Dit bestand bevat alle aantekeningen van de hoorcolleges van de cursus ‘forensische psychologie’
aan de Tilburg University. De cursus is een verplicht onderdeel van de master forensische klinische
psychologie. Het betreft de zes hoorcolleges die gegeven zijn in het collegejaar 2020/2021 blok 1.
,Forensische psychologie week 1 (04-09-2020)
Deel 1 hoorcollege introductie
‘Klinische forensische psychologie’: Dit is een wetenschap die zich bezig houdt met afwijkend
(antisociaal) gedrag, persoonlijkheid, cognities, preventie, interventie en diagnostiek. Deze
wetenschap is een snijvlak met andere takken van psychologie (medisch, biologisch, ontwikkeling en
sociaal).
Het forensische werkveld bestaat uit:
Politiebureaus en Hvb
Gevangenis en PPC
Pro-justitia rapportage (NIPF)
Zorginstellingen:
- Forensische psychiatrische poliklinieken deeltijdbehandeling
- Forensische woonbegeleiding (F-RIBW) – niveau 1
- Forensische psychiatrische afdelingen (FPA) – niveau 2
- Forensische psychiatrische klinieken (FPK) – niveau 3
- Forensische verslavingszorg klinieken
- Forensische Psychiatrische centra (FPC), ook wel tbs-klinieken – niveau 4
Niveau 1 geeft een erg lage mate van beveiliging weer. Hoe hoger het niveau, hoe meer beveiliging
en hoe minder vrijheid de cliënt heeft.
Hoe kun je delicten voorkomen? En wat moet je met iemand die en delict heeft gepleegd? Dat zijn
twee belangrijke vragen tijdens deze cursus.
Recidive en criminaliteit ie niet exact te voorspellen, het blijft een sociale wetenschap. Er word wel
steeds gekeken hoe de risicotaxatie verbeterd kan worden. Voor risicotaxatie worden instrumenten
gebruikt.
Uiteindelijke leerdoelen van deze cursus zijn:
Een expert worden op het gebied van geestelijke gezondheidszorg van ontregelde
volwassenen en jongeren.
Scientist-practitioner: kritisch nadenken over klinische praktijk; vraagstukken uit de praktijk
oppakken en analyseren = perfecte combinatie.
Expliciet zijn de leerdoelen van deze cursus:
Basisterminologie reproduceren en toepassen in de verklaring van antisociaal en crimineel
gedrag.
Verklaringsmodellen van antisociaal gedrag bij jeugdigen en volwassenen gebruiken.
De link tussen stoornis en delict leggen en toepassen op casussen binnen de forensische
psychologie.
Belangrijke inzichten op het gebied van jeugddelinquentie toepassen.
Risicofactoren en theorieën binnen de forensische psychologie identificeren en toepassen.
,Vier dadergroepen:
1. Jeugddelinquentie: jeugdige moordenaars
2. Patiënten met een ontwikkelingsstoornis: ADHD en ASS
3. Zedendelinquenten: vrouwelijke zedendelinquenten
4. Plegers van huiselijk geweld: pleger van partnergeweld en kindermishandeling en overlap in
huiselijk geweld
Deel 2 hoorcollege geschiedenis
Forensische psychologie heeft een lange geschiedenis die kort wordt toegelicht:
Voor christus: De oorsprong van ‘forensische psychologie’ begint bij ‘Hippocrates’ (460-377 voor
christus): Hippocratus werd er bij gehaald als medicus om de rechter te informeren over de mate
waarin de dader verantwoordelijk gehouden kan worden.
Middeleeuwen: ‘onder curatele van familie’: betekent dat als iemand ‘onnozel’ was dat de persoon
zelf niet de straf kreeg, maar dat de familie de straf kreeg. Hier werd dus al rekening gehouden met
dat niet iedereen verantwoordelijk werd gehouden. Hierbij had de familie ook het recht om een
persoon op te sluiten > ‘Machtiging voor opsluiten’.
15e – 17e eeuw: In de 15e eeuw ontstonden er dolhuizen, dit was een plek om mensen buiten de
maatschappij te houden. Hier was wel een soort erkenning dat er mensen ‘dol’ waren en niet
doorgewinterde criminelen.
In 16e en 17e eeuw waren er heksenjachten. Hierbij werden heksen opgesloten in kerken zodat ze
genazen werden door God. In het oudste ziekenhuis van Nederland waren ook ketens om mensen
aan wanden te leggen.
Johannes Wier (1515-1588): er kwam een stroming op waar Wier een voorloper van was. Deze
stroming had het idee dat er iets in het brein van de criminelen was die ervoor zorgde dat ze
crimineel werden.
18e eeuw: hierin kwam de grote ommekeer: de Verlichting. Tijdens de Franse Revolutie gingen de
mensen uit van de vrije wil. Dus iemand was verantwoordelijk voor al zijn daden. Het recht was gelijk
voor iedereen, geen verzachtende omstandigheden voor psychisch gestoorden.
1809: Crimineel wetboek (hiervoor was het aan de willekeur van de rechter). Sinds het crimineel
wetboek was er geen willekeur meer; maar vaste wetten. In 1811 werd ‘Code Pénal’ overgenomen,
dat is het wetboek van Frankrijk.
, 1886: invoering Wetboek van Strafrecht, dit is nog steeds leidend. Hierin was meer aandacht voor
psychische afwijkingen: natuurwetenschappelijke benadering. In de 19 e eeuw was hier sowieso meer
aandacht voor. Er werd steeds meer gekeken naar waar het crimineel gedrag vandaan komt.
Engeland > ‘moral treatment’ > behandeling en aandacht voor mensen die moeite hebben met goed
en kwaad. Later kwamen er enkele wettelijke regelingen voor opsluiting van psychisch gestoorden.
19e eeuw: Pinel: ‘manie sans délire’: meer gevallen waarin delinquenten niet werden gestraft
vanwege mentale problematiek. Hiervoor was er alleen aandacht voor mensen met een delier of een
intellectuele beperking. Maar Pinel zag dat er ook mensen waren die intellectueel normaal waren
maar die meer een affectieve afwijking hadden. Een afwijking in de gemoedstoestand of
impulscontrole.
1841: de eerste ‘krankzinnigenwet’: meer supervisie en verbetering van de zorg.
Later: TBS: wordt opgelegd bij; zware vergrijpen, niet volledig toerekeningsvatbaar en hoog
recidiverisico.
Verklaringen mentale stoornissen en criminaliteit:
Erfelijkheid: psychologische kenmerken, crimineel gedrag en immoreel gedrag afgeleid van
fysieke kenmerken (Lombrosso).
Degeneratie: de genen verslechteren met elke generatie, dus als ouders al niet helemaal
goed waren, zouden kinderen crimineel worden.
Evolutie: Darwin ging uit van het idee dat mens zich evolueert tot een moreel juist wezen,
dus crimineel gedrag is een devolutie (stap terug).
Neurologische verklaringen: Phineas Gage; veranderde in gedrag nadat hij een loden pijp
door zijn hoofd kreeg. Hierdoor werd er meer onderzoek gedaan naar de link tussen
hersenen en gedrag.
Strafrecht jeugdigen in 19e / 20e eeuw:
Eerder: geen onderscheid tussen kind en volwassene
Tijdens Code pénal: ‘zonder oordeel des onderscheids’ dit kwam er op neer dat kinderen niet altijd in
staat om een moreel juiste keuze te maken.
1905: invoering van kinderwetten.
Van straffen en wreking naar verbetering >> staat in het teken van de verschuiving naar moderne
strafrechtschool: belang dader, niet de daad:
Gericht op herstel/verbetering
Rechtvaardige straf
Dit leidde tot mildere straffen, maar garantie veiligheid burgers?
20e eeuw: Voorstel van Hamel:
Lichtere vergrijpen: maatregel of straf ter afschrikking
Zwaardere vergrijpen: behandeling en verpleging van lange duur
Zeer zware gevallen: terbeschikkingstelling van de regering; behandeling van 10 jaar en
daarna verder overweging
1928: psychopatenwetten – opname strafrecht: tbs van de regering en verpleging
Veel nieuwe instellingen > stopwet in 1933
Ontwikkelingen na de tweede wereldoorlog:
Commissie naoorlogs strafrecht: genuanceerde opvattingen
‘Utrechtse school’: Baan, Pompe en Kempe zijn internationaal toonaangevend
Betere zorg voor gevangenen en ook speciale zorg voor gedetineerden met een psychische
stoornis