GRENSOVERSCHRIJDENDE FISCALE EENHEID ................................................................................................ 2
WET AANPASSING FISCALE EENHEID .............................................................................................................................. 2
Papillon fiscale eenheid ................................................................................................................................... 2
Zuster fiscale eenheid...................................................................................................................................... 3
Combinatievorm .............................................................................................................................................. 3
ANDERE GEVOLGEN FISCALE EENHEID ............................................................................................................................ 3
HOUDSTERVERLIESREGELING ...................................................................................................................... 4
ART. 10A WET VPB ..................................................................................................................................... 5
SPOEDREPARATIEMAATREGELEN ................................................................................................................ 6
TEGENGAAN DUBBELE VERLIESNEMING ...................................................................................................... 8
AANPASSINGEN OM MISBRUIK TE VOORKOMEN (ART. 15AC LID 7 WET VPB)....................................................................... 8
Internationale situatie..................................................................................................................................... 8
Nationale situatie ............................................................................................................................................ 8
VORDERING-SCHULDVERHOUDINGEN............................................................................................................................ 9
STAKINGSVERLIESREGELING BIJ DE OBJECTVRIJSTELLING ........................................................................... 10
TIJDSTIP AFTREK...................................................................................................................................................... 10
VALUTAVERTAALRESULTATEN EN VASTE INRICHTING ................................................................................ 11
,Grensoverschrijdende fiscale eenheid
Om een fiscale eenheid te kunnen vormen, moeten beide vennootschappen in Nederland gevestigd
zijn. Ook voor toepassing van het belastingverdrag moeten zij in Nederland gevestigd zijn. De
vestigingsplaatsfictie van art. 2 lid 4 Wet VPB geldt niet voor de fiscale eenheid. Er moet dus wel
gekeken worden naar art. 4 lid 1 AWR beoordeling aan de hand van feiten en omstandigheden
feitelijke leiding.
In beginsel kan een Nederlandse moeder dus niet in een fiscale eenheid met een dochter die in België
is gevestigd. Er wordt dus een onderscheid gemaakt tussen een in Nederland gevestigde dochter en
een in een andere lidstaat gevestigde dochter. Mag dit EU-rechtelijk wel? Deze vraag is voorgelegd aan
het Hof van Justitie X-Holding-arrest.
BNB 2010/166 (X-HOLDING)
Het Hof van Justitie vindt dat een belangrijk voordeel van de fiscale eenheid horizontale
verliesverrekening is. In de casus van dit arrest ging het om een Belgische dochter met verliezen en
een Nederlandse moeder met winsten. Als deze twee vennootschappen in een fiscale eenheid mogen,
worden de Belgische verliezen geabsorbeerd door de Nederlandse moeder. Hier was de fiscus bang
voor. Volgens het Hof is het onderscheid gerechtvaardigd gelet op de evenwichtige verdeling van
heffingsbevoegdheden, want anders wordt de Nederlandse grondslag uitgehold.
Dit arrest is gewezen vóór de invoering van de objectvrijstelling (art. 15e Wet VPB). Door dit artikel
wordt het buitenlandse resultaat van een vaste inrichting al direct geëlimineerd uit de Nederlandse
grondslag. Speelt de angst van de fiscus uit X-Holding nu dankzij de objectvrijstelling helemaal niet
meer? Dit valt nog maar te bezien. Art. 15e Wet VPB is niet van toepassing op een buitenlandse dochter
die alleen beleggingen heeft want geen vaste inrichting. Het arrest X-Holding is dus nog niet
achterhaald.
Wet aanpassing fiscale eenheid
Papillon fiscale eenheid
Een moeder houdt alle aandelen in een EU-dochter. Die dochter houdt alle
aandelen in een Nederlandse kleindochter. De moeder en de kleindochter zijn
feitelijk in Nederland gevestigd en voldoen volledig aan de voorwaarden om
opgenomen te worden in een fiscale eenheid. De dochter is niet in Nederland
gevestigd, dus zij kan niet in de fiscale eenheid.
Is de fiscale eenheid tussen de moeder en kleindochter mogelijk? De moeder
heeft geen aandelenbezit in de kleindochter, terwijl die voor toepassing van de fiscale eenheid
minstens 95% moet hebben. De belastingplichtige vindt dit een belemmering. Als de tussenhoudster
in Nederland had gezeten, was het wel mogelijk geweest, omdat de tussenhoudster dan in de fiscale
eenheid had gekund.
Het Hof van Justitie vond dit inderdaad een belemmering die niet gerechtvaardigd is. Dus Nederland
moest toestaan dat de fiscale eenheid tussen moeder en kleindochter kon worden gevormd. Dit is
inmiddels opgenomen in art. 15 lid 3 sub b Wet VPB.
2
, Zuster fiscale eenheid
Een EU-moeder heeft twee Nederlandse dochters. Kunnen beide dochters
samen in een fiscale eenheid? In principe kunnen zij alleen in een fiscale
eenheid als de ene vennootschap 95% van de aandelen in de ander heeft. In
casu is er niet voldaan aan de bezitseis. Er kan dus in beginsel geen fiscale
eenheid ontstaat omdat de moeder niet in Nederland gevestigd is
belemmering.
Het Hof van Justitie vond dit ook een belemmering. Beide dochters mogen dus met elkaar in een fiscale
eenheid. Dit is inmiddels opgenomen in art. 15 lid 2 Wet VPB. Volgens dit artikel wordt de buitenlandse
moeder aangeduid als ‘topmaatschappij’. De belastingplichtigen moeten onderling uitmaken aan wie
het vermogen en de werkzaamheden van de ander worden toegerekend. Je moet dus als het ware zelf
je moeder kiezen. Je kunt niet elk jaar dit verzoek wijzigen. In principe geldt: eens gekozen, blijft
gekozen.
Combinatievorm
Een EU-moeder heeft twee EU-dochters. Beide EU-dochters houden
respectievelijk 100% van A BV en B BV. Mag er een fiscale eenheid worden
gevormd tussen A BV en B BV? In dit geval hebben de Nederlandse
vennootschappen geen gezamenlijke EU-moeder, maar wel een
gezamenlijke EU-grootmoeder. Die EU-grootmoeder houdt wel via twee EU-
tussenmaatschappijen de aandelen A BV en B BV. Dit is een combinatie van
de papillon fiscale eenheid en de zuster fiscale eenheid. Ook in dit geval mag
er een fiscale eenheid worden gevormd.
Andere gevolgen fiscale eenheid
• Geruisloze overdracht vermogensbestanddelen | Er hoeft niet te worden afgerekend over de
stille reserves. Stel een moeder heeft een machine die voor 1000 op haar balans staat. De
machine wordt overgebracht op de dochter binnen fiscale eenheid. De machine is 1500 waard,
maar er hoeft niet te worden afgerekend over de stille reserve. De moeder kan er ook voor
kiezen de machine over te brengen naar haar Belgische dochter. Deze dochter kan niet in een
fiscale eenheid, dus moet er wel worden afgerekend. Dit leidt tot een onderscheid, maar dit is
gerechtvaardigd, want anders wordt de coherentie van het Nederlandse belastingstelsel en de
evenredige verdeling van heffingsbevoegdheden doorbroken.
• Afschudden houdsterverliesstatus
• Deelnemingen onzichtbaar
• Vordering-schuldverhoudingen onzichtbaar | Stel je hebt een moeder en een dochter in een
fiscale eenheid. De moeder heeft een vordering op de dochter. Fiscaal zien we die vordering
niet. Dit betekent dat de rentebaten niet belast zijn en de rentelasten niet aftrekbaar.
Stel je hebt een Nederlandse moeder met een Duitse dochter. De moeder heeft een vordering
op de dochter. Dat leidt tot rentebaten bij de moeder en rentelasten bij de dochter. Als de
dochter in Nederland had gezeten, had er een fiscale eenheid gevormd kunnen worden. De
rentebaten zouden dan onzichtbaar zijn en dus onbelast. Er is dus een onderscheid tussen het
hebben van een vordering op een Nederlandse dochter en het hebben van een vordering op
een buitenlandse dochter. Advocaat-Generaal Wattel vindt dit onderscheid gerechtvaardigd,
want anders wordt de coherentie van het Nederlandse belastingstelsel en de evenredige
verdeling van heffingsbevoegdheden doorbroken.
• Twee losse belangen van minder dan 5% worden door de fiscale eenheid opgeteld, waardoor
de deelnemingsvrijstelling wel van toepassing is.
3