Samenvatting Diabetes Mellitus
Boek: Handboek Diabetes Mellitus 4e druk
Hoofdstuk 3 – Classificatie van diabetes mellitus
2. Diabetes type 1
Diabetes type 1 wordt gekenmerkt door destructie van de insuline producerende bètacellen
waardoor een absoluut tekort aan insuline ontstaat.
In het algemeen leidt deze aandoening tot de noodzaak van insulinebehandeling.
Er zijn 2 subcategorieën:
1. Auto-immuun diabetes type 1
2. Idiopathische diabetes type 1
2.1 Auto-immuun diabetes type 1
Deze vorm wordt gekenmerkt door T-celgemedieerde auto-immuun destructie van de
bètacellen. Bij de diagnose en gedurende de rest van het leven zijn meestal
autoantilichamen aanwezig autoantilichamen tegen de eilandjes van Langerhans (ICA) en
tegen eilandjesepitopen zoals anti-insuline, anti-GAD en anti-IA2.
Er wordt aangenomen dat deze autoantilichamen een gevolg zijn van de activatie van het
auto-immuunsysteem maar zelf niet betrokken zijn bij de destructie van bètacellen. Daarbij
spelen T-cellen een speciale rol.
Latent auto-immune diabetes of adults (LADA) of diabetes type 1 ½ = patiënten die eerst
geen insuline nodig hebben, maar uiteindelijk zullen deze mensen ook met insuline moeten
worden behandeld afnemende bètacelfunctie.
De snelheid van destructie van de bètacellen is variabel.
2.2 Idiopathische diabetes type 1
De etiologie van de bètaceldestructie bij diabetes type 1 is niet duidelijk kleine groep
patiënten.
3. Diabetes type 2
Wordt gekenmerkt door zowel insulineresistentie als bètaceldisfunctie disfunctionerende
bètacellen of een verminderd aantal bètacellen.
Slanke, oudere patiënten met diabetes type 2 hebben met name een
bètaceldisfunctie.
Bij obese adolescente of jongvolwassenen patiënten met diabetes type 2 speelt
insulineresistentie een zeer prominente rol.
De oorzaak van diabetes type 2 is niet bekend.
1
Boek: Handboek Diabetes Mellitus 4e druk
Hoofdstuk 3 – Classificatie van diabetes mellitus
2. Diabetes type 1
Diabetes type 1 wordt gekenmerkt door destructie van de insuline producerende bètacellen
waardoor een absoluut tekort aan insuline ontstaat.
In het algemeen leidt deze aandoening tot de noodzaak van insulinebehandeling.
Er zijn 2 subcategorieën:
1. Auto-immuun diabetes type 1
2. Idiopathische diabetes type 1
2.1 Auto-immuun diabetes type 1
Deze vorm wordt gekenmerkt door T-celgemedieerde auto-immuun destructie van de
bètacellen. Bij de diagnose en gedurende de rest van het leven zijn meestal
autoantilichamen aanwezig autoantilichamen tegen de eilandjes van Langerhans (ICA) en
tegen eilandjesepitopen zoals anti-insuline, anti-GAD en anti-IA2.
Er wordt aangenomen dat deze autoantilichamen een gevolg zijn van de activatie van het
auto-immuunsysteem maar zelf niet betrokken zijn bij de destructie van bètacellen. Daarbij
spelen T-cellen een speciale rol.
Latent auto-immune diabetes of adults (LADA) of diabetes type 1 ½ = patiënten die eerst
geen insuline nodig hebben, maar uiteindelijk zullen deze mensen ook met insuline moeten
worden behandeld afnemende bètacelfunctie.
De snelheid van destructie van de bètacellen is variabel.
2.2 Idiopathische diabetes type 1
De etiologie van de bètaceldestructie bij diabetes type 1 is niet duidelijk kleine groep
patiënten.
3. Diabetes type 2
Wordt gekenmerkt door zowel insulineresistentie als bètaceldisfunctie disfunctionerende
bètacellen of een verminderd aantal bètacellen.
Slanke, oudere patiënten met diabetes type 2 hebben met name een
bètaceldisfunctie.
Bij obese adolescente of jongvolwassenen patiënten met diabetes type 2 speelt
insulineresistentie een zeer prominente rol.
De oorzaak van diabetes type 2 is niet bekend.
1