ML Hoorcollege 1: Inleiding Motorisch leren
Relatie opvatting over bewegingssturing en motorisch leren
Casus 1: differentieel leren (hockeybal bespelen met ogen, links vasthouden, tussen benen, laag vasthouden)
Differentieel leren = Leren met veel variatie tussen uitvoeringen. Elke poging is anders. Afwisseling die je
uiteindelijk niet in de doelpraktijk tegen zal komen.
Effectief ja: algemene controle gaat omhoog, je leert een brede motorische basis
Effectief nee: je wordt er flexibel van (kunt met meerdere bewegingssituaties omgaan), maar je oefent iets wat
je niet hoeft te kunnen.
Casus 2: eyegym (cijfers in korte tijd kunnen zien en onthouden, om reactietijd te trainen). Beter leren
beslissen in spelsituaties als je visuele training doet.
Effectief: je kan sneller dingen zien, waardoor je langer de tijd hebt om een beslissing te nemen, waardoor
deze beslissing beter kan zijn.
Niet effectief: misschien wel beter leren waarnemen, maar weet niet of het nut heeft om beslissingen te
nemen. Beter en sneller beslissen zijn twee verschillende dingen. Daarnaast geldt dat het toepassen op cijfers
misschien niet het effect heeft in het veld.
Casus 3: feedback keerpunt zwemmen
Helpt het om een ervaren zwemmer precieze feedback te geven over afzetkrachten (met krachtendiagram
bijv)?
Effectief ja: kennis over hoe je beweegt kan helpen om je bewegingssturing te herkennen en verbeteren.
Feedback is nodig om beter te worden
Effectief nee: de feedback is veel te specifiek. Coach zou het moeten vertalen naar een praktische uitleg. Het
grootste deel van de bewegingsaansturing loopt onbewust. Te veel focus op een getalletje kan ervoor zorgen
dat je vast komt te zitten (automatisering van de beweging wordt beïnvloed).
Theoretische benaderingen en gerelateerde praktische thema’s
Bepaalde benaderingen hebben andere ideeën bij hoe geoefend moet worden.
Motorisch leren: Een proces dat leidt tot relatief duurzame veranderingen in het gedragspotentieel als gevolg
van specifieke ervaringen met de omgeving.
oorzaak: specifieke ervaringen (oefenen)
gevolg: relatief duurzame veranderingen (betere bewegingssturing)
● Motorisch leren is afhankelijk van de taak, de persoon en de context
,Belang van retentie en transfer bij motorisch leren
Deze tabel laat 3 verschillende manieren van oefenen zien. Tijdens het eerste gedeelte tot aan nummer zes
vindt acquisition (acquisitie) plaats. Dit is de verwerkingsfase, de fase waarin geleerd wordt (het
oefenmoment). Dan staat er transfer, dit houdt in hoe specifiek het geleerde is (er is op deze manier
geoefend, maar als men dan in een net andere situatie komt, kunnen ze het dan ook of is het geleerde daar te
specifiek voor). Lukt het bijvoorbeeld nog steeds om een taak uit te voeren als de afstand 2x groter is of onder
een stressvolle situatie, kan de handeling dan nog steeds worden uitgevoerd? Zo ja, dan is de transfer hoog.
Daarnaast zul je moeten kijken of na een tijdje de handeling nog steeds met een hoge score kan worden
uitgevoerd (duurzaam). Zo ja, dan is het niet alleen een prestatieverbetering maar heb je ook geleerd. Bij een
hoge retentie kun je het na een tijdje nog steeds en dan pas spreek je van dat je iets geleerd hebt.
Prestatie tijdens training hoeft dus niet iets te zeggen over of iets wel of niet geleerd is. Je ziet dan een
oefeneffect of prestatieverschil, pas als er sprake is van retentie spreek je van iets leren. Maar je kunt dus ook
veel oefeneffect hebben (hoge lijn bij acquisitie), maar weinig retentie. Het motorisch presteren is dan hoog
maar motorisch leren niet.
→ Het proces dat verantwoordelijk is voor behoud (retentie) van het kunnen uitvoeren verschilt van die voor
het oefenen van de taak (acquisition). Je kunt heel veel oefenen en het dan goed kunnen, maar het niet
geleerd hebben omdat je het na een tijdje niet meer kan.
De posttest is het moment na nummer zes.
retentietest < posttest: het oefenen heeft geen effect gehad op het langetermijngeheugen. Veranderingen in
het neuro gebied hebben misschien nog niet plaatsgevonden.
retentietest > posttest: het oefenen heeft wel effect gehad op het langetermijngeheugen, of tijdens het
oefenen was je zo moe dat de prestatie toen lager was dan na een tijdje rust.
Retentie: het vermogen om een geleerde vaardigheid vast te houden en opnieuw uit te voeren na een
bepaalde periode zonder oefenen. Het gaat dus om de "bewaring" van wat is geleerd. Bij een goede retentie is
de vaardigheid blijvend beschikbaar in het geheugen voor de langetermijn.
Transfer: Transfer verwijst naar het vermogen om een geleerde vaardigheid of kennis toe te passen in een
andere, nieuwe situatie. maakt het mogelijk om vaardigheden in andere contexten te gebruiken en te
combineren, wat vooral waardevol is voor flexibele en complexe taken.
Near transfer: Near transfer betekent dat een geleerde vaardigheid kan worden toegepast in een
situatie die sterk lijkt op de oorspronkelijke leersituatie. Het gaat om een kleine verandering in context of taak
die maar een kleine aanpassing vraagt.
Far transfer: Far transfer houdt in dat een geleerde vaardigheid wordt toegepast in een heel andere
situatie of taak dan de oorspronkelijke leersituatie. Hier is de transfer minder vanzelfsprekend en vereist het
vaak meer flexibiliteit en aanpassing om de nieuwe taak succesvol uit te voeren.
verwering (acquisition): proces waarin mensen nieuwe bewegingen en vaardigheden aanleren, verbeteren en
automatiseren door middel van oefening en ervaring.
consolidatie: (proces waarin een nieuwe beweging of motorische vaardigheid wordt gestabiliseerd en
geïntegreerd in het geheugen. Dit betekent dat een vaardigheid niet alleen wordt geleerd, maar ook duurzaam
en efficiënt kan worden uitgevoerd, zelfs na een onderbreking of in nieuwe situatie),
,Online learning: Online learning vindt plaats tijdens de uitvoering en directe oefening van een taak. Het gaat
om de onmiddellijke aanpassing en verbetering die gebeurt terwijl je actief bezig bent met het leren van een
vaardigheid.
Offline learning: verbetering en consolidatie van een vaardigheid dat plaatsvindt tussen oefensessies, zonder
dat je actief met de taak bezig bent. Dit kan plaatsvinden tijdens rust of slaap, wanneer de hersenen het
geleerde verwerken en opslaan in het lange-termijngeheugen. Tijdens offline learning stabiliseren en
versterken de neurale verbindingen die tijdens online learning zijn gevormd. Dit is vooral belangrijk voor de
langdurige retentie. Iemand oefent een sporttechniek overdag en merkt dat hij de bewegingen beter en
natuurlijker uitvoert de volgende dag, zelfs zonder extra oefening. De vaardigheid is "offline" verder verbeterd
Een combinatie van offline en online learning is nodig om een taak snel en langdurig te beheersen
Motor skill consolidation: het proces waarbij motorische vaardigheden worden getransformeerd van een
aanvankelijk fragiele staat, waarin ze bijzonder vatbaar zijn voor verstoring of verlies, naar een meer solide of
permanente staat.
Fysieke oefening wordt al lange tijd beschouwd als de belangrijkste factor in het verwerven van motorische
vaardigheden. Recent bewijs toont echter aan dat de neurobiologische veranderingen die leren ondersteunen
niet plaatsvinden tijdens de fysieke oefening zelf. De veranderingen vereisen complexe hersenreorganisatie,
wat tijd kost en vaak verder gaat dan de oefensessies zelf.
Deliberate practise (doelbewust oefenen) (Ericsson, 1993)
1. Uren maken (talent heeft wel invloed, maar vooral uren maken)
2. Gericht oefenen:
● Doel: verbeteren prestatie (gericht op vernieuwing) en zorgen voor expertise
● Aandacht voor feedback (goede trainers)
● Sterke focus van aandacht
● Specifiek oefenen (relevant voor doel)
➔ Vaak gerelateerd aan vroege specialisatie
“Zo optimaal mogelijk leren en verbeteren van prestaties kan plaatsvinden door training aan te bieden waarbij
individuen gefocust moeten zijn, veel moeite doen, specifiek en relevant trainen, waarbij ze gemotiveerd zijn
om te oefenen omdat oefening de prestatie verbetert”
Nadeel: heel specifiek trainen kan misschien leiden tot een lage transfer (dat de training in een andere
situatie geen effect heeft gehad). Hoe specifiek moeten ervaringen getraind worden? Moet het geleerde
overeenkomen met wat je moet kunnen of kan dat ook anders zijn.
Deliberate play (spelend leren) (Côté, 1999)
Doel: zoveel mogelijk plezier hebben, niet persé beter worden
“Activiteiten die plaatsvinden in de vroege ontwikkeling (jonge kinderen) waarbij sprake is van intrinsieke
motivatie, onmiddellijk beloning (niet pas later er voordeel van hebben, maar juist nu op het moment) en de
activiteiten zijn specifiek ontworpen om plezier te maximaliseren.”
Intrinsieke motivatie, informeel, aangepaste regels, experimenten, exploreren (onderzoeken) & flexibiliteit.
→ Vaak gerelateerd aan vroege diversificatie (het tegenovergestelde van specificatie) (‘early sampling:
kinderen de mogelijkheid te geven om veel verschillende sporten te doen ipv early specialization
Belang van oefening
● Developmental model of sport participation (Côté, 2007): 3 verschillende routes
Links: Diversificatie in sport: Deze route benadrukt de waarde van het verkennen van verschillende sporten en
activiteiten. Het doel is om een brede basis van vaardigheden te ontwikkelen door te participeren in diverse
recreatieve sporten voordat men zich op een specifieke sport richt. Dit kan leiden tot plezier en betrokkenheid
bij een breed scala aan activiteiten.
Midden: Topniveau door diversificatie: Deze route suggereert dat atleten die een brede basis van vaardigheden
hebben ontwikkeld via diversificatie uiteindelijk op topniveau kunnen presteren in een specifieke sport. Het
, idee is dat de variatie in training en ervaring hen beter voorbereidt op de uitdagingen van een specifieke
sport.
rechts: Topniveau door vroege specialisatie: Dit pad richt zich op atleten die zich vroegtijdig op één specifieke
sport concentreren. Het idee hier is dat intensieve, gerichte training in een vroege fase kan leiden tot
uitmuntendheid in die specifieke sport, maar kan ook risico's met zich meebrengen, zoals een verhoogd risico
op blessures en burn-out
The development of skill in sport: twee benaderingen van talentontwikkeling
1. Doelbewust, vroege specialisatie (deliberate practise)
2. Laat specialisatie model dat rekening houdt met psychosociale variabelen (het leuk vinden
bijv/spelen) en het aanbieden van verschillende sporten in de kindertijd (middelste route hierboven)
● Traditioneel model Motorisch leerproces binnen een vaardigheid (Fitts & Posner, 1967)
1. Cognitive stage (understanding & learning)
- Stap voor stap oefenen
- Veel aandacht voor nodig
- Neigt om een oefening eerst rustig uit te voeren
- Veel feedback nodig van de trainer
Relatie opvatting over bewegingssturing en motorisch leren
Casus 1: differentieel leren (hockeybal bespelen met ogen, links vasthouden, tussen benen, laag vasthouden)
Differentieel leren = Leren met veel variatie tussen uitvoeringen. Elke poging is anders. Afwisseling die je
uiteindelijk niet in de doelpraktijk tegen zal komen.
Effectief ja: algemene controle gaat omhoog, je leert een brede motorische basis
Effectief nee: je wordt er flexibel van (kunt met meerdere bewegingssituaties omgaan), maar je oefent iets wat
je niet hoeft te kunnen.
Casus 2: eyegym (cijfers in korte tijd kunnen zien en onthouden, om reactietijd te trainen). Beter leren
beslissen in spelsituaties als je visuele training doet.
Effectief: je kan sneller dingen zien, waardoor je langer de tijd hebt om een beslissing te nemen, waardoor
deze beslissing beter kan zijn.
Niet effectief: misschien wel beter leren waarnemen, maar weet niet of het nut heeft om beslissingen te
nemen. Beter en sneller beslissen zijn twee verschillende dingen. Daarnaast geldt dat het toepassen op cijfers
misschien niet het effect heeft in het veld.
Casus 3: feedback keerpunt zwemmen
Helpt het om een ervaren zwemmer precieze feedback te geven over afzetkrachten (met krachtendiagram
bijv)?
Effectief ja: kennis over hoe je beweegt kan helpen om je bewegingssturing te herkennen en verbeteren.
Feedback is nodig om beter te worden
Effectief nee: de feedback is veel te specifiek. Coach zou het moeten vertalen naar een praktische uitleg. Het
grootste deel van de bewegingsaansturing loopt onbewust. Te veel focus op een getalletje kan ervoor zorgen
dat je vast komt te zitten (automatisering van de beweging wordt beïnvloed).
Theoretische benaderingen en gerelateerde praktische thema’s
Bepaalde benaderingen hebben andere ideeën bij hoe geoefend moet worden.
Motorisch leren: Een proces dat leidt tot relatief duurzame veranderingen in het gedragspotentieel als gevolg
van specifieke ervaringen met de omgeving.
oorzaak: specifieke ervaringen (oefenen)
gevolg: relatief duurzame veranderingen (betere bewegingssturing)
● Motorisch leren is afhankelijk van de taak, de persoon en de context
,Belang van retentie en transfer bij motorisch leren
Deze tabel laat 3 verschillende manieren van oefenen zien. Tijdens het eerste gedeelte tot aan nummer zes
vindt acquisition (acquisitie) plaats. Dit is de verwerkingsfase, de fase waarin geleerd wordt (het
oefenmoment). Dan staat er transfer, dit houdt in hoe specifiek het geleerde is (er is op deze manier
geoefend, maar als men dan in een net andere situatie komt, kunnen ze het dan ook of is het geleerde daar te
specifiek voor). Lukt het bijvoorbeeld nog steeds om een taak uit te voeren als de afstand 2x groter is of onder
een stressvolle situatie, kan de handeling dan nog steeds worden uitgevoerd? Zo ja, dan is de transfer hoog.
Daarnaast zul je moeten kijken of na een tijdje de handeling nog steeds met een hoge score kan worden
uitgevoerd (duurzaam). Zo ja, dan is het niet alleen een prestatieverbetering maar heb je ook geleerd. Bij een
hoge retentie kun je het na een tijdje nog steeds en dan pas spreek je van dat je iets geleerd hebt.
Prestatie tijdens training hoeft dus niet iets te zeggen over of iets wel of niet geleerd is. Je ziet dan een
oefeneffect of prestatieverschil, pas als er sprake is van retentie spreek je van iets leren. Maar je kunt dus ook
veel oefeneffect hebben (hoge lijn bij acquisitie), maar weinig retentie. Het motorisch presteren is dan hoog
maar motorisch leren niet.
→ Het proces dat verantwoordelijk is voor behoud (retentie) van het kunnen uitvoeren verschilt van die voor
het oefenen van de taak (acquisition). Je kunt heel veel oefenen en het dan goed kunnen, maar het niet
geleerd hebben omdat je het na een tijdje niet meer kan.
De posttest is het moment na nummer zes.
retentietest < posttest: het oefenen heeft geen effect gehad op het langetermijngeheugen. Veranderingen in
het neuro gebied hebben misschien nog niet plaatsgevonden.
retentietest > posttest: het oefenen heeft wel effect gehad op het langetermijngeheugen, of tijdens het
oefenen was je zo moe dat de prestatie toen lager was dan na een tijdje rust.
Retentie: het vermogen om een geleerde vaardigheid vast te houden en opnieuw uit te voeren na een
bepaalde periode zonder oefenen. Het gaat dus om de "bewaring" van wat is geleerd. Bij een goede retentie is
de vaardigheid blijvend beschikbaar in het geheugen voor de langetermijn.
Transfer: Transfer verwijst naar het vermogen om een geleerde vaardigheid of kennis toe te passen in een
andere, nieuwe situatie. maakt het mogelijk om vaardigheden in andere contexten te gebruiken en te
combineren, wat vooral waardevol is voor flexibele en complexe taken.
Near transfer: Near transfer betekent dat een geleerde vaardigheid kan worden toegepast in een
situatie die sterk lijkt op de oorspronkelijke leersituatie. Het gaat om een kleine verandering in context of taak
die maar een kleine aanpassing vraagt.
Far transfer: Far transfer houdt in dat een geleerde vaardigheid wordt toegepast in een heel andere
situatie of taak dan de oorspronkelijke leersituatie. Hier is de transfer minder vanzelfsprekend en vereist het
vaak meer flexibiliteit en aanpassing om de nieuwe taak succesvol uit te voeren.
verwering (acquisition): proces waarin mensen nieuwe bewegingen en vaardigheden aanleren, verbeteren en
automatiseren door middel van oefening en ervaring.
consolidatie: (proces waarin een nieuwe beweging of motorische vaardigheid wordt gestabiliseerd en
geïntegreerd in het geheugen. Dit betekent dat een vaardigheid niet alleen wordt geleerd, maar ook duurzaam
en efficiënt kan worden uitgevoerd, zelfs na een onderbreking of in nieuwe situatie),
,Online learning: Online learning vindt plaats tijdens de uitvoering en directe oefening van een taak. Het gaat
om de onmiddellijke aanpassing en verbetering die gebeurt terwijl je actief bezig bent met het leren van een
vaardigheid.
Offline learning: verbetering en consolidatie van een vaardigheid dat plaatsvindt tussen oefensessies, zonder
dat je actief met de taak bezig bent. Dit kan plaatsvinden tijdens rust of slaap, wanneer de hersenen het
geleerde verwerken en opslaan in het lange-termijngeheugen. Tijdens offline learning stabiliseren en
versterken de neurale verbindingen die tijdens online learning zijn gevormd. Dit is vooral belangrijk voor de
langdurige retentie. Iemand oefent een sporttechniek overdag en merkt dat hij de bewegingen beter en
natuurlijker uitvoert de volgende dag, zelfs zonder extra oefening. De vaardigheid is "offline" verder verbeterd
Een combinatie van offline en online learning is nodig om een taak snel en langdurig te beheersen
Motor skill consolidation: het proces waarbij motorische vaardigheden worden getransformeerd van een
aanvankelijk fragiele staat, waarin ze bijzonder vatbaar zijn voor verstoring of verlies, naar een meer solide of
permanente staat.
Fysieke oefening wordt al lange tijd beschouwd als de belangrijkste factor in het verwerven van motorische
vaardigheden. Recent bewijs toont echter aan dat de neurobiologische veranderingen die leren ondersteunen
niet plaatsvinden tijdens de fysieke oefening zelf. De veranderingen vereisen complexe hersenreorganisatie,
wat tijd kost en vaak verder gaat dan de oefensessies zelf.
Deliberate practise (doelbewust oefenen) (Ericsson, 1993)
1. Uren maken (talent heeft wel invloed, maar vooral uren maken)
2. Gericht oefenen:
● Doel: verbeteren prestatie (gericht op vernieuwing) en zorgen voor expertise
● Aandacht voor feedback (goede trainers)
● Sterke focus van aandacht
● Specifiek oefenen (relevant voor doel)
➔ Vaak gerelateerd aan vroege specialisatie
“Zo optimaal mogelijk leren en verbeteren van prestaties kan plaatsvinden door training aan te bieden waarbij
individuen gefocust moeten zijn, veel moeite doen, specifiek en relevant trainen, waarbij ze gemotiveerd zijn
om te oefenen omdat oefening de prestatie verbetert”
Nadeel: heel specifiek trainen kan misschien leiden tot een lage transfer (dat de training in een andere
situatie geen effect heeft gehad). Hoe specifiek moeten ervaringen getraind worden? Moet het geleerde
overeenkomen met wat je moet kunnen of kan dat ook anders zijn.
Deliberate play (spelend leren) (Côté, 1999)
Doel: zoveel mogelijk plezier hebben, niet persé beter worden
“Activiteiten die plaatsvinden in de vroege ontwikkeling (jonge kinderen) waarbij sprake is van intrinsieke
motivatie, onmiddellijk beloning (niet pas later er voordeel van hebben, maar juist nu op het moment) en de
activiteiten zijn specifiek ontworpen om plezier te maximaliseren.”
Intrinsieke motivatie, informeel, aangepaste regels, experimenten, exploreren (onderzoeken) & flexibiliteit.
→ Vaak gerelateerd aan vroege diversificatie (het tegenovergestelde van specificatie) (‘early sampling:
kinderen de mogelijkheid te geven om veel verschillende sporten te doen ipv early specialization
Belang van oefening
● Developmental model of sport participation (Côté, 2007): 3 verschillende routes
Links: Diversificatie in sport: Deze route benadrukt de waarde van het verkennen van verschillende sporten en
activiteiten. Het doel is om een brede basis van vaardigheden te ontwikkelen door te participeren in diverse
recreatieve sporten voordat men zich op een specifieke sport richt. Dit kan leiden tot plezier en betrokkenheid
bij een breed scala aan activiteiten.
Midden: Topniveau door diversificatie: Deze route suggereert dat atleten die een brede basis van vaardigheden
hebben ontwikkeld via diversificatie uiteindelijk op topniveau kunnen presteren in een specifieke sport. Het
, idee is dat de variatie in training en ervaring hen beter voorbereidt op de uitdagingen van een specifieke
sport.
rechts: Topniveau door vroege specialisatie: Dit pad richt zich op atleten die zich vroegtijdig op één specifieke
sport concentreren. Het idee hier is dat intensieve, gerichte training in een vroege fase kan leiden tot
uitmuntendheid in die specifieke sport, maar kan ook risico's met zich meebrengen, zoals een verhoogd risico
op blessures en burn-out
The development of skill in sport: twee benaderingen van talentontwikkeling
1. Doelbewust, vroege specialisatie (deliberate practise)
2. Laat specialisatie model dat rekening houdt met psychosociale variabelen (het leuk vinden
bijv/spelen) en het aanbieden van verschillende sporten in de kindertijd (middelste route hierboven)
● Traditioneel model Motorisch leerproces binnen een vaardigheid (Fitts & Posner, 1967)
1. Cognitive stage (understanding & learning)
- Stap voor stap oefenen
- Veel aandacht voor nodig
- Neigt om een oefening eerst rustig uit te voeren
- Veel feedback nodig van de trainer