Vorige week vond voor het Internationaal Gerechtshof de eerste zitting plaats in de zaak ‘Application of the Convention on the Prevention
and Punishment of the Crime of Genocide (The Gambia v. Myanmar)’, aangaande ‘provisional measures’ aangevraagd door Gambia. In de
rechtszaak beschuldigt Gambia de staat Myanmar van het plegen van genocide tegen de islamitische Rohingya-minderheid.
In augustus 2017 kwam het leger van Myanmar in actie in Rakhine, een provincie van Myanmar, tegen de islamitische Rohingya-bevolking.
Volgens de regering was de operatie gericht tegen militante Rohingya, maar de Rohingya zelf spreken van een etnische zuivering van
moslims in het overwegend boeddhistische land. Er vielen velen doden en bijna een miljoen Rohingya zijn naar Bangladesh gevlucht. Bij de
aanklacht baseert Gambia zich op het VN-genocideverdrag uit 1948. Gambia en Myanmar hebben beiden het verdrag ondertekend en
geratificeerd, zonder voorbehouden.
Opdracht
Schrijf een pleitnota van maximaal 400 woorden als vertegenwoordiger van Gambia. Ga bondig in op de volgende punten:
1. de jurisdictie van het IGH
2. de bevoegdheid van Gambia om een zaak aan te spannen tegen Myanmar voor gedragingen die geen directe relatie tot de staat Gambia
hebben (ga hierbij in op de begrippen jus cogens en erga omnes)
3. de staatsaansprakelijkheid van Myanmar voor de vermeende genocidale gedragingen van het leger.
LET OP: naast de lesstof moet je hiervoor gebruik maken van de extra bronnen. Je kunt het document met de aanvullende artikelen openen
door op de onderstaande link te klikken:
In de extra bronnen staan: de artikelen uit het Genocideverdrag en een fragment uit het rapport van het Mensenrechtencomité over de
situatie in Myanmar.
Geachte leden van het Internationaal Gerechtshof,
Namens de regering van Gambia sta ik voor u betreffende het geschil tussen Gambia en Myanmar aangaande de etnische zuivering van de
Rohingya-minderheid.
Mijn cliënt beschuldigt Myanmar ervan het VN-genocideverdrag uit 1948 te hebben geschonden door de acties van het leger in augustus
2017 jegens de islamitische Rohingya-bevolking. In dit geval bent u als IGH bevoegd om kennis te nemen van het geschil, gelet op het feit
dat mijn cliënt haar aanklacht baseert op het VN-genocideverdrag, en het feit dat beide partijen het verdrag hebben ondertekend en
geratificeerd zonder voorbehouden.
In de eerste plaats dient te worden vastgesteld dat de schending van het VN-genocideverdrag een jus cogens schending betreft, hetgeen
mijn cliënt Gambia jurisdictie toekent op grond van het universaliteitsprincipe. Voordat mijn cliënt echter een zaak bij u aanhangig kan
maken, dient er sprake te zijn van staatsaansprakelijkheid vanuit de kant van Myanmar.
De staatsaansprakelijkheid van Myanmar kan op de volgende manier worden vastgesteld;
In de eerste plaats dient er sprake te zijn van toerekening van de handeling. In dit geval is het leger in actie gekomen tegen de islamitische
Rohingya-bevolking, waarbij er, volgens de Rohingya zelf, sprake is geweest van een etnische zuivering van moslims. De Staat is een
abstracte entiteit en wordt daarom vertegenwoordigd door overheidsorganen. Het leger is een dergelijk overheidsorgaan ogv artikel 7 van
het ASR. Hiermee kan de handeling van het leger dus aan de Staat Myanmar worden toegerekend.
Ten tweede dient er sprake te zijn van een geschonden norm. De ASR stelt enkel dat er een norm geschonden dient te zijn; en in dit geval is
dat artikel … van het Genocideverdrag, hetgeen tevens is bevestigd in een rapport van het Mensenrechtencomité.
Als laatste dient er te worden gekeken of er sprake is van enige rechtvaardigingsgronden voor de reeds genoemde handelingen van het
leger van Myanmar. Hierbij zijn de artikelen 20-26 van het ASR van belang. In het onderhavige geval is geen blijk van
rechtvaardigingsgronden, wat maakt dat ook aan dit vereiste is voldaan. Nu aan de drie elementen voor de staatsaansprakelijkheid is
voldaan dient er een vorm van reparatie te volgen; hetgeen op drie manieren kan welke staan geregeld in artikel 28-36 ASR staan genoemd.
Er kan in dit geval niet worden teruggekeerd naar de situatie van voor de schending; het kwaad is immers al geschiedt, wat maakt dat een
combinatie van compensatie en genoegdoening (in de vorm van excuses) ten minste op zijn plaats is.
Concluderend kan er worden gesteld dat Myanmar zich in deze zaak schuldig heeft gemaakt aan een schending van het VN-
genocideverdrag, en ik verzoek u, geachte leden van het Internationaal Gerechtshof, om Myanmar aansprakelijk te houden voor het
schenden van de regels van het internationaal recht.
, Vraag 2 – Essay (40 punten)
Casus
Catalonië is een autonome deelstaat in Spanje, met als hoofdstad Barçelona. De meerderheid van de bevolking bestaat uit Catalanen, er
wordt zowel Catalaans als Spaans gesproken en de Catalaanse cultuur kent eigen gebruiken en een eigen feestdag. De regio heeft een
autonoom Catalaans bestuur maar blijft gebonden aan de Spaanse grondwet op bijvoorbeeld het gebied van economie, cultuur en educatie.
De roep om complete onafhankelijkheid klinkt al geruime tijd en bereikte een hoogtepunt in oktober 2017 toen de Catalaanse regering een
onafhankelijkheidsreferedum organiseerde, ondanks een uitdrukkelijk verbod van de Spaanse regering. De overwegend vreedzame
protesten rond het referendum werden hard neergeslagen door de Spaanse politie. Een ruime meerderheid van 90% van de inwoners van
Catalonië stemde vóór onafhankelijkheid met een opkomst van 43%. Op 27 oktober 2017 riep de Catalaanse regering de onafhankelijkheid
uit. De Spaanse regering activeerde als reactie hierop Artikel 155 van de grondwet waarmee de autonomie van Catalonië tijdelijk werd
opgeheven. De Catalaanse premier Charles Puigdemont vluchtte naar het buitenland.
In oktober 2019 worden negen Catalaanse leiders veroordeeld tot een gevangenisstraf door het Spaanse hooggerechtshof voor hun poging
tot het uitroepen van de onafhankelijkheid van Catalonië. Zowel voor- als tegenstanders van de onafhankelijkheid gaan massaal de straat
op om te protesteren. De protesten duren tot op de dag van vandaag.
Opdracht
Je wordt door een Nederlandse krant gevraagd om als volkenrecht expert een opiniestuk te schrijven over de situatie in Catalonië. Specifiek
vragen ze je om in een goed opgebouwd betoog van maximaal 400 woorden in te gaan op de volgende stelling:
“Catalonië heeft recht op onafhankelijkheid. Nederland zou daarom de onafhankelijkheid van Catalonië moeten erkennen”
Neem een duidelijke positie in voor of tegen de gekozen stelling.
Geachte leden van de redactie,
U heeft mij gevraagd om een opiniestuk te schrijven betreffende de situatie in Catalonië, waarbij er wordt ingegaan op de stelling
“Catalonië heeft recht op onafhankelijkheid. Nederland zou daarom de onafhankelijkheid van Catalonië moeten erkennen”.
Voor Catalonië zijn er een aantal manieren om als nieuwe staat tot stand te komen. Er is voor bevolkingen namelijk een recht op
zelfbeschikking. Zelfbeschikking is namelijk niet alleen een wil van een groep mensen, maar tevens een voorrechtelijk principe; een principe
dat tevens is erkend als gewoonterecht (een van de rechtsbronnen voor het volkenrecht) en daarbij een erga omnes regel is. Het recht op
zelfbeschikking botst echter met een ander recht uit het volkenrecht, namelijk de territoriale integriteit. Wanneer Catalonië als
onafhankelijke staat gaat fungeren, en dus geen onderdeel van Spanje meer uitmaakt, dan raakt Spanje een deel van haar grondgebied
kwijt.
De klassieke zaak over zelfbeschikking is uitgesproken in de Seccession of Quebec. Hieruit is voortgevloeid dat het recht op zelfbeschikking
in de eerste plaats toekomt aan volken, hetgeen een open norm is en waarbij een bepaald gevoel van saamhorigheid in beginsel voldoende
is. Echter is er een bepaalde spanning tussen het reeds genoemde recht op territoriale integriteit van Spanje, en het zelfbeschikkingsrecht
van Catalonië, wat maakt dat het recht op zelfbeschikking in eerste instantie intern moet worden genoten, hetgeen met zich meebrengt dat
iedereen binnen de bestaande staatsgrenzen dezelfde politieke rechten en vrijheden moet genieten. Zolang dit het geval is, is er een recht
op zelfbeschikking dat intern is vervuld, en is er geen reden of noodzaak om de bestaande staat op te breken.
Soms is dit anders, en kan er een extern recht op zelfbeschikking zijn. dat is volgens het Canadese hooggerechtshof het geval bij een
koloniale overheersing, waarbij de koloniale volken altijd een recht op zelfbeschikking hebben. Er is tevens een recht op externe
zelfbeschikking in het geval van een vreemde bezetting, hetgeen het geval is wanneer er sprake is van een situatie die het resultaat is van
een oorlog waarbij een staat wordt bezet. Verder is er nog een derde geval die iets lastiger is betreffende het externe recht op
zelfbeschikking. In een dergelijk geval is er misschien een recht op externe zelfbeschikking, waarbij er geen sprake is van een bezetting of
koloniale overheersing, maar wel van zeer vergaande discriminatie of zelf apartheid, waarbij een bepaalde groep niet vrij is en niet dezelfde
rechten heeft als de recht van de bevolking.
Gelet op het bovenstaande kan de stelling “Catalonië heeft recht op onafhankelijkheid. Nederland zou daarom de onafhankelijkheid van
Catalonië moeten erkennen” niet worden verdedigd, omdat de Catalanen niet te maken hebben met vergaande racisme, koloniale
overheersing of een vreemde bezetting. Zij hebben immers dezelfde rechten en vrijheden als de rest van de Spaanse bevolking, wat maakt
dat het recht op zelfbeschikking intern kan worden vervuld, en er dus geen reden is om de staat op te breken.