Expertmeeting 1
Kennisclip 1: Arousal, stress en angst
Arousal is een niet-emotionele toestand waarin iemand geactiveerd is en gereed is om tot actie over te gaan.
Opwinding. Toestand waarin activatie in je lichaam is (bepaald lichamelijk gevoel)
Wordt gedefinieerd op een continuüm van diepe rust naar extreme opwinding (heel veel lichamelijke activiteit, bijv
nervositeit)
Gevolgen van arousal
Centraal: toename corticale arousal - o.a. verandering in de frequentie van hersengolfpatronen. Verandering in
breinactiviteiten: CZS wordt actiever
Perifeer: toename hartfrequentie, ademfrequentie, bloeddruk, zweetsecretie, spierspanning (snel waarneembare
veranderingen)
Hormonaal: secretie adrenaline, noradrenaline, ADenoCorticoTroopHormoon (ACTH) en cortisol
Psychologisch: Gevoelens van opgewondenheid, angst, spanning, afhankelijk van de oorsprong van de
arousal-reflectie (afhankelijk van de situatie). Ook al is de definitie van arousal een niet-emotionele toestand, heeft
dit wel psychologische gevolgen.
Yerkes-Dodson Law
Je hebt een bepaalde mate van arousal/activatie nodig (dus geen diepe rust), om maximaal te presteren, maar
ook weer niet te veel (ook geen extreme opwinding). Echter, het verschilt per persoon / de taak die je uitvoert,
welke mate van arousal optimaal is.
Kritiek: Dit is alleen op muizen getest, nog geen empirisch bewijs voor mensen.
Stress treedt op als de eisen die aan iemand worden gesteld (door de omgeving) en de capaciteiten om aan die
eisen te voldoen niet meer in balans zijn. Dus de eisen worden dan groter ingeschat dan de capaciteiten. Indien
de eisen en capaciteiten in balans zijn, heb je geen stress.
VB: Je weet van tevoren dat je niet goed hebt geleerd voor het tentamen.
Hoe ontstaat stress?
Stimuli uit de omgeving zijn stressoren. Deze gaat door het
perception filter (selection) en komt dan als het ware ‘binnen’ bij de
persoon.
Primary appraisal: Je maakt een hele snelle eerste inschatting of de
stimulus dreigend is (interpretatie van de stressoren). Geen uitgebreid
proces. Indien de situatie niet als bedreigend wordt ingeschat, maar
als positief of niet relevant dan ga je geen stress ervaren. Indien het
wel als bedreigend wordt ingeschat (challenge, threat, harm/loss) dan
kom je bij:
Secondary Appraisal: Je gaat overwegen of de eisen en capaciteiten
wel of niet in balans zijn (analyse van de capaciteiten). Bij niet
voldoende resources (capaciteiten) krijg je een stressreactie:
fight-of-flight reactie
Let op deze stressreactie stelt ons puur in staat om te kunnen
handelen (heeft dus niet persé een negatieve lading, maar kan wel)
,Eustress vs. distress
Een pure stressreactie kan een gezonde/positieve stressreactie zijn (eustress). Het zorgt voor een verhoogde
arousal/opwinding waardoor je meer capaciteiten gaat vrijmaken, sneller kan bewegen en beter gaat presteren
om het maximale eruit te halen. Je hebt dan bijvoorbeeld het gevoel van “oké, nu laat ik het ook even zien”.
Een stressreactie kan ook negatief zijn (distress). De eisen zijn dan bijvoorbeeld heel hoog. Je prestaties gaan
dan juist achteruit (afhankelijk van welke taak) (fijne motoriek is bijvoorbeeld gevoeliger voor stress)
Kennisclip 2: Typen angst & stadia stressrespons
Angst is de emotionele reactie op een situatie die als bedreigend wordt ervaren, of op de anticipatie van zo’n
situatie en wordt gekenmerkt door gevoelens van onzekerheid, gespannenheid en nervositeit, zorgelijke
gedachten, en lichamelijke reacties samenhangend met activiteit van het autonome zenuwstelsel.
● Angst is een van de primaire psychologische uitkomsten van stress. Angst is dus onder andere een
reactie op stress (want stress indien is bedreigend is, zie afbeelding hierboven)
● Angst is dus een reactie die in hoge mate met arousal te maken heeft (onder andere activiteit van het
autonome zenuwstelsel), is meestal gekoppeld aan een klassieke benadering van stressreactie.
Onderscheidingen bij angst
State-trait
State anxiety = Angst bij één bepaalde situatie/toestand. De angst is situatie gedreven. Angst als toestand.
VB: rottweiler vind je eng
Trait anxiety = Je hebt een bepaalde dispositie (eigenschap)om angst te ervaren (angst is stabiel over situaties
heen). Je ziet meer situaties als bedreigend en zult daardoor vaker angst ervaren. Angst als persoonlijkheidstrek
VB: alle honden vind je eng, ook al zien ze er niet eng uit
Dimensies
Somatische angst zijn de pure standaard lichamelijke symptomen/ervaringen die bij angst komen kijken (zweten,
trillende handen) - fysiologisch
Cognitieve angst gaat over de gedachten en gevoelens die we hebben (VB: negatieve zelfspraak)
De ene persoon heeft een sterkere neiging voor somatische angst dan voor cognitieve angst of andersom. Deze
twee soorten angst treden dus niet altijd samen op, zijn dus verschillend aanwezig, maar zijn wel gerelateerd aan
elkaar.
Richting: Welk effect heeft angst op de prestatie volgens de persoon?
Angst kan zowel positieve of negatieve effecten hebben (geldt voor zowel cognitieve als somatische angst)
Let op: zie de kruisende lijnen
, Drive theorie: hoe meer angst, hoe beter je gaat presteren (positieve
wedstrijdspanning) bij taken die je goed beheerst.
● Onwaarschijnlijk
Inverted-U: relatie tussen arousal en prestatie volgens de
omgekeerde-U-hypothese (dus bergparabool). Beetje arousal zorgt voor betere
prestatie, maar als de angst/arousal heel hoog is, gaat de prestatie achteruit.
Voor makkelijke taken heb je meer arousal/inspanning nodig om goed te
presteren. Voor moeilijke taken heb je minder spanning/arousal nodig.
● Waarschijnlijker
In onderstaand plaatje wordt gekeken naar de inverted-U bij verschillende
soorten taken. Bij verschillende taken heb je verschillende angstniveaus die je
goed of minder goed laten presteren.
Hoe fijn motorischer de taken zijn, hoe minder arousal je nodig
hebt. Dus voor golfputten - blokkeren - touwtrekken, is een
toenemende mate van arousal nodig om optimaal te presteren.
Samenvattend:
Angst als toestand maar ook als persoonlijkheidstrek
(incidenten en stabiliteit)
Cognitieve angst (in je hoofd) en somatisch (lichamelijke reacties)
Beide toestanden (cognitief en somatisch) kunnen zowel positieve
als negatieve effecten hebben, hangt af van de moeilijkheid van
taak en hoe fijn motorisch de taak is.
Arousal Stress Angst
Activiteit, zowel centraal als perifeer, als Ervaren van een disbalans tussen eisen en Reactie op bedreigende situatie
reactie op een grote hoeveelheid externe capaciteiten (zoals de persoon die waarneemt)
en/of interne prikkels Bij angst altijd een arousal-reactie
Arousal-reactie maakt deel uit van de
Als eendimensionaal begrip variërend op
stressrespons Bij angst sprake van disbalans tussen
een schaal van slaperig/sloom tot
waargenomen eisen en capaciteiten,
maximaal opgewonden
Niet bij elk arousal-reactie is sprake van iets wat de persoon ervaart als
disbalans (dus stress) bedreigend
Als meerdimensionaal begrip variërend
wat betreft intensiteit, oorzaken en
De dreiging kan zowel het psychisch
manifestaties en de daaraan gekoppelde
als fysiek welzijn betreffen
gevoelens en ervaringen.
● Fijne motoriek is gevoeliger voor stress
, Kennisclip 3: Catastrophe model
Catastrofetheorie: Laat zien hoe angst invloed heeft op prestatie. In dit model werken de somatische en
cognitieve angst samen (deze bestaan wel op verschillende assen).
Catastrofemodel
Dit model laat de invloed van cognitieve angst, fysiologische arousal en de combinatie van beide op de prestatie
zien. Op de x-as staat de fysiologische arousal (angst), op de y-as de prestatie en op de z-as de cognitieve angst.
● Beide laag: bij lage cognitieve én lage fysiologische arousal dan is de prestatie redelijk.
● 1 van de 2 hoog: Indien er geen cognitieve angst is en je verhoogt de fysiologische arousal: inverted-U:
prestatie gaat eerst een beetje vooruit, daarna beetje achteruit. Of andersom bij geen fysiologisch en je
verhoogt cognitief. Zie lijnen evenwijdig aan x-as en z-as.
● Beide hoog: Prestatie in eerste instantie beter, en dan opeens valt het in elkaar (enorme
prestatievermindering) en zit je echt in een negatieve toestand (zie de S-vorm in het midden van de
grafiek)
➔ Dus hoge somatische of cognitieve angst vermindert de prestatie, maar pas bij beide heb je echt
drastische prestatievermindering.
Het model over de tijd gezien
In een goede, stabiele toestand is de invloed van een stressor niet heel groot. Er verandert niet veel en je herstelt
snel.
Indien je in een bepaalde tijd meer tegenslagen ervaart en je dus in een minder stabiele toestand (instabiel) zit,
dan kan een kleine toevoeging van een stressor al zorgen dat het naar een mindere/slechte toestand gaat.
Kennisclip 1: Arousal, stress en angst
Arousal is een niet-emotionele toestand waarin iemand geactiveerd is en gereed is om tot actie over te gaan.
Opwinding. Toestand waarin activatie in je lichaam is (bepaald lichamelijk gevoel)
Wordt gedefinieerd op een continuüm van diepe rust naar extreme opwinding (heel veel lichamelijke activiteit, bijv
nervositeit)
Gevolgen van arousal
Centraal: toename corticale arousal - o.a. verandering in de frequentie van hersengolfpatronen. Verandering in
breinactiviteiten: CZS wordt actiever
Perifeer: toename hartfrequentie, ademfrequentie, bloeddruk, zweetsecretie, spierspanning (snel waarneembare
veranderingen)
Hormonaal: secretie adrenaline, noradrenaline, ADenoCorticoTroopHormoon (ACTH) en cortisol
Psychologisch: Gevoelens van opgewondenheid, angst, spanning, afhankelijk van de oorsprong van de
arousal-reflectie (afhankelijk van de situatie). Ook al is de definitie van arousal een niet-emotionele toestand, heeft
dit wel psychologische gevolgen.
Yerkes-Dodson Law
Je hebt een bepaalde mate van arousal/activatie nodig (dus geen diepe rust), om maximaal te presteren, maar
ook weer niet te veel (ook geen extreme opwinding). Echter, het verschilt per persoon / de taak die je uitvoert,
welke mate van arousal optimaal is.
Kritiek: Dit is alleen op muizen getest, nog geen empirisch bewijs voor mensen.
Stress treedt op als de eisen die aan iemand worden gesteld (door de omgeving) en de capaciteiten om aan die
eisen te voldoen niet meer in balans zijn. Dus de eisen worden dan groter ingeschat dan de capaciteiten. Indien
de eisen en capaciteiten in balans zijn, heb je geen stress.
VB: Je weet van tevoren dat je niet goed hebt geleerd voor het tentamen.
Hoe ontstaat stress?
Stimuli uit de omgeving zijn stressoren. Deze gaat door het
perception filter (selection) en komt dan als het ware ‘binnen’ bij de
persoon.
Primary appraisal: Je maakt een hele snelle eerste inschatting of de
stimulus dreigend is (interpretatie van de stressoren). Geen uitgebreid
proces. Indien de situatie niet als bedreigend wordt ingeschat, maar
als positief of niet relevant dan ga je geen stress ervaren. Indien het
wel als bedreigend wordt ingeschat (challenge, threat, harm/loss) dan
kom je bij:
Secondary Appraisal: Je gaat overwegen of de eisen en capaciteiten
wel of niet in balans zijn (analyse van de capaciteiten). Bij niet
voldoende resources (capaciteiten) krijg je een stressreactie:
fight-of-flight reactie
Let op deze stressreactie stelt ons puur in staat om te kunnen
handelen (heeft dus niet persé een negatieve lading, maar kan wel)
,Eustress vs. distress
Een pure stressreactie kan een gezonde/positieve stressreactie zijn (eustress). Het zorgt voor een verhoogde
arousal/opwinding waardoor je meer capaciteiten gaat vrijmaken, sneller kan bewegen en beter gaat presteren
om het maximale eruit te halen. Je hebt dan bijvoorbeeld het gevoel van “oké, nu laat ik het ook even zien”.
Een stressreactie kan ook negatief zijn (distress). De eisen zijn dan bijvoorbeeld heel hoog. Je prestaties gaan
dan juist achteruit (afhankelijk van welke taak) (fijne motoriek is bijvoorbeeld gevoeliger voor stress)
Kennisclip 2: Typen angst & stadia stressrespons
Angst is de emotionele reactie op een situatie die als bedreigend wordt ervaren, of op de anticipatie van zo’n
situatie en wordt gekenmerkt door gevoelens van onzekerheid, gespannenheid en nervositeit, zorgelijke
gedachten, en lichamelijke reacties samenhangend met activiteit van het autonome zenuwstelsel.
● Angst is een van de primaire psychologische uitkomsten van stress. Angst is dus onder andere een
reactie op stress (want stress indien is bedreigend is, zie afbeelding hierboven)
● Angst is dus een reactie die in hoge mate met arousal te maken heeft (onder andere activiteit van het
autonome zenuwstelsel), is meestal gekoppeld aan een klassieke benadering van stressreactie.
Onderscheidingen bij angst
State-trait
State anxiety = Angst bij één bepaalde situatie/toestand. De angst is situatie gedreven. Angst als toestand.
VB: rottweiler vind je eng
Trait anxiety = Je hebt een bepaalde dispositie (eigenschap)om angst te ervaren (angst is stabiel over situaties
heen). Je ziet meer situaties als bedreigend en zult daardoor vaker angst ervaren. Angst als persoonlijkheidstrek
VB: alle honden vind je eng, ook al zien ze er niet eng uit
Dimensies
Somatische angst zijn de pure standaard lichamelijke symptomen/ervaringen die bij angst komen kijken (zweten,
trillende handen) - fysiologisch
Cognitieve angst gaat over de gedachten en gevoelens die we hebben (VB: negatieve zelfspraak)
De ene persoon heeft een sterkere neiging voor somatische angst dan voor cognitieve angst of andersom. Deze
twee soorten angst treden dus niet altijd samen op, zijn dus verschillend aanwezig, maar zijn wel gerelateerd aan
elkaar.
Richting: Welk effect heeft angst op de prestatie volgens de persoon?
Angst kan zowel positieve of negatieve effecten hebben (geldt voor zowel cognitieve als somatische angst)
Let op: zie de kruisende lijnen
, Drive theorie: hoe meer angst, hoe beter je gaat presteren (positieve
wedstrijdspanning) bij taken die je goed beheerst.
● Onwaarschijnlijk
Inverted-U: relatie tussen arousal en prestatie volgens de
omgekeerde-U-hypothese (dus bergparabool). Beetje arousal zorgt voor betere
prestatie, maar als de angst/arousal heel hoog is, gaat de prestatie achteruit.
Voor makkelijke taken heb je meer arousal/inspanning nodig om goed te
presteren. Voor moeilijke taken heb je minder spanning/arousal nodig.
● Waarschijnlijker
In onderstaand plaatje wordt gekeken naar de inverted-U bij verschillende
soorten taken. Bij verschillende taken heb je verschillende angstniveaus die je
goed of minder goed laten presteren.
Hoe fijn motorischer de taken zijn, hoe minder arousal je nodig
hebt. Dus voor golfputten - blokkeren - touwtrekken, is een
toenemende mate van arousal nodig om optimaal te presteren.
Samenvattend:
Angst als toestand maar ook als persoonlijkheidstrek
(incidenten en stabiliteit)
Cognitieve angst (in je hoofd) en somatisch (lichamelijke reacties)
Beide toestanden (cognitief en somatisch) kunnen zowel positieve
als negatieve effecten hebben, hangt af van de moeilijkheid van
taak en hoe fijn motorisch de taak is.
Arousal Stress Angst
Activiteit, zowel centraal als perifeer, als Ervaren van een disbalans tussen eisen en Reactie op bedreigende situatie
reactie op een grote hoeveelheid externe capaciteiten (zoals de persoon die waarneemt)
en/of interne prikkels Bij angst altijd een arousal-reactie
Arousal-reactie maakt deel uit van de
Als eendimensionaal begrip variërend op
stressrespons Bij angst sprake van disbalans tussen
een schaal van slaperig/sloom tot
waargenomen eisen en capaciteiten,
maximaal opgewonden
Niet bij elk arousal-reactie is sprake van iets wat de persoon ervaart als
disbalans (dus stress) bedreigend
Als meerdimensionaal begrip variërend
wat betreft intensiteit, oorzaken en
De dreiging kan zowel het psychisch
manifestaties en de daaraan gekoppelde
als fysiek welzijn betreffen
gevoelens en ervaringen.
● Fijne motoriek is gevoeliger voor stress
, Kennisclip 3: Catastrophe model
Catastrofetheorie: Laat zien hoe angst invloed heeft op prestatie. In dit model werken de somatische en
cognitieve angst samen (deze bestaan wel op verschillende assen).
Catastrofemodel
Dit model laat de invloed van cognitieve angst, fysiologische arousal en de combinatie van beide op de prestatie
zien. Op de x-as staat de fysiologische arousal (angst), op de y-as de prestatie en op de z-as de cognitieve angst.
● Beide laag: bij lage cognitieve én lage fysiologische arousal dan is de prestatie redelijk.
● 1 van de 2 hoog: Indien er geen cognitieve angst is en je verhoogt de fysiologische arousal: inverted-U:
prestatie gaat eerst een beetje vooruit, daarna beetje achteruit. Of andersom bij geen fysiologisch en je
verhoogt cognitief. Zie lijnen evenwijdig aan x-as en z-as.
● Beide hoog: Prestatie in eerste instantie beter, en dan opeens valt het in elkaar (enorme
prestatievermindering) en zit je echt in een negatieve toestand (zie de S-vorm in het midden van de
grafiek)
➔ Dus hoge somatische of cognitieve angst vermindert de prestatie, maar pas bij beide heb je echt
drastische prestatievermindering.
Het model over de tijd gezien
In een goede, stabiele toestand is de invloed van een stressor niet heel groot. Er verandert niet veel en je herstelt
snel.
Indien je in een bepaalde tijd meer tegenslagen ervaart en je dus in een minder stabiele toestand (instabiel) zit,
dan kan een kleine toevoeging van een stressor al zorgen dat het naar een mindere/slechte toestand gaat.