Jurisprudentie Civiele Rechtspleging
HC 1
Dimopoulos/Erven Van Mierlo: verboden aanvulling feitelijke grondslag
art. 24 Rv
- Het staat de rechter niet vrij zijn beslissing te baseren op
rechtsgronden of verweren die weliswaar kunnen worden afgeleid uit
de in het geding gebleken feiten en omstandigheden maar die door
de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten
grondslag zijn gelegd.
- Briefje in dossier werd gelezen als ingebrekestelling. Onderscheid
feit – aanwezigheid briefje – en feitelijke grondslag – papadoupolos
legde aanwezigheid van dat briefje niet aan zijn betoog ten
grondslag- .
- Rechter kan feit. grondslag met partijen bespreken als dit in de lijn
van partijdebat ligt.
- Briefje is niet in stukken overlegd, maar werd naar verwezen als
overlegd in een eerder kort geding. Rechtbank mocht beslissing niet
hierop baseren, want wederpartij tekortgedaan in recht zich
daartegen naar behoren te verdedigen.
- Er bestaat dus een verschil in toepassingsgebied 24 en 149 Rv.
Eerste ziet op verbod aanvullen feitelijke grondslag en tweede
bepaalt welke feiten in procedure een rol mogen spelen. In
onderhavige zaak was briefje als feit wel toegelaten, maar in de
hoedanigheid van ingebrekestelling als feitelijke grondslag was het
niet aangevoerd. Dat was hoe de rechter het las en daarmee werd
buiten de grenzen van 24 Rv getreden.
Kublik/Brandenberg: stukken andere taal
- Bij de beoordeling van het geschil dient acht te worden geslagen op
behoorlijk in het geding gebrachte producties die in een vreemde
taal zijn gesteld en waarop door een partij een beroep is gedaan, als
de rechter en de wederpartij een vertaling niet nodig hebben voor
een goede beoordeling van de inhoud van die producties. Het
overleggen van een vertaling van een productie is in beginsel niet
noodzakelijk als die productie is gesteld in de Engelse, Duitse of
Franse taal. De rechter kan echter een vertaling verlangen als hij dat
nodig of wenselijk acht voor de behandeling van de zaak, mede
gelet op de belangen van de wederpartij. Een vertaling is in beginsel
wel noodzakelijk als een productie is gesteld in een andere vreemde
taal.
,HC 2
HR Nieuw Vredenburgh/NHL: deskundigenoordeel motiveringsplicht
rechter
- garantieclausule dat Nieuw Vredenburgh ervoor zou zorgen geen
peuken in prullenbakken. Vervolgens brandt pand af. Verzekeraar
beroept zich op garantieclausule. Vast moest komen te staan hoe
brand is ontstaan. Partijen beide deskundigen ingesteld die beide tot
voor de hand liggende conclusie in voordeel eigen partijen kwamen.
Tegenstrijdige deskundigenberichten rechter roept zelf
deskundige in. Kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Hof en
rechtbank kende meer gewicht toe aan oordeel deskundige
verzekeraar.
HR: als rechter deskundige benoemt, dan 1. Volgen dat oordeel, of 2.
Afwijken maar goed motiveren om dit voor partijen en hogere
rechter controleerbaar en aanvaardbaar te maken.
HR NNEK/Van Mourik: verzwaarde motiveringsplicht, bewijslastverdeling
- Zoals hiervoor in 3.2 is overwogen, heeft [verweerder] aan zijn
vorderingen ten grondslag gelegd dat NNEK toerekenbaar is
tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen die voor haar
voortvloeien uit de beheersovereenkomst. Ingevolge art. 150 Rv.
rust in beginsel op [verweerder] de bewijslast van de feitelijke
grondslag van de gestelde tekortkoming. In rov. 2.9 van zijn arrest
heeft het hof echter geoordeeld dat NNEK zich erop beroept dat zij
heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht, hetgeen volgens
het hof een bevrijdende omstandigheid is waarvan op haar de
bewijslast rust. Deze overweging getuigt van een onjuiste
rechtsopvatting. Van een bevrijdend verweer in de zin dat NNEK de
door [verweerder] aan zijn vorderingen ten grondslag gelegde feiten
en omstandigheden niet zou hebben bestreden, maar zich afgezien
daarvan op een bevrijdende omstandigheid zou hebben beroepen, is
geen sprake. De omstandigheid dat NNEK zich heeft verweerd tegen
de vordering met het betoog dat zij wel degelijk aan haar zorgplicht
tegenover [verweerder] heeft voldaan, brengt niet mee dat NNEK de
feiten moet bewijzen die zij aan dit verweer ten grondslag heeft
gelegd.
- NNEK is er in haar grief van uitgegaan dat op haar volgens de
rechtbank een verzwaarde stelplicht rust en dat dit tussenvonnis
aldus moet worden verstaan dat de rechtbank de bewijslast in haar
nadeel heeft omgekeerd op de grond dat zij niet aan deze
verzwaarde stelplicht heeft voldaan. Tegen deze beslissing heeft
NNEK onder meer aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat
, indien een partij op wie een verzwaarde stelplicht rust, daaraan niet
voldoet, de rechter op die grond niet de bewijslast en dus het
bewijsrisico mag omkeren. Dit standpunt berust op een onjuiste
rechtsopvatting. Het is in beginsel aan het beleid van de rechter die
over de feiten oordeelt, overgelaten welke sanctie hij in de gegeven
omstandigheden passend acht indien een partij op wie een
verzwaarde stelplicht rust, daaraan niet voldoet. Wel zal het in de
regel meer voor de hand liggen dat de rechter de bewijslast niet
omkeert, maar de stellingen van de partij op wie de bewijslast rust
hetzij, als onvoldoende betwist, op de voet van art. 149 lid 1 Rv. als
vaststaand aanneemt, hetzij deze stellingen voorshands bewezen
acht behoudens tegenbewijs door de partij op wie de verzwaarde
stelplicht rust.
- Op NNEG rustte dus een verzwaarde motiveringsplicht omdat NNEG
over de relevante informatie beschikte.
HR Finaal Adviesgroep/Allerzorg: verzwaarde stelplicht
(motiveringsplicht)
- Het hof heeft miskend dat van Finaal Adviesgroep niet kan worden
gevergd dat zij een stelling onderbouwt voor zover de voor die
onderbouwing benodigde gegevens zich bevinden in het domein van
haar wederpartij en zij daar geen toegang toe heeft. Bij die stand
van zaken ligt het veeleer op de weg van Allerzorg om in het kader
van haar betwisting zodanige feitelijke gegevens te verstrekken dat
zij Finaal Adviesgroep aanknopingspunten verschaft voor een
eventuele nadere onderbouwing van haar stelling.
- Welke eisen zijn verbonden aan de stelplicht, is mede afhankelijk
van de vraag in wiens sfeer de betreffende informatie zich bevindt.
HR Diefstal bitcoins: stelplicht en voldoende gemotiveerde betwisting
- Eiser had de door verweerder gestelde diefstal van bitcoins
onvoldoende gemotiveerd betwist, in het licht van de zeer uitvoerig
gemotiveerde stellingen van verweerder
HC 3 en 4
HR Zeeuwse notaris: omkering bewijslast ogv eisen redelijkheid &
billijkheid, dwaling art. 6:228 lid 1 BW
- Man had als notaris vrouw verkeerd voorgelicht over de inhoud van
hun huwelijksvoorwaarden, waardoor vrouw in het geval van
echtscheiding uiteindelijk met lege(re) handen kwam te staan.
Vrouw doet een beroep op vernietiging op grond van dwaling.
Daarbij bewijslast in beginsel op vrouw overeenkomstig art. 150 Rv,
maar in deze uitzonderlijke omstandigheden – met name
HC 1
Dimopoulos/Erven Van Mierlo: verboden aanvulling feitelijke grondslag
art. 24 Rv
- Het staat de rechter niet vrij zijn beslissing te baseren op
rechtsgronden of verweren die weliswaar kunnen worden afgeleid uit
de in het geding gebleken feiten en omstandigheden maar die door
de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten
grondslag zijn gelegd.
- Briefje in dossier werd gelezen als ingebrekestelling. Onderscheid
feit – aanwezigheid briefje – en feitelijke grondslag – papadoupolos
legde aanwezigheid van dat briefje niet aan zijn betoog ten
grondslag- .
- Rechter kan feit. grondslag met partijen bespreken als dit in de lijn
van partijdebat ligt.
- Briefje is niet in stukken overlegd, maar werd naar verwezen als
overlegd in een eerder kort geding. Rechtbank mocht beslissing niet
hierop baseren, want wederpartij tekortgedaan in recht zich
daartegen naar behoren te verdedigen.
- Er bestaat dus een verschil in toepassingsgebied 24 en 149 Rv.
Eerste ziet op verbod aanvullen feitelijke grondslag en tweede
bepaalt welke feiten in procedure een rol mogen spelen. In
onderhavige zaak was briefje als feit wel toegelaten, maar in de
hoedanigheid van ingebrekestelling als feitelijke grondslag was het
niet aangevoerd. Dat was hoe de rechter het las en daarmee werd
buiten de grenzen van 24 Rv getreden.
Kublik/Brandenberg: stukken andere taal
- Bij de beoordeling van het geschil dient acht te worden geslagen op
behoorlijk in het geding gebrachte producties die in een vreemde
taal zijn gesteld en waarop door een partij een beroep is gedaan, als
de rechter en de wederpartij een vertaling niet nodig hebben voor
een goede beoordeling van de inhoud van die producties. Het
overleggen van een vertaling van een productie is in beginsel niet
noodzakelijk als die productie is gesteld in de Engelse, Duitse of
Franse taal. De rechter kan echter een vertaling verlangen als hij dat
nodig of wenselijk acht voor de behandeling van de zaak, mede
gelet op de belangen van de wederpartij. Een vertaling is in beginsel
wel noodzakelijk als een productie is gesteld in een andere vreemde
taal.
,HC 2
HR Nieuw Vredenburgh/NHL: deskundigenoordeel motiveringsplicht
rechter
- garantieclausule dat Nieuw Vredenburgh ervoor zou zorgen geen
peuken in prullenbakken. Vervolgens brandt pand af. Verzekeraar
beroept zich op garantieclausule. Vast moest komen te staan hoe
brand is ontstaan. Partijen beide deskundigen ingesteld die beide tot
voor de hand liggende conclusie in voordeel eigen partijen kwamen.
Tegenstrijdige deskundigenberichten rechter roept zelf
deskundige in. Kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Hof en
rechtbank kende meer gewicht toe aan oordeel deskundige
verzekeraar.
HR: als rechter deskundige benoemt, dan 1. Volgen dat oordeel, of 2.
Afwijken maar goed motiveren om dit voor partijen en hogere
rechter controleerbaar en aanvaardbaar te maken.
HR NNEK/Van Mourik: verzwaarde motiveringsplicht, bewijslastverdeling
- Zoals hiervoor in 3.2 is overwogen, heeft [verweerder] aan zijn
vorderingen ten grondslag gelegd dat NNEK toerekenbaar is
tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen die voor haar
voortvloeien uit de beheersovereenkomst. Ingevolge art. 150 Rv.
rust in beginsel op [verweerder] de bewijslast van de feitelijke
grondslag van de gestelde tekortkoming. In rov. 2.9 van zijn arrest
heeft het hof echter geoordeeld dat NNEK zich erop beroept dat zij
heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht, hetgeen volgens
het hof een bevrijdende omstandigheid is waarvan op haar de
bewijslast rust. Deze overweging getuigt van een onjuiste
rechtsopvatting. Van een bevrijdend verweer in de zin dat NNEK de
door [verweerder] aan zijn vorderingen ten grondslag gelegde feiten
en omstandigheden niet zou hebben bestreden, maar zich afgezien
daarvan op een bevrijdende omstandigheid zou hebben beroepen, is
geen sprake. De omstandigheid dat NNEK zich heeft verweerd tegen
de vordering met het betoog dat zij wel degelijk aan haar zorgplicht
tegenover [verweerder] heeft voldaan, brengt niet mee dat NNEK de
feiten moet bewijzen die zij aan dit verweer ten grondslag heeft
gelegd.
- NNEK is er in haar grief van uitgegaan dat op haar volgens de
rechtbank een verzwaarde stelplicht rust en dat dit tussenvonnis
aldus moet worden verstaan dat de rechtbank de bewijslast in haar
nadeel heeft omgekeerd op de grond dat zij niet aan deze
verzwaarde stelplicht heeft voldaan. Tegen deze beslissing heeft
NNEK onder meer aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat
, indien een partij op wie een verzwaarde stelplicht rust, daaraan niet
voldoet, de rechter op die grond niet de bewijslast en dus het
bewijsrisico mag omkeren. Dit standpunt berust op een onjuiste
rechtsopvatting. Het is in beginsel aan het beleid van de rechter die
over de feiten oordeelt, overgelaten welke sanctie hij in de gegeven
omstandigheden passend acht indien een partij op wie een
verzwaarde stelplicht rust, daaraan niet voldoet. Wel zal het in de
regel meer voor de hand liggen dat de rechter de bewijslast niet
omkeert, maar de stellingen van de partij op wie de bewijslast rust
hetzij, als onvoldoende betwist, op de voet van art. 149 lid 1 Rv. als
vaststaand aanneemt, hetzij deze stellingen voorshands bewezen
acht behoudens tegenbewijs door de partij op wie de verzwaarde
stelplicht rust.
- Op NNEG rustte dus een verzwaarde motiveringsplicht omdat NNEG
over de relevante informatie beschikte.
HR Finaal Adviesgroep/Allerzorg: verzwaarde stelplicht
(motiveringsplicht)
- Het hof heeft miskend dat van Finaal Adviesgroep niet kan worden
gevergd dat zij een stelling onderbouwt voor zover de voor die
onderbouwing benodigde gegevens zich bevinden in het domein van
haar wederpartij en zij daar geen toegang toe heeft. Bij die stand
van zaken ligt het veeleer op de weg van Allerzorg om in het kader
van haar betwisting zodanige feitelijke gegevens te verstrekken dat
zij Finaal Adviesgroep aanknopingspunten verschaft voor een
eventuele nadere onderbouwing van haar stelling.
- Welke eisen zijn verbonden aan de stelplicht, is mede afhankelijk
van de vraag in wiens sfeer de betreffende informatie zich bevindt.
HR Diefstal bitcoins: stelplicht en voldoende gemotiveerde betwisting
- Eiser had de door verweerder gestelde diefstal van bitcoins
onvoldoende gemotiveerd betwist, in het licht van de zeer uitvoerig
gemotiveerde stellingen van verweerder
HC 3 en 4
HR Zeeuwse notaris: omkering bewijslast ogv eisen redelijkheid &
billijkheid, dwaling art. 6:228 lid 1 BW
- Man had als notaris vrouw verkeerd voorgelicht over de inhoud van
hun huwelijksvoorwaarden, waardoor vrouw in het geval van
echtscheiding uiteindelijk met lege(re) handen kwam te staan.
Vrouw doet een beroep op vernietiging op grond van dwaling.
Daarbij bewijslast in beginsel op vrouw overeenkomstig art. 150 Rv,
maar in deze uitzonderlijke omstandigheden – met name