Opgave 1.1
In beginsel heeft een vennootschap recht op verliescompensatie (art. 20 Wet VPB). Er is echter geen
verliesverrekening indien het uiteindelijke belang in belangrijke mate is gewijzigd (art. 20a Wet VPB).
‘Belangrijke mate’ wil zeggen dat de activiteiten van het verlieslichaam zijn afgenomen tot minder
dan 30%. Toch kan zich nog een uitzondering voordoen. Zo volgt uit art. 20a lid 2 sub b Wet VPB dat
er toch voorwaarts verrekend mag worden als de belastingplichtige al minimaal 1/3 van het belang in
handen had.
In art. 20a lid 1 Wet VPB is bepaald dat wanneer een belangenwijziging zich voordoet, je het resultaat
van dat jaar moet splitsen in een deel van vóór de belangenwijziging en in een deel dat na de
belangenwijziging is ontstaan. Nu in het deel vóór de belangenwijziging een verlies is gemaakt van
€ 100.000, wordt dit toegerekend aan het voorafgaande jaar, 2019. Dit betekent dat de belastbare
winst van 2019 wordt verlaagd van € 400.000 naar € 300.000. Het verlies dat na de belangenwijziging
is geleden, € 150.000, wordt toegerekend aan 2021. De belastbare winst van 2020 is nihil.
Opgave 1.2
H BV had 20% in handen van W BV, maar door het nieuwe bezit van TH BV is dit veranderd naar 40%.
Daarmee wordt voldaan aan de uitzondering van art. 20a lid 2 sub b Wet VPB.
Opgave 1.3
De vraag is bij wie getoetst moet worden of een uiteindelijk belang van 1/3 wordt uitgebreid. In het
verleden heeft de Staatssecretaris van Financiën het standpunt ingenomen dat dit zou moeten
gebeuren bij de aandeelhouders (in casu A, B, C en D). Deze opvatting is door de Hoge Raad
verworpen. De uitbreiding van een uiteindelijk belang kan ook bij een vennootschap plaatsvinden. De
Staatssecretaris heeft daarom zijn mening herzien en is nu van mening dat de uitbreiding van een
uiteindelijk belang bekeken moet worden bij de ‘bovenste’ vennootschap, in dit geval A BV, B BV, C
BV en D BV. Die vennootschappen hebben ieder 25% in H BV. Vóór de koop door TH BV van 60% van
de derde, hadden A BV, B BV, C BV en D BV ieder een belang van 10% in W BV (40% van 25%).
Daarmee wordt niet voldaan aan de voorwaarde van art. 20a lid 2 sub b Wet VPB. In de literatuur
wordt echter het standpunt verdedigd dat de wijziging van het belang bekeken moet worden vanuit
H BV.
Opgave 2
Boek BV zou het pand kunnen verkopen aan een verbonden lichaam, zoals een nieuw opgerichte
dochter. Door de verkoop realiseert Boek BV een winst van € 1.500.000. De winst kan vervolgens
worden verrekend met het recht op verliescompensatie. Na de verkoop maakt de nieuwe dochter
geen winst meer op het pand, want het pand staat bij haar dan al in de boeken voor € 2.500.000.
Eventueel kan er na de verkoop een fiscale eenheid worden gevormd.