‘Infectie en afweer’
N.B. de antwoorden op de vragen zijn op de laatste pagina’s te vinden
,Vraag 1 Ontstekingen en infecties (13 pt)
Mevrouw Janssen heeft drie weken geleden haar voet gestoten, waardoor een kleine
wond op haar rechtervoet ontstond. Ondanks wondverzorging blijft de wond rood,
gezwollen en pijnlijk. Er is sprake van pusvorming en een onaangename geur. Haar
temperatuur is 38,2°C.
a) Leg uit wat het verschil is tussen een infectie en een ontsteking. (2)
b) Beschrijf hoe een ontstekingsreactie kan ontstaan na weefselschade. (3)
Bij de binnenkomst van een pathogeen in het lichaam, worden antigenen van dit
pathogeen door een antigeen-presenterende cel aan een T-cel gepresenteerd
worden. Deze antigeen-presentatie kan dan plaatsvinden via MHC-I of MHC-II
moleculen
c) Op welke drie celtypes komt MHC-II tot expressie bij gezonde personen? (2)
d) Wat is de rol van MHC-II bij de activatie van CD4+ T-cellen? (2)
e) Wat is de rol van de Natural Killer (NK) cellen in de afweer tegen micro-
organismen? Geef daarbij aan hoe de NK-cellen een infectie kunnen
herkennen en wat het mechanisme(n) is/zijn om deze infectie tegen te gaan.
(4)
Vraag 2 Cel-gemedieerde immuniteit (8 pt)
Bij zowel de cel-gemedieerde als de humorale immuniteit, zijn
antigeenpresenterende cellen belangrijk in het activeren van T-cellen en B-cellen.
a) Welke signalen zijn nodig om T-cellen te kunnen activeren via APC’s zoals
dendritische cellen? (3)
b) Welke co-stimulatie moet er plaatsvinden om CD4+ T-helpercellen te
activeren? (1)
Bij de activatie van verschillende subsets van T-helpercellen, worden er diverse
cytokines afgegeven. Voorbeelden van cytokines die kunnen worden vrijgezet zijn:
IFN-gamma, IL-1, IL-2, IL-4, IL-5, IL-6, IL-13, IL-22 en IL-23.
c) De genoemde cytokines kunnen worden afgegeven als de Th1, Th2 en de
Th17-cellen geactiveerd worden. Geef per type T-helpercel aan welke
cytokines er door de activatie van dat type worden vrijgezet. (3)
d) Benoem de subset van Th-cellen die belangrijk zijn voor het opruimen van
extracellulaire pathogenen door IL-21 op te schroeven. (1)
, Vraag 3 Humorale immuniteit (11 pt)
Naast de cel-gemedieerde respons is het belangrijk om ook een humoraal respons te
krijgen bij een eventuele infectie. Bij dit type immuniteit zijn de B-lymfocyten
belangrijk. Op een bepaald moment herkent de B-cel-receptor een antigeen.
a) Leg uit hoe dit antigeen gepresenteerd kan worden op de B-cel. (3)
Op bepaalde momenten kunnen B-lymfocyten geactiveerd worden met of zonder de
hulp van T-cellen.
b) Wanneer ontstaat er een T-cel afhankelijk respons? En wanneer ontstaat een
T-cel onafhankelijk respons? Leg je antwoorden uit. (4)
c) In de T-cel afhankelijke respons produceren sommige B-cellen andere
antilichamen dan IgM. Welk immunologisch begrip past het best bij deze
omschrijving? (1)
d) Antilichamen kunnen het microbe op verschillende manieren onschadelijk
maken. Noem twee manieren hoe antilichamen ervoor kunnen zorgen dat
microben onschadelijk gemaakt worden. Leg deze twee manieren kort uit. (3)
Vraag 4 Microbiologie en antibiotica (10 pt)
Bacteriën kunnen op verschillende manieren resistentie verwerven, maar ook gedood
worden. Een patiënt krijgt, voor een infectie aan het maag-darm kanaal, het
antibioticum tetracycline toegediend. Een andere patiënt krijgt voor zijn
urineweginfectie het geneesmiddel trimethoprim toegediend.
a) Leg uit wat de werkingsmechanismen zijn achter de geneesmiddelen
tetracycline en trimethoprim. Geef daarbij per antibiotica aan of ze
bacteriostatisch of bactericide werken. (4)
Bij o.a. urineweginfecties kunnen bacteriofagen ook helpen om de infectie te
bestrijden.
b) Leg uit via welk mechanisme bacteriofagen urineweginfecties kunnen
verhelpen. (3)
Helaas kunnen sommige bacteriën niet met antibiotica worden bestreden, omdat ze
resistent zijn geworden tegen dat antibioticum.
c) Benoem drie verschillende manieren waarop een bacterie resistent kan
worden tegen een antibioticum. (3)