Reader zorg voor leren
Hoofdstuk 13 Taalbeleid
13.1 Achtergronden
Om meer eenheid in een team te creëren, werken veel basisscholen met een taalbeleidsplan.
13.1.1 Een schoolplan is verplicht
De gezamenlijke afspraken die het team maakt, worden vastgelegd in een schoolplan, dat onderdeel
is van het onderwijskundig beleid van een school. In het schoolplan is onder meer vastgelegd hoe de
school de kwaliteit van het onderwijs bewaakt en verbetert. Een taalbeleidsplan is onderdeel van het
schoolplan.
13.1.2 Taalbeleid is schoolbeleid
Wat er aan de orde moet komen op de basisschool, heeft de overheid globaal vastgesteld in de
kerndoelen en in het referentiekader. Hoe de school dat onderwijs inricht, wordt op schoolniveau
vastgesteld. Een team maakt dus afspraken met betrekking tot het bewaken en bevorderen van de
kwaliteit van het taalonderwijs en taal in de andere vakken.
13.1.3 Interne en externe kwaliteitsimpulsen
De kerndoelen zijn een aanbodsverplichting: ze geven aan welke leerstof de school moet aanbieden,
maar zeggen niets over het niveau dat leerlingen moeten bereiken aan het eind van de basisschool.
In het referentiekader taal en rekenen staat voor taal per taaldomein vrij uitgebreid aangegeven welk
niveau een leerling aan het eind van de basisschool bereikt moet hebben.
Impulsen om de kwaliteit van het onderwijs schoolbreed te bewaken en te verbeteren kunnen van
meerdere instanties en personen komen, zowel binnen als buiten de school. De belangrijkste externe
personen en instanties zijn:
- De overheid: beveelt scholen in het actieplan basis voor presteren aan om opbrengstgericht
te werken. het uitgangspunt van dit actieplan is dat de leerresultaten voor taal en rekenen
verbeteren als scholen daadwerkelijk opbrengstgericht gaan werken doelen stellen, zicht
hebben op leerresultaten en planmatig en resultaatgericht werken. ook probeert de
overheid op allerlei manieren de verdere professionalisering van leerkrachten te stimuleren
en ondersteunt het specifieke projecten.
- (wetenschappelijk) onderzoek
Landelijk onderzoek: PPON
Internationaal onderzoek: PISA
Internationaal onderzoek naar begrijpend lezen: PIRLS
- Ouders: medezeggenschapsraad. vragen van ouders hebben vaak betrekking op zaken als:
De prestaties van de school ten opzichte van vergelijkbare scholen in het land
De mogelijkheid voor extra ondersteuning als hun kind veel moeite heeft met bijv.
begrijpend lezen of andere taaldomeinen
Zelfstandig leren werken ter voorbereiding op het vervolgonderwijs.
- Inspectie van het Onderwijs: maakt bij het beoordelen van de onderwijskwaliteit gebruik van
een toezichtkader. Daar staat in hoe de inspectie werkt, wat zij beoordeelt en wanneer het
onderwijs van voldoende kwaliteit is. met het nieuwe toezichtkader krijgt de inspectie zicht
op 3 belangrijke vragen:
Leren de leerlingen genoeg (onderwijsresultaten)?
Krijgen ze goed les (onderwijsproces)?
Zijn ze veilig (schoolklimaat)?
De inspecteur kijkt in de eerste plaats naar de leerresultaten van de leerlingen in relatie tot
hun mogelijkheden. Wanneer deze resultaten tegenvallen, onderzoekt hij waar mogelijke
oorzaken liggen.
De belangrijkste interne personen en instanties zijn:
, - Schoolleider en/of intern begeleider: hebben via evaluatiegegevens en andere
informatiebronnen een overzicht van de resultaten van de leerlingen. Regelmatig maken ze
trendanalyse, waardoor duidelijk wordt hoe de individuele leerlingen en de verschillende
groepen zich hebben ontwikkeld.
- Taalcoördinator: degene die in overleg met de directie het voortouw neemt bij het
taalonderwijs. Hij activeert en ondersteunt collega’s bij de uitvoering, bespreekt regelmatig
de voortgang tijdens het teamoverleg, bepaalt of de gestelde doelen zijn bereikt en stelt zo
nodig het taalbeleidsplan bij.
- Leerkrachten: ervaringsdeskundigen als het gaat om de onderwijskwaliteit.
- Leerlingen: leerkracht evalueert het onderwijs voortdurend met de leerlingen en ze laten
door hun verbale en non-verbale gedrag altijd blijken dat zij bijv. de teksten in de methode
begrijpend lezen wel erg saai vinden of dat ze niet inzien waarom ze telkens een lijstje
moeten invullen als ze een vrij leesboek uit hebben.
13.1.4 Taalbeleid in het algemene schoolbeleid
De kwaliteit van het taalonderwijs bepaalt voor een belangrijk gedeelte het schoolsucces van de
leerlingen.
13.1.5 Wat is taalbeleid?
Taalbeleid is de structurele en strategische aanpak om het taalonderwijs en het gebruik van taal in de
andere vakken zoals het dagelijks in elke klas aan de orde komt aan te passen aan de
taalleerbehoeften van alle leerlingen, zodanig dat het uiteindelijk leidt tot betere onderwijsresultaten
van deze leerlingen.
Kenmerken van taalbeleid:
- Structureel: gericht op een planmatige en blijvende verbetering van het (taal)onderwijs.
- Strategisch: er wordt gekeken welke stappen in welke volgorde gezet moeten worden om
het doel te bereiken.
- Gezamenlijke visie: het team trekt één lijn op het gebied van taalonderwijs en dat is pas
mogelijk als je werkt vanuit een gezamenlijke visie. Leerkrachten spreken in gesprekken over
taalonderwijs ‘dezelfde taal’ en gaan op eenzelfde manier om met het taalonderwijs.
- Schoolbreed: het gaat om taalonderwijs en alle activiteiten waarbij taal een rol speelt, van
groep 1 t/m 8.
- Verbeteren onderwijsresultaten: in goed taalbeleid is vastgelegd hoe wordt gemeten of de
onderwijsresultaten daadwerkelijk verbeterd zijn.
- Taalleerbehoeften: van alle leerlingen.
- Dagelijkse onderwijspraktijk: wat doen we goed en wat moet beter?
- Teamgericht: taalbeleid opzetten en uitwerken is een zaak van het gehele team, waarbij de
taalcoördinator als specialist in overleg met de directie een stimuleren rol heeft.
13.1.6 Handvatten: de PDCA-cyclus en het tienstappenplan
Voor de formulering van beleid wordt vaak gebruikgemaakt van de PDCA-cyclus (kwaliteitscirkel van
Deming). Deze bestaat uit 4 stappen:
- Plan: kijk naar de huidige situatie en ontwerp een plan voor verbetering. Stel voor deze
verbetering doelstellingen vast
- Do: voer de geplande verbetering uit
- Check: meet het resultaat van de verbetering, vergelijk dit met de oorspronkelijke situatie en
toets het aan de vastgestelde doelstellingen
- Act: stel het plan bij aan de hand van de resultaten die naar voren komen bij check
Om scholen te helpen bij het opzetten en uitwerken van taalbeleid is er het volgende stappenplan:
samenwerken aan taalbeleid. In tien stappen naar een taalbeleidsplan:
- Analyse taalonderwijs:
Stap 1: aanleiding voor het taalbeleidsplan
Stap 2: beschrijven van de huidige situatie
, Stap 3: reflectie op de huidige situatie
Stap 4: oriënteren op de gewenste situatie
- Opstellen taalbeleidsplan:
Stap 5: vaststellen van prioriteiten
Stap 6: formuleren van doelen
Stap 7: kiezen van activiteiten
Stap 8: vaststellen van het meerjarentaalbeleidsplan
- Uitvoering taalbeleidsplan
Stap 9: uitvoeren en borgen
Stap 10: monitoren en bijstellen
In het stappenplan wordt ook een zogenoemd taaldenkkader gepresenteerd, dat inzichtelijk maakt
hoe bij goed taalonderwijs altijd sprake is van een samenhang tussen visie, aanbod en opbrengsten.
In dit taaldenkkader komt het cyclische karakter van taalbeleid tot uitdrukking (het onderdeel act).
De onderdelen visie, aanbod en opbrengsten beïnvloeden elkaar en zullen regelmatig op elkaar
afgestemd en bijgesteld moeten worden. Monitoring en beleid zijn de ingrediënten om dit proces
gefaseerd te laten verlopen.
13.2 Werken met het stappenplan
13.2.1 Aandachtspunten bij stap 1 t/m 4 (analyse)
Om goed taalbeleid te kunnen opzetten, moet de school eerst weten hoe de kwaliteit nu is. bij een
schoolbrede, complete analyse van het taalonderwijs zal gekeken worden naar de volgende
aspecten, die ook de kapstok vormen voor het taalbeleidsplan:
- De visie van het team op taal en taalonderwijs: vloeit voort uit de manier waarop de school
het totale onderwijs vormgeeft.
- De leerlingenpopulatie: onderwijs zo veel mogelijk afstemmen op de verschillende behoeften
van de leerlingen.
- Het schoolteam: ervaring en deskundigheid dat in het team aanwezig is.
- De inhouden van taalonderwijs: ga na of de leermiddelen wel geschikt zijn voor de huidige
leerlingenpopulatie en of doorlopende leerlijnen wel voldoende gewaarborgd zijn.
- De tijd besteed aan taalonderwijs, per jaargoed en per domein
- De rol van taal in de andere vakken: leerkrachten spreken met elkaar af hoe ze omgaan met
taal in de andere vakken.
- De evaluatie van taalvaardigheid: gegevens verzamelen over de vraag of de doelen (plan) en
activiteiten (do) wel tot de te verwachten resultaten geleid hebben.
- Onderwijsondersteunende ouderprogramma’s: ouders en school zijn samen
verantwoordelijk voor de ontwikkeling van de leerlingen.
Summatieve toets: heeft een selectiefunctie en bepaalt bijv. of een leerling een bepaald onderdeel
wel of niet gehaald heeft.
Formatieve toets: heeft een feedbackfunctie de leerling krijgt inzicht in hoe hij ervoor staat en de
leerkracht kan op basis hiervan het onderwijs bijstellen.
Formatief evalueren: bestaat uit alle activiteiten die leerlingen en docent uitvoeren om de
leeractiviteiten van leerlinge in kaart te brengen, te interpreteren en te gebruiken om betere
beslissingen te maken over vervolgstappen. Het heeft als primair doel om leerlingen en leerkrachten
inzicht te geven in het eigen leerproces en onderwijs op maat mogelijk te maken.
- Feed-up: waar werkt de leerling naartoe? leerkracht verheldert de leerdoelen en
bespreekt strategieën waarmee de leerlingen deze succesvol kunnen bereiken. Vindt plaats
aan het begin van het leerproces
- Feedback: waar staat de leerling nu? leerkracht kan eventueel het onderwijs bijstellen en
de leerling kan zijn leerdoelen bijstellen. Vindt plaats tijdens het leerproces.
Hoofdstuk 13 Taalbeleid
13.1 Achtergronden
Om meer eenheid in een team te creëren, werken veel basisscholen met een taalbeleidsplan.
13.1.1 Een schoolplan is verplicht
De gezamenlijke afspraken die het team maakt, worden vastgelegd in een schoolplan, dat onderdeel
is van het onderwijskundig beleid van een school. In het schoolplan is onder meer vastgelegd hoe de
school de kwaliteit van het onderwijs bewaakt en verbetert. Een taalbeleidsplan is onderdeel van het
schoolplan.
13.1.2 Taalbeleid is schoolbeleid
Wat er aan de orde moet komen op de basisschool, heeft de overheid globaal vastgesteld in de
kerndoelen en in het referentiekader. Hoe de school dat onderwijs inricht, wordt op schoolniveau
vastgesteld. Een team maakt dus afspraken met betrekking tot het bewaken en bevorderen van de
kwaliteit van het taalonderwijs en taal in de andere vakken.
13.1.3 Interne en externe kwaliteitsimpulsen
De kerndoelen zijn een aanbodsverplichting: ze geven aan welke leerstof de school moet aanbieden,
maar zeggen niets over het niveau dat leerlingen moeten bereiken aan het eind van de basisschool.
In het referentiekader taal en rekenen staat voor taal per taaldomein vrij uitgebreid aangegeven welk
niveau een leerling aan het eind van de basisschool bereikt moet hebben.
Impulsen om de kwaliteit van het onderwijs schoolbreed te bewaken en te verbeteren kunnen van
meerdere instanties en personen komen, zowel binnen als buiten de school. De belangrijkste externe
personen en instanties zijn:
- De overheid: beveelt scholen in het actieplan basis voor presteren aan om opbrengstgericht
te werken. het uitgangspunt van dit actieplan is dat de leerresultaten voor taal en rekenen
verbeteren als scholen daadwerkelijk opbrengstgericht gaan werken doelen stellen, zicht
hebben op leerresultaten en planmatig en resultaatgericht werken. ook probeert de
overheid op allerlei manieren de verdere professionalisering van leerkrachten te stimuleren
en ondersteunt het specifieke projecten.
- (wetenschappelijk) onderzoek
Landelijk onderzoek: PPON
Internationaal onderzoek: PISA
Internationaal onderzoek naar begrijpend lezen: PIRLS
- Ouders: medezeggenschapsraad. vragen van ouders hebben vaak betrekking op zaken als:
De prestaties van de school ten opzichte van vergelijkbare scholen in het land
De mogelijkheid voor extra ondersteuning als hun kind veel moeite heeft met bijv.
begrijpend lezen of andere taaldomeinen
Zelfstandig leren werken ter voorbereiding op het vervolgonderwijs.
- Inspectie van het Onderwijs: maakt bij het beoordelen van de onderwijskwaliteit gebruik van
een toezichtkader. Daar staat in hoe de inspectie werkt, wat zij beoordeelt en wanneer het
onderwijs van voldoende kwaliteit is. met het nieuwe toezichtkader krijgt de inspectie zicht
op 3 belangrijke vragen:
Leren de leerlingen genoeg (onderwijsresultaten)?
Krijgen ze goed les (onderwijsproces)?
Zijn ze veilig (schoolklimaat)?
De inspecteur kijkt in de eerste plaats naar de leerresultaten van de leerlingen in relatie tot
hun mogelijkheden. Wanneer deze resultaten tegenvallen, onderzoekt hij waar mogelijke
oorzaken liggen.
De belangrijkste interne personen en instanties zijn:
, - Schoolleider en/of intern begeleider: hebben via evaluatiegegevens en andere
informatiebronnen een overzicht van de resultaten van de leerlingen. Regelmatig maken ze
trendanalyse, waardoor duidelijk wordt hoe de individuele leerlingen en de verschillende
groepen zich hebben ontwikkeld.
- Taalcoördinator: degene die in overleg met de directie het voortouw neemt bij het
taalonderwijs. Hij activeert en ondersteunt collega’s bij de uitvoering, bespreekt regelmatig
de voortgang tijdens het teamoverleg, bepaalt of de gestelde doelen zijn bereikt en stelt zo
nodig het taalbeleidsplan bij.
- Leerkrachten: ervaringsdeskundigen als het gaat om de onderwijskwaliteit.
- Leerlingen: leerkracht evalueert het onderwijs voortdurend met de leerlingen en ze laten
door hun verbale en non-verbale gedrag altijd blijken dat zij bijv. de teksten in de methode
begrijpend lezen wel erg saai vinden of dat ze niet inzien waarom ze telkens een lijstje
moeten invullen als ze een vrij leesboek uit hebben.
13.1.4 Taalbeleid in het algemene schoolbeleid
De kwaliteit van het taalonderwijs bepaalt voor een belangrijk gedeelte het schoolsucces van de
leerlingen.
13.1.5 Wat is taalbeleid?
Taalbeleid is de structurele en strategische aanpak om het taalonderwijs en het gebruik van taal in de
andere vakken zoals het dagelijks in elke klas aan de orde komt aan te passen aan de
taalleerbehoeften van alle leerlingen, zodanig dat het uiteindelijk leidt tot betere onderwijsresultaten
van deze leerlingen.
Kenmerken van taalbeleid:
- Structureel: gericht op een planmatige en blijvende verbetering van het (taal)onderwijs.
- Strategisch: er wordt gekeken welke stappen in welke volgorde gezet moeten worden om
het doel te bereiken.
- Gezamenlijke visie: het team trekt één lijn op het gebied van taalonderwijs en dat is pas
mogelijk als je werkt vanuit een gezamenlijke visie. Leerkrachten spreken in gesprekken over
taalonderwijs ‘dezelfde taal’ en gaan op eenzelfde manier om met het taalonderwijs.
- Schoolbreed: het gaat om taalonderwijs en alle activiteiten waarbij taal een rol speelt, van
groep 1 t/m 8.
- Verbeteren onderwijsresultaten: in goed taalbeleid is vastgelegd hoe wordt gemeten of de
onderwijsresultaten daadwerkelijk verbeterd zijn.
- Taalleerbehoeften: van alle leerlingen.
- Dagelijkse onderwijspraktijk: wat doen we goed en wat moet beter?
- Teamgericht: taalbeleid opzetten en uitwerken is een zaak van het gehele team, waarbij de
taalcoördinator als specialist in overleg met de directie een stimuleren rol heeft.
13.1.6 Handvatten: de PDCA-cyclus en het tienstappenplan
Voor de formulering van beleid wordt vaak gebruikgemaakt van de PDCA-cyclus (kwaliteitscirkel van
Deming). Deze bestaat uit 4 stappen:
- Plan: kijk naar de huidige situatie en ontwerp een plan voor verbetering. Stel voor deze
verbetering doelstellingen vast
- Do: voer de geplande verbetering uit
- Check: meet het resultaat van de verbetering, vergelijk dit met de oorspronkelijke situatie en
toets het aan de vastgestelde doelstellingen
- Act: stel het plan bij aan de hand van de resultaten die naar voren komen bij check
Om scholen te helpen bij het opzetten en uitwerken van taalbeleid is er het volgende stappenplan:
samenwerken aan taalbeleid. In tien stappen naar een taalbeleidsplan:
- Analyse taalonderwijs:
Stap 1: aanleiding voor het taalbeleidsplan
Stap 2: beschrijven van de huidige situatie
, Stap 3: reflectie op de huidige situatie
Stap 4: oriënteren op de gewenste situatie
- Opstellen taalbeleidsplan:
Stap 5: vaststellen van prioriteiten
Stap 6: formuleren van doelen
Stap 7: kiezen van activiteiten
Stap 8: vaststellen van het meerjarentaalbeleidsplan
- Uitvoering taalbeleidsplan
Stap 9: uitvoeren en borgen
Stap 10: monitoren en bijstellen
In het stappenplan wordt ook een zogenoemd taaldenkkader gepresenteerd, dat inzichtelijk maakt
hoe bij goed taalonderwijs altijd sprake is van een samenhang tussen visie, aanbod en opbrengsten.
In dit taaldenkkader komt het cyclische karakter van taalbeleid tot uitdrukking (het onderdeel act).
De onderdelen visie, aanbod en opbrengsten beïnvloeden elkaar en zullen regelmatig op elkaar
afgestemd en bijgesteld moeten worden. Monitoring en beleid zijn de ingrediënten om dit proces
gefaseerd te laten verlopen.
13.2 Werken met het stappenplan
13.2.1 Aandachtspunten bij stap 1 t/m 4 (analyse)
Om goed taalbeleid te kunnen opzetten, moet de school eerst weten hoe de kwaliteit nu is. bij een
schoolbrede, complete analyse van het taalonderwijs zal gekeken worden naar de volgende
aspecten, die ook de kapstok vormen voor het taalbeleidsplan:
- De visie van het team op taal en taalonderwijs: vloeit voort uit de manier waarop de school
het totale onderwijs vormgeeft.
- De leerlingenpopulatie: onderwijs zo veel mogelijk afstemmen op de verschillende behoeften
van de leerlingen.
- Het schoolteam: ervaring en deskundigheid dat in het team aanwezig is.
- De inhouden van taalonderwijs: ga na of de leermiddelen wel geschikt zijn voor de huidige
leerlingenpopulatie en of doorlopende leerlijnen wel voldoende gewaarborgd zijn.
- De tijd besteed aan taalonderwijs, per jaargoed en per domein
- De rol van taal in de andere vakken: leerkrachten spreken met elkaar af hoe ze omgaan met
taal in de andere vakken.
- De evaluatie van taalvaardigheid: gegevens verzamelen over de vraag of de doelen (plan) en
activiteiten (do) wel tot de te verwachten resultaten geleid hebben.
- Onderwijsondersteunende ouderprogramma’s: ouders en school zijn samen
verantwoordelijk voor de ontwikkeling van de leerlingen.
Summatieve toets: heeft een selectiefunctie en bepaalt bijv. of een leerling een bepaald onderdeel
wel of niet gehaald heeft.
Formatieve toets: heeft een feedbackfunctie de leerling krijgt inzicht in hoe hij ervoor staat en de
leerkracht kan op basis hiervan het onderwijs bijstellen.
Formatief evalueren: bestaat uit alle activiteiten die leerlingen en docent uitvoeren om de
leeractiviteiten van leerlinge in kaart te brengen, te interpreteren en te gebruiken om betere
beslissingen te maken over vervolgstappen. Het heeft als primair doel om leerlingen en leerkrachten
inzicht te geven in het eigen leerproces en onderwijs op maat mogelijk te maken.
- Feed-up: waar werkt de leerling naartoe? leerkracht verheldert de leerdoelen en
bespreekt strategieën waarmee de leerlingen deze succesvol kunnen bereiken. Vindt plaats
aan het begin van het leerproces
- Feedback: waar staat de leerling nu? leerkracht kan eventueel het onderwijs bijstellen en
de leerling kan zijn leerdoelen bijstellen. Vindt plaats tijdens het leerproces.