Europees Recht
Staatssoevereiniteit = de overheid heeft de ultieme beslissingsbevoegdheid op het grondgebied van de
staat en is de enige die wet- en regelgeving kan opstellen. Dit houdt dus in dat andere staten niet kunnen
bepalen hoe Nederland zijn regelgeving vormgeeft, deze macht ligt alleen bij de nationale overheid.
Deze macht kan op 2 manieren worden beperkt, door middel van het vrijwillig overdragen van deze
macht of het onvrijwillig overdragen van deze macht.
⁃ Ten eerste kan een staat beslissen om (een deel van) de beslissingsbevoegdheid over te dragen aan
bijv. Een internationale organisatie. De staat kan dan niet meer zelf alle regels stellen, maar bepaalt dat
een organisatie hoger en gezaghebbender is dan de staat zelf. Het gaat hier natuurlijk om vrijwillig
overdragen van beslissingsbevoegdheid, bijv. Ten gunste van inwoners van een staat omdat een
gezaghebbende en machtigere organisatie het belang beter jan dienen.
⁃ Een voorbeeld van onvrijwillig overdragen van beslissingsbevoegdheid komt voor in geval van het
militair binnenvallen van de ene staat door een andere staat.
VEU: in dit verdrag staan de doelstellingen van de EU opgenoemd. De belangrijkste doelstellingen zijn
vrede en welzijn, het creëren van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, het oprichten en voltooien
van de interne markt, het instellen van een economische en monetaire unie en het beschermen van
mensenrechten.
Als we het hebben over wetgeving met een supranationaal karakter. Staten kunnen bij het oprichten
van een organisatie zelf kiezen of en hoeveel soevereiniteit ze afstaan aan deze organisatie. Als lidstaten
geen soevereiniteit afstaan, wordt de organisatie een intergouvernementele organisatie genoemd. Als
lidstaten wel beslissingsbevoegdheid afstaan aan de organisatie, is er sprake van een supranationale
organisatie. Een supranationale organisatie staat boven de lidstaten, terwijl een intergouvernementele
organisatie een samenwerking is tussen lidstaten. De lidstaten geven in het geval van de Europese Unie
vrijwillig een gedeelte van hun beslissingsbevoegdheid af aan een internationale organisatie. Zij
accepteren in dat geval dat de organisatie zelf regels vaststelt waar zij zich aan moeten houden. De
staten kunnen dan niet meer afzonderlijk de inhoud van deze regels bepalen.
De 5 beginselen van de Europese Unie:
1. Loyale samenwerking (art. 4 lid 3 VEU)
2. Attributiebeginsel (art. 5 lid 2 VEU)
3. Subsidiariteitsbeginsel (art. 5 lid 3 VEU)
4. Evenredigheidsbeginsel (art. 5 lid 4 VEU)
5. Gelijkheidsbeginsel (art. 18 VWEU)
1. Loyale samenwerking: lidstaten doen niets wat strijdig is met de verdragen en voeren trouw alle
verplichtingen uit die uit het EU recht voortvloeienbijv. Duitsland is verplicht om uitvoering te geven
aan de afspraken uit de EU richtlijnen betreffende de verplichtingen die de EU heeft opgelegd
aangaande het consumentenrecht
2. Attributiebeginsel: de EU is alleen bevoegd als daarvoor een grondslag bestaat in het verdragbijv.
Artikel 38 VWEU geeft de EU de bevoegdheid en mogelijke om beleid op te stellen op het gebied van
landbouw.
3. Subsidairiteitsbeginsel: de lidstaten bepalen zo veel mogelijk zelf. Pas als het beter gezamenlijk kan
is de EU bevoegdbijv. Het effect van regels tegen luchtverontreiniging is groten als de EU deze
opstelt, dan als alleen NL dit doet.
4. Evenredigheidsbeginsel: voor het bereiken van een doel moet altijd het minst ingrijpende middel
worden gekozenbijv. De Duitse overheid mag een product niet verbieden, maar mag wel verplichten
dat er een waarschuwing komt op het etiket.
5. Gelijkheidsbeginsel: discriminatie op grond van nationaliteit is verbodenbijv. Spanje mag personen,
goederen en diensten uit andere lidstaten niet anders behandelen van personen, goederen en
diensten uit Spanje
, De Europese interne markt bestaat uit 3 onderdelen:
1. Regels op het gebied van vrij verkeer;
In de EU geldt vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal. Het beginsel van vrij verkeer
betekent dat de handelsstroom tussen lidstaten niet belemmerd mag worden. Een lidstaat kan bijv. Niet
meer verbieden dat een product uit een andere lidstaat verkocht wordt. Is een product eenmaal in een
lidstaat in de handel gebracht, dan heeft dat product in principe vrije toegang tot alle nationale markten
van de EU.
2. Verbod op staatssteun;
De interne markt omvat nog een pijler, te weten het verbod op staatssteun. Staatssteun komt in veel
verschillende vormen voor. Je kunt bijv, denken aan subsidies die door de overheid worden gegeven.
Met een subsidie is het mogelijk voor een bedrijf om goedkoper te produceren. Een dergelijke subsidie
kan de interne markt schaden doordat het oneerlijke concurrentie creëert. Het geven van staatssteun in
de EU is daarom verboden.
3. Mededingingsregels;
Niet alleen de overheid kan de interne markt belemmeren, ook bedrijven kunnen met hun marktgedrag de
interne markt verstoren. Zij kunnen bijv. Afspraken met elkaar maken over de prijs die ze voor hun
producten vragen, waardoor de concurrentie wordt beperkt en consumenten te veel betalen. Dit noemen
we kartelvorming. Kartelvorming in de EU is verboden en wordt door de Commissie met hoge boeter
bestraft.
Voorbeeld van kartelvorming = bierbrouwers maken prijsafspraken, waardoor de consument wordt
benadeeld en krijgen door de Commissie een flinke boete opgelegd.
De Europese Unie heeft 5 instellingen:
1. Europese Raad
2. Europees Parlement
3. Europese Commissie
4. Raad van de Europese Unie
5. Hof van Justitie
1. Europese Raad;
De hoogste instelling is de Europese Raad. Deze instelling komt ook het meest in het nieuws, omdat hier
de belangrijkste beslissingen worden genomen. De Europese Raad sluit namelijk de verdragen: de
belangrijkste vorm van het Europese Recht. De rechtsbasis voor de samenstelling en de taken van de
Europese Raad zijn terug te vinden in artikel 15 VEU.
Staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten hebben zitting in de Europese Raad, samen met de
voorzitter van de Europese Commissie. De Europese raad heeft een vaste voorzitter. Nederland wordt in
de raad vertegenwoordigd door de minister-president. De Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor
Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid is lid van de Europese Commissie, maar als de Europese raad
het over buitenlandse zaken en veiligheid heeft, neemt deze ook deel aan de samenwerking en
overleggen van de Europese Raad.
Taken van de Europese Raad zijn verdragen opstellen en verdragen wijzigen.
De wijzigingen worden voorbereid door juristen en diplomaten uit alle lidstaten. In het proces zullen al
compromissen gesloten worden. Uiteindelijk komt de EU raad bij elkaar voor een definitieve vaststelling
van een nieuw verdrag. Een beslissing in de Europese raad wordt meestal genomen met unanimiteit.
2. Europees Parlement (EP);
Staatssoevereiniteit = de overheid heeft de ultieme beslissingsbevoegdheid op het grondgebied van de
staat en is de enige die wet- en regelgeving kan opstellen. Dit houdt dus in dat andere staten niet kunnen
bepalen hoe Nederland zijn regelgeving vormgeeft, deze macht ligt alleen bij de nationale overheid.
Deze macht kan op 2 manieren worden beperkt, door middel van het vrijwillig overdragen van deze
macht of het onvrijwillig overdragen van deze macht.
⁃ Ten eerste kan een staat beslissen om (een deel van) de beslissingsbevoegdheid over te dragen aan
bijv. Een internationale organisatie. De staat kan dan niet meer zelf alle regels stellen, maar bepaalt dat
een organisatie hoger en gezaghebbender is dan de staat zelf. Het gaat hier natuurlijk om vrijwillig
overdragen van beslissingsbevoegdheid, bijv. Ten gunste van inwoners van een staat omdat een
gezaghebbende en machtigere organisatie het belang beter jan dienen.
⁃ Een voorbeeld van onvrijwillig overdragen van beslissingsbevoegdheid komt voor in geval van het
militair binnenvallen van de ene staat door een andere staat.
VEU: in dit verdrag staan de doelstellingen van de EU opgenoemd. De belangrijkste doelstellingen zijn
vrede en welzijn, het creëren van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, het oprichten en voltooien
van de interne markt, het instellen van een economische en monetaire unie en het beschermen van
mensenrechten.
Als we het hebben over wetgeving met een supranationaal karakter. Staten kunnen bij het oprichten
van een organisatie zelf kiezen of en hoeveel soevereiniteit ze afstaan aan deze organisatie. Als lidstaten
geen soevereiniteit afstaan, wordt de organisatie een intergouvernementele organisatie genoemd. Als
lidstaten wel beslissingsbevoegdheid afstaan aan de organisatie, is er sprake van een supranationale
organisatie. Een supranationale organisatie staat boven de lidstaten, terwijl een intergouvernementele
organisatie een samenwerking is tussen lidstaten. De lidstaten geven in het geval van de Europese Unie
vrijwillig een gedeelte van hun beslissingsbevoegdheid af aan een internationale organisatie. Zij
accepteren in dat geval dat de organisatie zelf regels vaststelt waar zij zich aan moeten houden. De
staten kunnen dan niet meer afzonderlijk de inhoud van deze regels bepalen.
De 5 beginselen van de Europese Unie:
1. Loyale samenwerking (art. 4 lid 3 VEU)
2. Attributiebeginsel (art. 5 lid 2 VEU)
3. Subsidiariteitsbeginsel (art. 5 lid 3 VEU)
4. Evenredigheidsbeginsel (art. 5 lid 4 VEU)
5. Gelijkheidsbeginsel (art. 18 VWEU)
1. Loyale samenwerking: lidstaten doen niets wat strijdig is met de verdragen en voeren trouw alle
verplichtingen uit die uit het EU recht voortvloeienbijv. Duitsland is verplicht om uitvoering te geven
aan de afspraken uit de EU richtlijnen betreffende de verplichtingen die de EU heeft opgelegd
aangaande het consumentenrecht
2. Attributiebeginsel: de EU is alleen bevoegd als daarvoor een grondslag bestaat in het verdragbijv.
Artikel 38 VWEU geeft de EU de bevoegdheid en mogelijke om beleid op te stellen op het gebied van
landbouw.
3. Subsidairiteitsbeginsel: de lidstaten bepalen zo veel mogelijk zelf. Pas als het beter gezamenlijk kan
is de EU bevoegdbijv. Het effect van regels tegen luchtverontreiniging is groten als de EU deze
opstelt, dan als alleen NL dit doet.
4. Evenredigheidsbeginsel: voor het bereiken van een doel moet altijd het minst ingrijpende middel
worden gekozenbijv. De Duitse overheid mag een product niet verbieden, maar mag wel verplichten
dat er een waarschuwing komt op het etiket.
5. Gelijkheidsbeginsel: discriminatie op grond van nationaliteit is verbodenbijv. Spanje mag personen,
goederen en diensten uit andere lidstaten niet anders behandelen van personen, goederen en
diensten uit Spanje
, De Europese interne markt bestaat uit 3 onderdelen:
1. Regels op het gebied van vrij verkeer;
In de EU geldt vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal. Het beginsel van vrij verkeer
betekent dat de handelsstroom tussen lidstaten niet belemmerd mag worden. Een lidstaat kan bijv. Niet
meer verbieden dat een product uit een andere lidstaat verkocht wordt. Is een product eenmaal in een
lidstaat in de handel gebracht, dan heeft dat product in principe vrije toegang tot alle nationale markten
van de EU.
2. Verbod op staatssteun;
De interne markt omvat nog een pijler, te weten het verbod op staatssteun. Staatssteun komt in veel
verschillende vormen voor. Je kunt bijv, denken aan subsidies die door de overheid worden gegeven.
Met een subsidie is het mogelijk voor een bedrijf om goedkoper te produceren. Een dergelijke subsidie
kan de interne markt schaden doordat het oneerlijke concurrentie creëert. Het geven van staatssteun in
de EU is daarom verboden.
3. Mededingingsregels;
Niet alleen de overheid kan de interne markt belemmeren, ook bedrijven kunnen met hun marktgedrag de
interne markt verstoren. Zij kunnen bijv. Afspraken met elkaar maken over de prijs die ze voor hun
producten vragen, waardoor de concurrentie wordt beperkt en consumenten te veel betalen. Dit noemen
we kartelvorming. Kartelvorming in de EU is verboden en wordt door de Commissie met hoge boeter
bestraft.
Voorbeeld van kartelvorming = bierbrouwers maken prijsafspraken, waardoor de consument wordt
benadeeld en krijgen door de Commissie een flinke boete opgelegd.
De Europese Unie heeft 5 instellingen:
1. Europese Raad
2. Europees Parlement
3. Europese Commissie
4. Raad van de Europese Unie
5. Hof van Justitie
1. Europese Raad;
De hoogste instelling is de Europese Raad. Deze instelling komt ook het meest in het nieuws, omdat hier
de belangrijkste beslissingen worden genomen. De Europese Raad sluit namelijk de verdragen: de
belangrijkste vorm van het Europese Recht. De rechtsbasis voor de samenstelling en de taken van de
Europese Raad zijn terug te vinden in artikel 15 VEU.
Staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten hebben zitting in de Europese Raad, samen met de
voorzitter van de Europese Commissie. De Europese raad heeft een vaste voorzitter. Nederland wordt in
de raad vertegenwoordigd door de minister-president. De Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor
Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid is lid van de Europese Commissie, maar als de Europese raad
het over buitenlandse zaken en veiligheid heeft, neemt deze ook deel aan de samenwerking en
overleggen van de Europese Raad.
Taken van de Europese Raad zijn verdragen opstellen en verdragen wijzigen.
De wijzigingen worden voorbereid door juristen en diplomaten uit alle lidstaten. In het proces zullen al
compromissen gesloten worden. Uiteindelijk komt de EU raad bij elkaar voor een definitieve vaststelling
van een nieuw verdrag. Een beslissing in de Europese raad wordt meestal genomen met unanimiteit.
2. Europees Parlement (EP);