (HR)
Hoogste college voor strafzaken, civiele zaken en belastingzaken. Behandelt
cassatie na hoger beroep op 2 gronden: schending/verkeerde toepassing van het
recht of vormverzuimen: niet in acht nemen van voorgeschreven procedure.
→ Hoge Raad beoordeelt alleen handelswijze van lagere rechters (niet de inhoud).
Door 3–5 rechters. Ook raadsheren arrest.
Geen fout = verwerpen cassatie. Cassatie = terug naar gerechtshof.
Hoger beroep in bestuurszaken
Centrale Raad van Beroep (CRvB): geschillen op terrein van sociale
verzekeringen, sociale voorzieningen en ambtenaren.
College van Beroep voor het bedrijfsleven (Cbb): sociaal-economisch
bestuursrecht. Gezondheidsrecht. Geschillen over mededinging en tarieven.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS): hoogste
algemene bestuursrechter van het land. Als bovengenoemden niet bevoegd zijn:
gaan over besluiten van overheid en andere colleges met openbaar gezag (hoger
beroep) bv. gezondheid: Wet BIG, Geneesmiddelenwet, Toelating zorginstellingen,
Wkkgz.
Openbaar Ministerie
OM = staatsorgaan met als voornaamste taken:
- leiding geven bij strafbare feiten
- vervolgen (bij rechter brengen) van verdachten (dagvaarden) en
- uitvoeren van strafvonnissen
- Beslist of iemand vervolgd wordt
- Opportuniteitsbeginsel (gering feit gepleegd, geen baat bij zaak, te weinig
bewijs) → zaak seponeren
- Buiten rechtspraak: verplichte zorg voor mensen met psychische stoornis,
verzoek tot curatele, bewind, mentorschap
OM kent duidelijke hiërarchie, hoogste leiding: College van procureurs-generaal
Thema 1: Inleiding in het gezondheidsrecht
H1 Recht en gezondheidsrecht
Gezondheidsrecht: Geheel van rechtsregels dat betrekking heeft op de
gezondheid van mensen. Gebaseerd op morele principes: respect voor autonomie
+ gelijkheid.
→ Het is een horizontaal specialisme. → Bestudeerd vanuit civiel, straf-,
bestuurs- en internationaal rechtelijk perspectief.
Het is dynamisch. Nieuwe maatschappelijke of medische inzichten leiden tot
wijzigingen of nieuwe wetten.
→ Relatief jong: sinds jaren 50.
H1 Praktisch gezondheidsrecht
Recht en gezondheidsrecht
Recht = niet makkelijk te definiëren.
Praktisch recht: rechtsregels vastgelegd in wetten. Stelsel van normen en
waarden, voortvloeiend uit historie en cultuur van de gemeenschap waarin het
bestaat en waarin het product een afspiegeling is.
Horizontaal specialisme: bevat wetten speciaal voor gezondheidszorg en
algemene wetten.
Functies recht: maatschappij ordenen d.m.v. regels en kwetsbaren beschermen.
Oordelen moet doeltreffend en rechtvaardig.
Recht = pas recht als het tot gerechtigheid in de samenleving leidt. Deels
bepaald door levens- en wereldbeschouwing.
Nationaal recht: alle wetten en andere rechtsregels die door de Nederlandse
wetgever zijn vastgesteld en binnen Nederlandse landsgrenzen gelden. → Publiek
+ privaat.
Internationaal recht: internationaal publiekrecht = recht tussen staten
onderling.
Verdrag = publiekrechtelijke overeenkomst die een of meerdere staten met een
verdragsorganisatie aangaan.
Verdragsbepalingen scheppen bevoegdheden en verplichtingen tussen partners
onderling maar werken soms ook door in nationale rechtsorde: een ieder
verbindende bepaling.
Supranationaal recht = recht afkomstig van organisaties die van lidstaten een
eigen regelgevende/rechtssprekende bevoegdheid hebben gekregen: Europese
Unie bv.
→ Ook verdragen
Supranationaal + EU = communautair.
Publiekrecht regelt verhoudingen tussen overheid en maatschappij en tussen
overheidsorganen onderling.
Onderverdeeld in:
1. Staatsrecht
2. Bestuursrecht
3. Strafrecht
4. Internationaal recht
,Staatsrecht regelt indeling en bevoegdheden van staat en onderdelen
(provincies, gemeenten enz.) + stelt ook beperkingen via het grondrechten.
Grondwet (Gw) 1814, herhaaldelijk gewijzigd.
Bestuursrecht: omvat regels die overheid in acht moet nemen in relatie tot
burgers. Algemene wet bestuursrecht (Awb) vermeldt hoe overheid besluiten
moet voorbereiden en bekendmaken. Denk aan controlerende en regulerende
bevoegdheden zoals IGJ in gezondheidszorg.
Strafrecht: omschrijft welke gedragingen in welke omstandigheden onder welke
voorwaarden strafbaar zijn + welke sancties opgelegd mogen worden.
Voornaamste bron: Wetboek strafrecht (Sr) uit 1881, invoering in 1886.
Strafprocesrecht in Strafvordering (Sv): geeft bevoegdheid aan politie en justitie
in opsporing verdachte
Internationaal recht: internationaal publiekrecht = recht tussen staten
onderling, bv. verdragen.
Privaatrecht: burgerlijk/ civiel recht = regelt rechtsbetrekkingen tussen
personen, bv. geneeskundige behandelingsovereenkomst.
Regelt verhoudingen tussen personen onderling.
Persoon = drager van rechten en plichten (rechtssubject)
Natuurlijk persoon: individu
Rechtspersoon: organisatie met rechten en plichten: vereniging, stichting,
maatschappij bv., nv. Nodig voor rechtsverkeer bv. overeenkomst.
Privaatrecht grotendeels vastgelegd in Burgerlijk Wetboek:
Boek 1. Personen- en Familierecht
2. Rechtspersonen
3. Vermogensrecht algemeen
4. Erfrecht
5. Zakelijke rechten
6. Algemeen gedeelte verbintenissenrecht
7. Bijzondere overeenkomsten: (7a vervolg)
8. Verkeersmiddelen en vervoer
10. Internationaal Privaatrecht
→ gelaagd. Algemene zaken in bepaald boek, specifieke bepalingen in ander BW.
Materieel recht: Bevoegdheden en verplichtingen van deelnemers aan
rechtsverkeer; wat mag wel en wat mag niet.
Formeel recht: Procesrecht, op welke manier moet een proces worden gevoerd,
hoe worden regels toegepast.
→ Alleen rechters (de rechterlijke macht) mogen beslissingen nemen in civiele
zaken (bijvoorbeeld conflicten tussen mensen of bedrijven) en strafzaken (waar
iemand iets strafbaars heeft gedaan).
Dwingend recht: Regels waar niet van afgeweken mag worden, stelt
belangen/waarden boven vrijheid persoon om zelf te beslissen. Vooral om te
beschermen.
Nietig: Juridisch gezien bestaat afwijking als gevolg van dwingend recht niet.
Regelend recht: Afwijking van rechten waarvan partijen kunnen afwijken door
zelf een andere regeling te treffen. (testament, erfenis)
Ook aanvullend recht
Niets geregeld → dan gelden wettelijke regels
,Objectief recht: het complex van regels en voorschriften – rechtsregels incl. de
procedures – dat door de overheid met een dwingend karakter aan de
gemeenschap is opgelegd.
Subjectief recht: bevoegdheid of aanspraak die iemand in een gegeven situatie
heeft t.o.v. een ander. Moet worden ingeroepen, staat verplichting tegenover.
Vloeit voort uit objectief recht.
Grondrechten: zijn fundamentele mensenrechten uit Eeuw van de Verlichting,
Franse Revolutie, Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd → Na WOII vastgelegd in
internationale verdragen. Klassiek + Sociaal
Klassieke grondrechten: Rechten van individuen waar de staat in beginsel
geen inbreuk op mag maken.
Binnen gezondheidsrecht: gelijke behandeling + verbod op discriminatie,
onaantastbaarheid van het lichaam.
EVRM: recht op leven, verbod op onmenselijke/vernederende behandeling, recht
op vrijheid, privacy, familie en gezinsleven.
Zijn niet absoluut – kunnen onderling botsen.
Inbreuk kan gerechtvaardigd worden als:
1). voorzien bij de wet
2). noodzakelijk in democratische samenleving
3). legitiem doel dient
Rechten van anderen kúnnen inbreuk ervaren.
Sociale grondrechten: bevorderen dat de mens zich in en dankzij de
samenleving zo veel mogelijk kan ontplooien (20e eeuw).
Met opname in Grondwet (1983) is de overheid een actieve welzijnsbevorderende
functie opgelegd. Niet subjectief geformuleerd. Bv. Recht op gezondheidszorg.
Overheid verantwoordelijk voor:
- gezondheidszorg beschikbaar + toegankelijk voor iedereen
- van goede kwaliteit
- informatie is toegankelijk
- bieden van goede omstandigheden voor gezondheid (denk: drinkwater)
→ inspanningsverplichting
Rechtspleging = geheel van regels met betrekking op de organisatie van de
rechtspraak en de wijze waarop een proces verloopt.
Organisatie van de rechterlijke macht
Leden rechterlijke macht voor het leven benoemd.
Rechters onafhankelijk, geen verantwoording afleggen (moeten wel motiveren).
Trias politica: wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht van elkaar
gescheiden, om machtsconcentratie en misbruik te voorkomen.
Piramide van de rechterlijke macht
▲
│
Hoge Raad
│
Gerechtshoven
│
Rechtbanken
Verticaal: Absolute competentie
, Horizontaal: Relatieve competentie
Indeling rechtspraakorganen
- 11 Rechtbanken (arrondissementen)
- 4 Gerechtshoven: Amsterdam, Arnhem-Leeuwarden, Den Haag, ’s-
Hertogenbosch (Ressorten)
- 1 Hoge Raad: Den Haag
Territoriaal werkgebied / rechtsgebied → rechtbank = arrondissement
Ressort = gerechtshof
Rechtbanken bestaan uit 4 sectoren:
- Kanton
- Civiel
- Strafrecht
- Bestuursrecht
Eerst rechtbank = eerste aanleg, 1 of 3 rechters
Uitspraak = vonnis / beschikking
Gerechtshoven
Onderdelen: civiel recht, strafrecht, belastingrecht
Hoger beroep (appel) meervoudige kamer = raadsheren
Uitspraak = arrest
Hoge Raad (HR)
Hoogste college voor strafzaken, civiele zaken en belastingzaken. Behandelt
cassatie na hoger beroep op 2 gronden: schending/verkeerde toepassing van het
recht of vormverzuimen: niet in acht nemen van voorgeschreven procedure.
→ Hoge Raad beoordeelt alleen handelswijze van lagere rechters (niet de inhoud).
Door 3–5 rechters. Ook raadsheren arrest.
Geen fout = verwerpen cassatie. Cassatie = terug naar gerechtshof.
Hoger beroep in bestuurszaken
Centrale Raad van Beroep (CRvB): geschillen op terrein van sociale
verzekeringen, sociale voorzieningen en ambtenaren.
College van Beroep voor het bedrijfsleven (Cbb): sociaal-economisch
bestuursrecht. Gezondheidsrecht. Geschillen over mededinging en tarieven.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS): hoogste
algemene bestuursrechter van het land. Als bovengenoemden niet bevoegd zijn:
gaan over besluiten van overheid en andere colleges met openbaar gezag (hoger
beroep) bv. gezondheid: Wet BIG, Geneesmiddelenwet, Toelating zorginstellingen,
Wkkgz.
Openbaar Ministerie
OM = staatsorgaan met als voornaamste taken:
- leiding geven bij strafbare feiten
- vervolgen (bij rechter brengen) van verdachten (dagvaarden) en
- uitvoeren van strafvonnissen
- Beslist of iemand vervolgd wordt
- Opportuniteitsbeginsel (gering feit gepleegd, geen baat bij zaak, te weinig
bewijs) → zaak seponeren
- Buiten rechtspraak: verplichte zorg voor mensen met psychische stoornis,
verzoek tot curatele, bewind, mentorschap
OM kent duidelijke hiërarchie, hoogste leiding: College van procureurs-generaal