Bestuurlijke netwerken en
instituties.
Introductiecollege.
Het gaat hier om netwerken en organisaties. Er
zijn bepaalde hiërarchieën in een netwerk.
Ferguson (2017): netwerken gebruiken om de
geschiedenis van bestuur en beleid te gebruiken.
Dingen gaan zoals ze gaan als gevolg van
netwerken en hiërarchieën.
Prestatie is beter wanneer een organisatie goed
is ingespeeld op netwerken -> samenwerken
met bijvoorbeeld media, andere organisaties ect.
(denk aan Trump vs Hillary).
Netwerktechnologieën zijn steeds belangrijker
geworden. Denk aan het gebruik van mobiele
telefoon, social media.
Netwerken zijn altijd heel belangrijk geweest, dit wordt nóg erger door het belang/ gebruik
van netwerktechnologie.
Acemoglu & Robinson (2012): netwerken en instituties hebben enorm veel invloed op welvaart/
armoede. Deze auteurs gaan zelfs zo ver dat netwerken de reden zijn waarom sommige landen rijk
zijn en andere landen arm -> verschil tussen succes of falen van landen. Het gaat hier om inclusieve
en extractieve instituties.
Landen, regio’s, steden worden met elkaar vergeleken. Er wordt veel gewerkt met contrasten. Wat is
het verschil tussen rijk en arme gebieden (op welke schaal dan ook). Instituties zijn hiervoor enorm
van belang. Het voorbeeld wat hierbij wordt benoemd is noord vs zuid Amerika. Ander verschil is
Noord Korea vs Zuid Korea -> instituties. Wordt gezorgd voor veel kansen/ spreiding van kansen, of
juist kansen voor welvarende families en minder voor anderen.
Aanvullend.
Institutioneel perspectief -> netwerken en instituties.
Cultureel perspectief -> cultuur, normen en waarden en geschiedenis.
Institutionele contrasten: Acemoglu & Robinson.
Noord-Korea vs Zuid-Korea, Zuid-Amerika vs Noord-Amerika, China/ Rusland vs Engeland/ Frankrijk,
Congo vs Botswana.
Het gaat vaak om wegkomen met bijvoorbeeld dictatuur, extractie ect. Of kan dit niet? Wanneer er
sprake is van netwerken en instituties leidt dit vaak tot inclusiviteit en daardoor voor hogere
welvaart.
Verklaringen.
instituties.
Introductiecollege.
Het gaat hier om netwerken en organisaties. Er
zijn bepaalde hiërarchieën in een netwerk.
Ferguson (2017): netwerken gebruiken om de
geschiedenis van bestuur en beleid te gebruiken.
Dingen gaan zoals ze gaan als gevolg van
netwerken en hiërarchieën.
Prestatie is beter wanneer een organisatie goed
is ingespeeld op netwerken -> samenwerken
met bijvoorbeeld media, andere organisaties ect.
(denk aan Trump vs Hillary).
Netwerktechnologieën zijn steeds belangrijker
geworden. Denk aan het gebruik van mobiele
telefoon, social media.
Netwerken zijn altijd heel belangrijk geweest, dit wordt nóg erger door het belang/ gebruik
van netwerktechnologie.
Acemoglu & Robinson (2012): netwerken en instituties hebben enorm veel invloed op welvaart/
armoede. Deze auteurs gaan zelfs zo ver dat netwerken de reden zijn waarom sommige landen rijk
zijn en andere landen arm -> verschil tussen succes of falen van landen. Het gaat hier om inclusieve
en extractieve instituties.
Landen, regio’s, steden worden met elkaar vergeleken. Er wordt veel gewerkt met contrasten. Wat is
het verschil tussen rijk en arme gebieden (op welke schaal dan ook). Instituties zijn hiervoor enorm
van belang. Het voorbeeld wat hierbij wordt benoemd is noord vs zuid Amerika. Ander verschil is
Noord Korea vs Zuid Korea -> instituties. Wordt gezorgd voor veel kansen/ spreiding van kansen, of
juist kansen voor welvarende families en minder voor anderen.
Aanvullend.
Institutioneel perspectief -> netwerken en instituties.
Cultureel perspectief -> cultuur, normen en waarden en geschiedenis.
Institutionele contrasten: Acemoglu & Robinson.
Noord-Korea vs Zuid-Korea, Zuid-Amerika vs Noord-Amerika, China/ Rusland vs Engeland/ Frankrijk,
Congo vs Botswana.
Het gaat vaak om wegkomen met bijvoorbeeld dictatuur, extractie ect. Of kan dit niet? Wanneer er
sprake is van netwerken en instituties leidt dit vaak tot inclusiviteit en daardoor voor hogere
welvaart.
Verklaringen.