Cursus 4:
Het lezen van gedichten
Leerdoelen:
Je weet wat kenmerkend is voor een gedicht en hoe je een gedicht kunt lezen. Dit bestaat uit
4 punten: de manier waarop een gedicht aan jou als lezer wordt gepresenteerd, hoe jij als
lezer samenhang in een gedicht kunt herkennen, vormkenmerken en wie er in een gedicht
aan het woord is.
1: Presentatie
- Je herkent soorten teksten vrijwel meteen, dit komt niet per se door de inhoud
maar door de presentatie.
- Gedicht: er staat veel wit van de pagina om het gedicht heen en vaak ook tussen
verschillende delen van het gedicht.
Je leest een gedicht ook anders. Een gedicht bestaat uit een aantal bij
elkaar horende versregels (Afkorting: vs.). Een groepje bij elkaar horende
versregels is een strofe. De verschillende strofen worden door middel
van witregels van elkaar gescheiden.
Versregels hoeven niet in elk gedicht altijd en overal even lang te zijn. De
dichter kan er zelf voor kiezen hoe hij zijn gedicht vorm geeft. Er zijn twee
soorten gedichten met betrekking tot de lengte van versregels:
horizontale gedichten, bestaan uit lange versregels, en verticale
gedichten, bestaan uit korte versregels.
- Enjambement: een versregel wordt (soms midden in een woord) afgebroken op
een plaats waar geen vanzelfsprekend einde is en gaat verder op de volgende
regel. Het effect is dat woorden net voor of na het enjambement nadruk of extra
betekenis krijgen.
“We huisden in het café bij regen:
een nurkse buikdanseres probeerde
een spreekpop uit. Verderop lagen
massagraven te weken. De kroegbaas”
2: Samenhang door herhaling
- Als lezer probeer je samenhang te vinden in een gedicht. Dit kan bijvoorbeeld
door herhaling. Er zijn 3 veelgebruikte vormen van herhaling: inhoudelijke