Cursus 3:
Literair Taalgebruik
Leerdoelen:
Je kent een aantal kenmerken van taalgebruik in literaire teksten, hoe je deze kan herkennen
en wat voor effect/gevoel dit op jou als lezer kan zijn. Je ziet dat literaire teksten anders zijn
dan andere, omdat er een nadruk ligt op de bewuste verwoording. Je weet de verschillende
vormen van literaire mechanismes: stijlfiguren, beeldspraak, symbolen en stijlbreuken en
ironie.
1: Literaire teksten en zakelijke teksten
- In een journalistiek artikel of een leertekst is het doel informatieoverdracht. Dit
betekent dat de tekst zo makkelijk, eenduidig en begrijpelijk mogelijk wordt
geschreven.
- Literaire teksten hebben dit doel niet. Hier is de bewuste verwoording (de
manier waarop iets onder woorden wordt gebracht) erg belangrijk. Dit is te zien
door middel van: woordkeus, stijlfiguren, beeldspraak, symboliek of stijlbreuken
en ironie. Er is nadruk op de bewuste verwoording om het literaire karakter (de
stijl van de tekst) te benadrukken.
- Gerichtheid op verwoording komt ook voor bij andere vormen van teksten (e.g.
reclames)
2: Stijlfiguren
- Stijlfiguren: vaste formuleringen die gebruikt worden om een effect (e.g.
verrassing, indruk, schok etc.) op de lezer te hebben.
- Voorbeelden van veel voorkomende stijlfiguren: Tegenstelling; Herhaling;
Paradox; Opsomming; Parallellisme; Pleonasme; Tautologie; Hyperbool en
Retorische vraag.
- Tegenstelling (antithese): woorden, zinnen of grotere tekstgedeelten die
tegengesteld zijn aan elkaar. Vaak in de buurt van elkaar en worden gebruikt om
contrast te schetsen. Leven – dood, dik – dun, aardig – gemeen, goed – slecht,
zwart – wit.
- Herhaling (repetitio): een woord of woordgroep wordt (vrijwel) ongewijzigd
herhaald. Hierdoor komt er nadruk op. “Nooit, nooit, nooit zou ik dat doen!”
- Paradox: een schijnbare tegenstelling op zo een manier dat de tegengestelde
begrippen met elkaar verbonden worden. Dit laat de lezer kritisch nadenken over