Samenvatting kwalitatief
-Dataverzameling-
Vormen van interviews
• Face to face: tijdrovend, maar grote opbrengst
• Telefonisch: kost relatief weinig tijd, maar je mist vaak info
• Online: kost weinig tijd, maar je mist info en er is gebrek aan controle
• Go-along: Langere tijd doorbrengen met respondent
• Etnografisch:
Vraag-antwoord model (Tourangeau)
• Zijn een soort fases in antwoord geven in een interview
o Judgement: Alle gedachten, ideeën en herinneringen van de respondent. (wat is relevant en wat
niet?)
o Response: Het antwoord (wat wil ik vertellen?)
o Comprehension: Het begrijpen van de vraag die gesteld wordt
o Retrieval: Het terughalen (herinneren) van informatie
• Build a rapport: vertrouwen opbouwen met de respondent
Na een interview kan er sprake zijn van het "doorknob effect"
• Na de sessie herinner je je ineens iets belangrijks wat je nog had kunnen vertellen.
o Bijv na je tentamen de zaal uitlopen en ineens het juiste antwoord herinneren
Focusgroepen
• Serie van geplande discussies
• Data verzamelen door interactie tussen participanten
Kan een heterogene groep of homogene groep zijn.
5 fasen (van teamontwikkeling) → in focusgroep
1. Forming (vormingsfase): In deze eerste fase komen de groepsleden voor het eerst bij elkaar. Ze leren
elkaar kennen en proberen te begrijpen wat het doel van de groep is.
2. Storming (storm/conflict fase): In deze fase ontstaan er spanningen en conflicten binnen de groep. Leden
geven kritiek op elkaar of de werkwijze.
3. Norming (normeringsfase): De groep ontwikkelt gezamenlijke normen en waarden. Er ontstaat meer
eenheid.
4. Performing (prestatiefase): De groep functioneert effectief en werkt doelgericht samen. Iedereen weet
wat zijn/haar taak is.
5. Adjourning (afsluitfase): De groep rondt het project af en wordt ontbonden. Dit wordt soms ervaren als
een soort "dood" van de groep.
Verschillende vormen van focusgroepen
• Two-way: groep is verdeeld in 2 groepen, groep A mag discussiëren, groep B maakt aantekeningen.
• Dual moderator: 2 moderatoren (verschillende functies)
• Dueling moderator: 2 moderatoren die met elkaar in discussie gaan
• Respondent moderator: respondent krijgt en rol als moderator
• Online focusgroups: Chat room, bulletinboard focusgroep/forum
Eliticeren en topiclist
Probes & prompts
• Probe: doorvragen
• Prompt: nieuw onderwerp introduceren
,Samenvatting alle stof TOE 2025
Eliciterende materialen
• Materialen of prikkels die worden gebruikt om een specifieke reactie of gedrag uit te lokken bij een
persoon
o Vignetten
o Bestaande data
o Gemaakte data
Topiclist
• Outline van hoofdvragen, subonderwerpen en prompts/probes
Observaties - rol van de onderzoeker
Type Wat doe je? Weten mensen dat je
onderzoek doet?
Complete participant Je doet volledig mee, als onderdeel van de groep Nee (covert)
Participant observer Je doet mee, maar mensen weten dat je onderzoeker bent Ja
Observer Je observeert zonder mee te doen Ja
Covert observer Je observeert zonder mee te doen, maar in het geheim Nee
Rol van de onderzoeker - belangrijke termen
• Reactiviteit: participanten weten dat ze geobserveerd worden en tonen daarom niet hun normale gedrag
→ hawthorne effect
• Naturalisatie: na een tijdje gaan participanten weer hun normale gedrag vertonen ondanks de
aanwezigheid van de onderzoeker
• Going native: onderzoeker kan zichzelf niet meer los zien van de groep
Rol van de onderzoeker
Wat breng je al onderzoeker mee naar het onderzoek? → reflexivity
• Fixed positions: feiten
• Subjective positions: meningen
Wat te observeren?
• Primary observaties: wat je direct ziet
o Wie is er? Wat gebeurt er? Waar ben je? Wanneer gebeurt het?
o Denk aan; dag, tijd, plek, personen, handelingen.
• Secundary observaties: wat je hoort van anderen over de situatie
o Bijvoorbeeld: Een docent vertelt wat er eerder gebeurde, of een collega deelt wat hij heeft
gezien.
• Experiental data: wat je zelf voelt of denkt tijdens het observeren
o Bijvoorbeeld: je merkt dat je je ongemakkelijk voelt, of dat iets je verbaast.
• Circumstancial & background data: Wat je weet over de context of organisatie, zoals regels of gewoontes
die je niet direct kunt zien.
o Bijvoorbeeld: de cultuur van de organisatie, of ongeschreven regels.
Toegankelijkheid data
• Publieke data
o Jaarrapporten, websites, magazines, etc.
• Met toestemming
o Archieven, notulen, vergadering, etc.
• Privé
o Interne correspondentie, persoonlijke foto's, dagboeken, etc.
,Samenvatting alle stof TOE 2025
Inhoud bestaande data
• Manifest: wat je letterlijk ziet of telt à objectief, duidelijk, beschrijvend
o Hoe vaak komt het woord X voor in een krantenartikel?
o Hoeveel minuten speeltijd heeft personage X?
o Hoeveel afbeeldingen met X staan er in het tijdschrift?
• Latent: Wat er achter zit – je moet het interpreteren à Gaat om diepere betekenis of onderliggende
boodschap.
o Wat is de bedoeling of toon van woord X in een artikel?
o Hoe wordt Y voorgesteld in een tv-serie (positief, stereotiep, enz.)?
o Welke boodschap geven de afbeeldingen met Z in een magazine?
Triangulatie
• Het gebruik van meerdere methoden, bronnen of perspectieven binnen één onderzoek om de
betrouwbaarheid en validiteit van de resultaten te vergroten.
4 soorten:
1. Data
2. Methode
3. Onderzoeker
4. Theorie
o 5e soort:
5. Mixed methods (kwalitatief en kwantitatief combineren)
Etnografisch onderzoek
• Etnografisch onderzoek betekent dat je langdurig onderzoekt in de leefwereld van mensen.
• Het komt vooral voor in vakgebieden als culturele antropologie en medische antropologie.
Belangrijkste kenmerken:
• Onderzoek in de natuurlijke context
o Je bent aanwezig in het dagelijks leven van de mensen die je onderzoekt.
o Je observeert en leeft deels mee met de groep.
• Emic perspectief (insider view)
o Je probeert te begrijpen hoe mensen van binnenuit hun wereld beleven.
o Let op: gevaar van “going native” – dat je zó opgaat in de groep dat je je afstand als onderzoeker
verliest.
• Altijd triangulatie!!!
o Participerende observatie
o Interviews
o Focusgroep/bestaande data
• Gatekeepers
o Personen die je toegang geven tot het veld (of je kunnen weren).
o Voorbeeld: een kerkleider die bepaalt of je onderzoek mag doen binnen zijn gemeenschap
• Key-informants
o Belangrijke personen binnen de groep met veel kennis en invloed.
o Ze kunnen je waardevolle informatie geven over de groep.
o Ze kunnen je niet verbieden om onderzoek te doen, maar wel stoppen met praten of geen
informatie delen.
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
-Data-analyse-
Inductieve en deductieve analyse
, Samenvatting alle stof TOE 2025
Inductie: van data naar theorie
• Je begint zonder theorie.
• Je analyseert de data en formuleert daarna een theorie.
• Inductief coderen: codes ontstaan uit de data zelf.
Deductie: van theorie naar data
• Je begint met een bestaande theorie.
• Je analyseert de data om die theorie te toetsen.
• Deductief coderen: je gebruikt bestaande theorieën om vooraf codes op te stellen.
2 stappen in coderen
1. Decoding: Het herkennen van betekenis in wat mensen zeggen of doen (bijv. patronen of thema’s
opmerken).
2. Encoding: Het toekennen van labels (codes) aan die betekenisvolle stukken tekst of gedrag.
Type codes
• Attribute codes: achtergrond- of demografische informatie van de respondent
o Leeftijd, geslacht, opleiding, woonplaats, etc.
• Index codes: Geven aan waar in de data bepaalde onderwerpen worden besproken (brede generieke
topics)
o "schoolervaringen”, “sociale steun”, “gezondheid”.
• Analytic codes: Gaan een stap verder: ze geven je interpretatie of theoretische inzichten weer, betekenis
van specifieke stukken data
o “gevoel van uitsluiting”, “identiteitsontwikkeling”
Abductief proces: Abductie is het zoeken naar de beste verklaring voor iets wat je in de data ziet, door te
schakelen tussen data en theorie.
• Iteratief proces
o Er kan inductie of deductie zijn
Grounded theory benadering (GT)
• Gefundeerde theorie, het moet ondersteund worden door data
• Glaser: Je moet zonder mening en kennis het onderzoek in gaan. Je leert alles in het onderzoek
o Kan niet, als je er niks van weet kan je er geen onderzoek naar doen!
o (inductief)
• Strauss en Corbin: Je moet al voorkennis hebben
o (abductief)
Sensitizing concepts: zijn brede, abstracte ideeën die je richting geven in je onderzoek.
• Een soort lens om naar data te kijken