Week 1
Raad van Europa
De Raad van Europa is een Europees samenwerkingsverband opgericht in 1949 door tien West-
Europese landen. De Raad heeft inmiddels 46 lidstaten en zetelt in Straatsburg. Het doel van de Raad
van Europa is het beschermen van mensenrechten, de rechtstaat en de democratie. De Raad van
Europa is intergouvernementeel; besluiten worden genomen bij unanimiteit of consensus, niet bij
een meerderheid. De Raad van Europa kan geen verordeningen of beschikkingen uitstellen, maar wel
aanbevelingen doen en verdragen sluiten.
Het belangrijkste orgaan van de Raad van Europa is het Comité van Ministers waarin de ministers van
buitenlandse zaken samenkomen. Het Comité is de ‘baas’ en bepaalt het beleid van de Raad van
Europa en waaraan het geld wordt uitgegeven.
Sinds 2022 zit het hele Europese continent bij de RvE, met uitzondering van Wit-Rusland. Na de inval
van Oekraïne door Rusland werd het lidmaatschap van Rusland opgeschort waarna Rusland door het
Comité uit de RvE werd gezet.
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)
Het Europees Verdrag voor de Rechten van Mens werd in Rome in 1950 ondertekend en is sindsdien
door alle lidstaten van de Raad van Europa geratificeerd. Het EVRM bestaat uit een klein aantal
klassieke rechten, voornamelijk onthoudingsverplichtingen voor de staat.
Art. 1 EVRM bevat de basisverplichting: iedere staat die partij is bij het EVRM, verzekert eenieder die
zich in zijn rechtsmacht bevindt, de rechten en vrijheden van het Verdrag. Voor een beroep op het
EVRM is dus niet van belang welke nationaliteit iemand heeft, zolang diegene zich op het
grondgebied van een van de lidstaten bevindt.
In de loop der tijd is de mensenrechten-catalogus van het EVRM uitgebreid. Daartoe is een serie
protocollen opgesteld. Dat zijn aparte verdragen die bindend zijn voor de staten die, in aanvulling op
het EVRM, ook het desbetreffende protocol hebben geratificeerd.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)
Een staat heeft naast een onthoudingsplicht, ook een inspanningsverplichting; er moet actief worden
voorkomen dat mensenrechten worden geschonden. Het EHRM is een vangnet dat controleert of
verdragsluitende partijen zich aan hun verplichtingen houden.
De rechters van het Hof worden gekozen voor een periode van negen jaar en zijn niet herkiesbaar.
Sinds de inwerkingtreding van het Elfde Protocol in 1998 geldt dat iedere staat die partij is bij het
EVRM, de rechtsmacht van het EHRM en het individuele klachtrecht erkent. Naast het individuele
klachtrecht van de burger tegenover een verdragspartij, kunnen verdragspartijen elkaar ook
onderling aanklagen.
Klachtprocedure
Na registratie wordt een klacht toegewezen aan een rechter, de ‘rechter-rapporteur’, die
verantwoordelijk is voor de voortgang van de behandeling. De rechter-rapporteur zal vaak afkomstig
zijn uit het land waartegen wordt geklaagd, zodat hij/zij het dossier kan lezen en het belang van de
zaak goed kan inschatten.
,Veel klachten worden voorgelegd aan een Comité van drie rechters. Dit Comité kan bij unanimiteit
besluiten een klacht niet-ontvankelijk te verklaren; de procedure is daarmee beëindigd. Komt het
Comité niet tot een dergelijke beslissing, of is de rechter-rapporteur meteen al van oordeel dat de
klacht een kans maakt, dan wordt de klacht voorgelegd aan een Kamer van zeven rechters. Verklaart
de Kamer de klacht ontvankelijk en zijn partijen niet tot een minnelijke schikking beried, dan doet de
Kamer uitspraak over de merites. De arresten zijn bindend (art. 46 EVRM) en het slachtoffer kan een
billijke genoegdoening krijgen (art. 41 EVRM). Het Hof heeft niet de bevoegdheid nationale
handelingen ongedaan te maken, dat is aan de staat. Het Comité van Ministers ziet echter wel te op
de tenuitvoerlegging van de uitspraken van het Hof (art. 46 EVRM).
Indien een zaak aanleiding geeft tot een ‘ernstige vraag’ betreffende de interpretatie van het EVRM,
dan kan de Kamer afstand van rechtsmacht doen ten gunste van een Grote Kamer die uit zeventien
rechters bestaat (art. 30 EVRM).
Tot slot biedt artikel 43 EVRM ‘in uitzonderlijke gevallen’ de mogelijkheid van een soort intern appel
(rehearing). Indien een Kamer een uitspraak heeft gedaan waarvan een van de partijen meent dat
deze apert onjuist is, dan kan de zaak binnen drie maanden worden verwezen naar de Grote Kamer.
Een panel van vijf rechter zal dan nagaan of er inderdaad een aanleiding bestaat voor een rehearing.
In gevallen waarin onherstelbare schade dreigt, kan het Hof voorlopige maatregelen nemen. Vaak
gaat het om zaken waarin de klager dreigt te worden uitgezet naar land waar hem een onmenselijke
behandeling te wachten zou staan. Het Hof laat de betrokken staat dan weten dat deze de klager,
hangende de procedure in Straatsburg, niet dient uit te zetten.
Ontvankelijkheidsvoorwaarden
De ontvankelijkheidsvoorwaarden zijn genoemd in artikel 34 &35 EVRM. De vereisten zijn cumulatief,
voldoe je niet aan een van deze vereisten, dan vervalt je klachtrecht en word je niet-ontvankelijk
verklaard.
Art. 34 EVRM: Het moet gaan om een klacht van een natuurlijke persoon, een NGO of een groep,
tegen een verdragspartij (een van 46 lidstaten). Het moet gaan om een schending van rechten die
door het EVRM beschermd zijn en je moet zelf het slachtoffer van deze schending zijn.
Art. 35 EVRM: De nationale rechtsmiddelen moeten zijn uitgeput en de klacht moet binnen vier
maanden zijn ingediend na de uitspraak van de nationale hoogste rechter. De klacht mag niet
anoniem zijn (Blondje), de klacht mag niet worden herhaald en de klager moet een wezenlijk nadeel
hebben geleden. Daarnaast wordt de klacht afgewezen als de klacht kennelijk ongegrond is – er is
een mismatch met de klacht en het recht waar de klager zich op beroept (Schuitenmaker).
, Week 2
1951 – 1965: De oprichting
De huidige Europese samenwerking komt voort uit de EGKS die in 1951 werd opgericht met het
Verdrag van Parijs. De zes oprichtende landen waren Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk. West-
Duitsland en Italië. Naast het voorkomen van oorlog was een belangrijk doel van de EGKS het
vergroten van de economische groei en werkgelegenheid om zo de levenstandaard in de lidstaten te
verbeteren.
De EGKS was een idee van de Franse zakenman Jean Monnet, uitgewerkt door de Franse minister van
Buitenlandse zaken Robert Schuman in een toespraak op 9 mei 1950. Eerder, in 1946, riep ook
Churchill al op tot een ‘Verenigde Staten van Europa’.
In de jaren na de oprichting van de EGKS is getracht om de samenwerking door te trekken naar
andere terreinen. Zo werd gesproken over een Europese defensiegemeenschap met een Europees
leger en een gezamenlijk defensiebudget. Samenwerking bleek op dit terrein lastig en dus kwam de
nadruk al snel te liggen op economische samenwerking. In 1957 werd het Verdrag van Rome
getekend waarmee de Europese Economische gemeenschap (EEG) en het Verdrag tot oprichting van
de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) werden opgericht. De EEG en Euratom
stonden aanvankelijk los van de EGKS, maar deelden hetzelfde Hof en de Gezamenlijke Vergadering.
Iedere Gemeenscha had dus een eigen Commissie en een aparte Raad van Ministers. Pas in 1965 zijn
de instituties van de drie gemeenschappen samengegaan. In de beginjaren was de EEG een succes en
droeg ze bij aan een sterke stijging van de economische groei van de zes lidstaten.
1965 – 1985: Eurosclerose
In de tweede helft van de jaren zeventig en de eerste helft van de jaren tachtig was er weinig
enthousiasme voor verdere Europese integratie, mede door de economische crisis en de hoge
werkeloosheid in Europa. Met name de Franse regering, onder leiding van de De Gaulle, wierp zich
tegen een supranationale opstelling van de Commissie.
Lege Stoel-crisis 1965 & Europese Raad
Gedurende een periode van zeven maanden weigerde Frankrijk om nog langer aanwezig te zijn bij
bijeenkomsten van de Raad. Frankrijk was het niet eens met de meer supranationale invulling van
het landbouwbeleid en de aanstaande intreden van stemmen binnen de Raad met gekwalificeerde
meerderheid in plaats van unanimiteit, waarmee ze hun veto zouden verliezen.
De Franse afwezigheid tijdens bijeenkomsten van de Raad zorgde ervoor dat de machinerie tot
stilstand kwam. Dit wordt doorbroken door het akkoord van Luxemburg in 1966 – een agreement to
disagree. In dit akkoord werd vastgelegd dat er altijd gepoogd moest worden om consensus te
bewerkstelligen. Mocht dit niet lukken, dan liet dit akkoord de weg open voor lidstaten om een veto
uit te spreken wanneer ‘zeer gewichtige nationale belangen’ op het spel stonden.
Nadat De Gaulle verdween, konden veel landen eindelijk toetreden. Met meer landen werd het
steeds moeilijker een consensus te bereiken en de vijandige houding van Thatcher ten opzichte van
de gemeenschappen hielp ook niet mee.
In 1974 werd, buiten de verdragen om, de Europese Raad opgericht om de informele praktijk van de
bijeenkomsten van de regeringsleiders te formaliseren. De Europese Raad zou minimaal twee keer
per jaar bij elkaar komen in steeds een andere hoofdstad.
Hof van Justitie van de Europese Unie & Europees Parlement