problems: hardnekkig, complex, geen duidelijke oplossing.
Kessels&Smit: acht velden instrument, twee vragen; wat bereiken (analyse, linkerkant), wanneer tevreden (evaluatie, rechterkant). Instrument: doel, werksituatie,
vaardigheden, leersituatie, proces, leerresultaten, functioneren, impact. I Benadrukt belang vooraf formuleren evaluatiecriteria.
De Witte: waarom (product leadership, operational excellence, customer intimacy, experience, community building), wat: gap-analyse (structuur, technologie, mens,
cultuur), wie: stakeholder-analyse (ik, team, afdeling, organisatie, leverancier, klant), hoe: interventieplan (planned/links, continuous/rechts). 1e: verbeteren, 2e:
transformeren, 3e: transitie. I Diepte: wat, maakt complexer. Breedte: wie, vraagt meer tijd. Paradoxen: deel/geheel, inhoud/betekenis, ratio/emotie.
Elving&Boonstra: mislukkingen: context, communicatie, aanpak, reacties. Benadering: Ontwerp/ontwikkel. Strategie: Macht (doorduwen), planmatig (overtuigen),
onderhandeling (ruilen/belonen), programmatisch (trekken), interactief (ontdekken). Communicatie: Overtuiging (info verticaal), beïnvloeding (effectieve overdracht),
relationeel (beïnvloeden relaties), afstemming (kennis/info uitwisselen), interactie (dialoog/betekenisgeving). Rol: expert, procedureel, socio-emotio, politiek,
initiërend-faciliterend. Boonstra: planned change, org. development, continuous change
Oreg&Vakola: Antecedenten: pre-verandering (kenmerken ontvanger, interne context), verandering (proces, voordeel/schade, inhoud). Reacties: affectief,
cognitief, gedragsmatig. Gevolgen: Werk, persoonlijk. Macht: vormen: expertise (ikweet), authority (ikkan), referent (vertrouw), reward (alsdan), association (ikken).
Deen: Ontwerpbenaderingen: systematisch (voorspel,plan,beheersbaar), relationeel (sociale/communicatieve), pragmatisch/agile (bijstellen ontwerp),
constructivistisch (opbouwen kennis door ervaringen), open ontwerp (dialoog met lerende).
Yukl: Flexible leadership theory: org. effectiviteit, prestatiedeterminanten (efficiëntie, aanpassing/innovatie, human captil), situationeel, leiderschapsbeslissingen/
acties. Vormen invloed effectief leiderschap: leiderschapsgedrag (taak, relatie, verandering), managementprogramma’s, beslissingen competetieve strategie
I verbeteren ene determinant kan ten koste gaan van andere I Gedistribueerd leiderschap: het collectieve, gecoördineerde handelen van meerdere leiders.
Lawrence: Organisatorisch leren als meerlagig proces. Model organizational learning (Crossan), Processen: intuiting (discipline/systemic), interpreting (influence/
episodic), integrating (force/episodic) institutionalizing (domination/systemic) I Exploratie> nieuwe kennis proberen te vinden. Exploitatie: toepasn bestaande kennis
Coppoolse: centraal/lokaal, grootschalig/kleinschalig. Interventies: veranderenergie vrijmaken (inspirerend verhaal), bundelen (gezamenlijk), via inhoud (zinvol),
faciliteren (helder) Beïnvloeding: resultaatgericht, politiek, relatie, synergiegericht Frames: Leidend principe (vraagstuk/idee), eensgezindheid (consensus/schuring)
Billet: affordances / individuele betrokkenheid. Niveaus werkplekleren: werk doen, (be)geleid leren op werkplek, leren daarbuiten. I Mastery vs appropriation.
Paavola: acquisitie/participatie/kenniscreatie metafoor. Model kenniscreatie: socialization, externalization, combination, internalization. Expansief leren (CHAT): 7
fasen: Vragen stellen/kritiek op bestaande praktijken, situatie analyseren, nieuwe oplossing, nieuwe model onderzoeken, nieuwe model implementeren,
reflecteren/evalueren, nieuwe praktijk consolideren. Knowledge building: wereld 1 (fysiek), 2 (realiteit/mentale staat): leren, 3 (culturele kennis): knowledge building.
Rosenberg: performance support job aids/electronic. Wanneer: iets (nieuws) toepassen, probleem oplossen, iets veranderd. Mate integratie: extern/extrin/intrinsiek
Decuyper: general system theory: Input (sub-, system, supra), basisprocessen: (sharing, co-constructie, constructive conflict), faciliterend (team reflexity, activity,
boundary crossing), storage&retrieval. Teamleeruitkomst: adaptatie vs verbetering, primair vs secundair, typologie (adaptief, generatief, transformatief), wat (task,
social, proces, boundary crossing), wie (individu, team, organisatie, maatschappij). Bouwstenen: catalyst emergent states: shared mental models, psychologische
veiligheid, team efficacy, cohesion. Tijd: team development. Systeem: interdependence, team leadership, team structure. Supra: organizational strategy. Sub:
system thinking. Valkuilen: groupthink, diffusion responsibility, dominant leader, beslissing paradox, free riding, social loafing, conflict escalation.
Derksen: succesfactoren team: omvang, helder gemeenschappelijk doel, evalueren, taken verdelen, leiderschap/zelfsturing
Schenke: School directed, school and researcher, school and advisor, researcher I principes richting geven: wees beweging, bouw vitaal netwerk, open onverwacht
Akkerman&Bakker: boundary crossing, brokers/bruggenbouwers, grensobjecten. Leermechanismen: identificatie, coördinatie, reflectie, transformatie.
McLean: creativiteit vs innovatie, Beïnvloedende factoren: + organisatorische aanmoediging, leidinggevende, werkgroep, vrijheid/autonomie, middelen (tijd/geld)
- controle. Dimensies klimaat: goal-, means emphasis, reward oriëntation, task support, socio-emotio support.
Straub: adoptie/diffusie. Beïnvloedende kernmerken: individuele, innovatieve, contextuele. Rogers: fasen (bewustzijn, doordringen, beslissen, implementeren,
bevestigen), componenten: innovatie, communicatie, sociale systeem, tijd. Concerns based adoption CBAM: stages concern, levels of use, innovation configuration
Verdonschot: Verbreden (mensen betrekken), verdiepen (onderzoeken, ervaren, voeden met kennis), richting geven (samenhang aanbrengen, aanjagen) I boven