Literatuur: hoofdstuk 1,2,3,4,5,8,9,10,13
Uit college: internationale perspectief (BrightSpace), PowerPoints (zie onderaan een
samenvatting)
Inhoudsopgave
Aantekeningen Europese Politiek .................................................................................................. 1
1 De geschiedenis van de Europese samenwerking ...........................................................................3
1.1 Strijden tegen de machinaties van het machtsevenwicht (1943-1494) .......................................3
Intergouvernementeel: ..............................................................................................................4
Supranationaal: .........................................................................................................................5
Kort samengevat: .......................................................................................................................5
1.2 Revolutie in de Europese betrekkingen (1950-1954) ..........................................................6
1.3 De oprichting van de EEG en Euratom (1955-1968) ............................................................9
1.4 Verdieping, verbreding en voltooiing van de markt (1969-1992) ............................................... 11
1.5 Kansen en bedreigingen van een andere orde (1993-2023)............................................... 13
2 De institutionele architectuur van de EU ....................................................................................... 16
2.1 Casus: de Algemene verordening gegevensbescherming ........................................................ 16
2.2 Intergouvernementalisme en supranationalisme ................................................................... 17
2.3 Wat voor besluiten neemt de EU? .......................................................................................... 18
2.4 Drie fases in de besluitvorming ............................................................................................. 19
2.5 De gewone wetgevingsprocedure .......................................................................................... 21
2.6 Bijzondere wetgevingsprocedures ......................................................................................... 23
2.7 De open coördinatiemethode ............................................................................................... 24
3 De Commissie en de agentschappen: een Europese superregering? .............................................. 25
3.1 Organisatie .......................................................................................................................... 25
3.2 Taken ........................................................................................................................... 28
3.3. Agentschappen ................................................................................................................... 31
4 Het Europees Parlement, van marginaal tot machtig ..................................................................... 32
4.1 Geschiedenis en ontwikkeling ............................................................................................... 33
4.2 Samenstelling en locatie ...................................................................................................... 33
4.3 Bevoegdheden ..................................................................................................................... 35
4.4 Werkwijze ............................................................................................................................ 37
5 De Raad en de Europese Raad: cruciale schakels naar de nationale politiek ................................... 37
5.2 De organisatie van de Raad ................................................................................................... 40
5.3 De besluitvorming in de Raad ................................................................................................ 42
5.4 De organisatie van de Europese Raad .................................................................................... 43
8 De interne markt: spagaat tussen economische en sociale prioriteiten........................................... 45
8.2 De interne markt .................................................................................................................. 46
8.3 De sociale dimensie van de EU ............................................................................................. 48
9 De Europese Economische en Monetaire Unie .......................................................................... 51
9.3 Het monetair beleid van de ECB ............................................................................................ 53
9.4 De lange geschiedenis van de EMU ....................................................................................... 54
9.5 Een EMU in drie fasen ........................................................................................................... 55
10 Landbouw en milieu .................................................................................................................. 55
1
, 10.1 Gestikt in stikstof? .............................................................................................................. 56
10.2 Het Europese landbouwbeleid ............................................................................................ 56
10.3 Het Europese milieubeleid .................................................................................................. 59
13 De EU als speler op het wereldtoneel: veiligheid en defensie ........................................................ 61
13.1 De EU op het wereldtoneel: de puzzel .................................................................................. 61
13.2 Het politieke buitenlandbeleid van de EU ............................................................................. 62
13.3 Doelstellingen van het beleid .............................................................................................. 63
13.4 Waarom dit beleid? ............................................................................................................ 63
Aantekeningen college Bas ..........................................................................................................65
Informatie uit PowerPoint ............................................................................................................68
Internationale concepten ...................................................................... Error! Bookmark not defined.
2
,1 De geschiedenis van de Europese samenwerking
De Europese Unie (EU) is een samenwerkingsproject tussen staten -> bijzonder want de
lidstaten hebben wederzijds vertrouwen, maar maakte voor tweede wereldoorlog ruzie
met elkaar.
1.1 Strijden tegen de machinaties van het machtsevenwicht (1943-1494)
Machtsevenwicht en onderlinge oorlogen domineerde eeuwenlang de Europese
betrekkingen. Volgens logica van het machtsevenwicht wilden staten voorkomen dat
een enkele staat zo machtig werd dat hij zijn hegemonie vestigde en dus alle andere zou
overheersen -> uit vrees hiervoor probeerden staten voortdurend allianties te sluiten om
evenwicht te creëren ten opzichte van de potentiële hegemoon. Daarbij konden
bondgenoten van vandaag de vijand van morgen zijn en andersom.
Staten werden geconfronteerd met het veiligheidsdilemma -> als ze hun veiligheid
vergrootten door bijvoorbeeld wapens, voelden andere staten zich bedreigt en namen
meer wapens -> argwaan en wantrouwen werden aangewakkerd. Tot en met de Tweede
Wereldoorlog was deze logica dominant.
Tabel 1.1 Chronologie van de Europese integratie
1939-1945 Tweede Wereldoorlog
1945 Afspraken in Jalta en Potsdam over de opdeling van Duitsland in
vier bezettingszones
1948 Pact van Brussel (later WEU); oprichting OEES (later OESO)
1949 Oprichting BRD en DDR; start Koude Oorlog; oprichting Raad van
Europa
1949-1950 Oprichting NAVO
1951 Verdrag van Parijs = EGKS-verdrag
1952-1954 Onderhandelingen over de EDG; ratificatie in Frans parlement
mislukt
1955 Akkoorden van Parijs; BRD wordt lid NAVO
1955 Resolutie van Messina vormt start onderhandelingen EEG en
Euratom
1957 Verdragen van Rome = EEG-Verdrag en Euratom-Verdrag
1965-1966 Crisis van de lege stoel; Compromis van Luxemburg
1973 Toetreding Verenigd Koninkrijk, Denemarken en Ierland;
Noorwegen zegt nee
1974 Oprichting Europese Raad
1981 Toetreding Griekenland
1986 Toetreding Spanje en Portugal
1986 Europese Akte
1989 Val van Berlijnse Muur; start IGC over EMU en EPU
1992 Verdrag van Maastricht = EU-Verdrag, oprichting EU met drie
pijlers
1993 Criteria van Kopenhagen voor kandidaat-lidstaten
3
, 1995 Toetreding van Finland, Oostenrijk en Zweden; Noorwegen zegt
wederom nee
1997 Verdrag van Amsterdam
2000 Verdrag van Nice
2002 Invoering euro in elf lidstaten
2004 Toetreding Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta,
Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië
2004 Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa =
‘Europese Grondwet’
2005 Ratificatieproces Europese Grondwet afgebroken na afwijzing in
referenda in Frankrijk en Nederland
2007 Toetreding Bulgarije en Roemenië
2007 Verdrag van Lissabon = Hervormingsverdrag, treedt op 1
december 2009 in werking
2013 Toetreding Kroatië
2016 Brexit-referendum in Verenigd Koninkrijk
2020 Verenigd Koninkrijk verlaat EU
1.1.1 Jean Monnet: een andere logica
Monnet schreef op 5 augustus 1943 een notitie aan zichzelf over de toestand in de
wereld -> voor hem duidelijk dat de Tweede Wereldoorlog zou eindigen in een
overwinning van de geallieerden. Wat zou er na die overwinning met Europa moeten
gebeuren? -> Moest er alles aan doen om een voortzetting van geschiedenis vol
oorlogen te voorkomen -> mogelijk door Europese betrekkingen (nu gedomineerd door
wantrouwen en machtsevenwicht) en de logica van het veiligheidsdilemma een ander
fundament te geven -> streven naar Europese samenwerking -> de organisatie van een
Europese entiteit. Belangrijk onderdeel is economische gemeenschap -> oprichting
supranationale instituties -> langzaamaan vertrouwen opbouwen.
Dit was de kern van Jean Monnets functionele logica -> duurzame samenwerking door
toenemende sectorintegratie. In 1950 zag Monnet kans om politiek draagvlak te
verwerven voor zijn ideeën -> Schumanplan.
Intergouvernementeel en supranationaal zijn twee manieren waarop landen kunnen
samenwerken.
Intergouvernementeel:
• Betekenis: Landen werken samen, maar houden zelf de controle.
• Voorbeeld: Bij een vergadering mogen landen zelf beslissen of ze meedoen of
niet.
• Kenmerk: Er is geen baas boven de landen. Alles gebeurt alleen als alle
landen het ermee eens zijn.
Denk aan de NAVO of de VN: landen overleggen, maar houden hun eigen macht.
4