Hoofdstuk 2
• De belangrijkste overheidsorganen noemen.
Gemeenten: Lokale overheid die zorgt voor zaken als jeugdzorg,
afvalinzameling, woningbouw, uitgifte van paspoorten en het onderhoud
van wegen.
Waterschappen: Beheren het water in Nederland. Ze zorgen voor veilige
dijken, zuiveren afvalwater en regelen het waterpeil.
Provincies: Houden toezicht op gemeenten en waterschappen. Ze zijn o.a.
verantwoordelijk voor ruimtelijke ordening, natuurbeheer en regionale
wegen.
Rijksoverheid (landelijke overheid): Maakt en handhaaft wetten, zorgt voor
het landelijk beleid op gebieden zoals defensie, zorg, onderwijs en
infrastructuur.
• Het verschil aangeven tussen individuele, collectieve en quasi-collectieve
goederen en van elk soort goed een voorbeeld kunnen noemen.
- Individuele goederen: goederen die uitsluitbaar zijn of uitsluitbaar
gemaakt kunnen worden. – Brood, scooter, tablet, kleding of
huurwoning.
- Collectieve goederen: Goederen die niet aan individuele personen
geleverd worden ookal hebben burgers er behoefte aan. - wegen,
straatverlichting.
- Quasi-collectieve goederen: Individuele goederen en diensten die
geleverd zouden worden door de markt, maar die worden geleverd door
de overheid – autosnelwegen, onderwijs.
-
• Het verschil uitleggen tussen de collectieve sector en de particuliere sector.
- Collectieve sector: Overheid + instellingen die geen winst willen maken.
Betaald uit betasting en premies.
- Particuliere sector: bedrijven en huishoudens. Commercieel en
winstgericht.
-
• Het verschil uitleggen tussen het omslagstelsel en het
kapitaaldekkingsstelsel.
Omslagstelsel: De premies van werkenden worden direct gebruikt om
huidige uitkeringen te betalen. (AOW)
Kapitaaldekkingsstelsel: Mensen bouwen hun eigen pensioen op via
gespaarde premies + rendement.
• Het verschil aangeven tussen de AOW en het pension.
Kenmerk AOW Pensioen
Financiering Omslagstelsel Kapitaaldekkingsstelsel
Voorwaarden Iedereen vanaf AOW- Alleen als je premie hebt
leeftijd ingelegd
Hoogte Voor iedereen gelijk Afhankelijk van inleg en
rendement
Startleeftijd Wettelijk vastgelegd Vrij instelbaar vanaf 60
(nu rond 67 jaar) jaar