de Klinische Praktijk, Klinische
Psychologie
Aantekeningen + literatuur HC1.............................................................................................................2
Aantekeningen + literatuur HC2.............................................................................................................4
Aantekeningen + literatuur HC3.............................................................................................................8
Aantekeningen + literatuur HC4...........................................................................................................10
Aantekeningen + literatuur HC5..........................................................................................................12
Aantekeningen + literatuur HC6..........................................................................................................13
Aantekeningen + literatuur HC7...........................................................................................................15
,Aantekeningen + literatuur HC1
Het diagnostische proces is opgebouwd uit drie stappen;
1) Hypothese vorming; theorievorming over de gedragingen, cognities en emoties/motivaties
2) Keuze meetinstrumenten; operationalisatie en metingen van problemen/klachten
3) Toepassing van relevante diagnostische methodes
Bij het diagnostische proces wordt er gekeken vanuit het biopsychosociaal model. Hierbij wordt er
rekening gehouden met biologische, psychologische en sociale-culturele factoren die een rol kunnen
spelen bij de klachten die de cliënt ervaart.
Verschillende “lenzen” binnen de biopsychosociaal model;
Biologische lens; gezondheidsfactoren of medische diagnoses kunnen invloed hebben op de
psychologische symptomen. Bijvoorbeeld bloedarmoede kan waargenomen worden als
depressie.
Psychologische lens; het vaststellen van een bias die ontstaat door cognitieve processen.
Bijvoorbeeld cliënten met depressie hebben de neiging pessimistischer te zijn.
Sociale-culturele lens; er wordt gekeken naar omgevingsfactoren die kunnen dienen als stressor
of beschermende factor. Bijvoorbeeld familie structuur, sociale en culturele netwerken.
Historische context; in sommige gevallen kan de cliënt zijn/haar geschiedenis verdraaien, versterken
of verzwakken. Het is daarom belangrijk om dit te bevestigingen aan de hand van andere bronnen.
Familiegeschiedenis; de symptomen van de cliënt worden in perspectief geplaatst met zijn/haar
genetische en niet-genetische familiegeschiedenis. Hiermee kan de mogelijke biologische bijdrage
van bepaalde symptomen bepaald worden.
Ontwikkelingscontext; er wordt gekeken naar hoe de symptomen zich hebben ontwikkeld over tijd.
Hierbij wordt er onder andere gekeken naar het eerste moment dat de cliënt de symptomen kreeg.
De vijf basisvragen binnen de diagnostiek;
1) Onderkenning; wat zijn de problemen? Onderkenningsvragen kunnen op verschillende manieren
meetbaar gemaakt worden;
a) Criteriumgericht; een vooraf bepaalde standaard
b) Normgericht; een representatieve vergelijkingsgroep/ doelgroep
c) Ipsatief; er wordt gekeken vanuit het individu bijvoorbeeld een eerder meetmoment
2) Verklaring; wat houdt de problemen in stand? Er kan hierbij een onderscheid gemaakt worden in
vier verschillende verklaringen;
a) Persoonsgerichte en situatiegerichte locus
i) Voorbeeld persoonsgerichte locus; extreme verlegenheid
ii) Voorbeeld situatiegerichte locus; overvolle klas
b) Aarde van controle; was het een vrijwillige of intentionele keuze?
c) Synchrone en diachrone condities
i) Synchrone conditie; de verklaringscondities vallen in tijd samen met het verklarende
gedrag. Voorbeeld; geïrriteerd gedrag naar leidinggevende en tegelijkertijd ervaren van
huwelijksproblemen.
ii) Diachrone condities; de verklaringscondities gaan vooraf aan het verklarende gedrag.
Voorbeeld; onveilige hechtingsstijl die doorwerkt in huidige huwelijksproblemen.
d) Inducerende en continuerende condities
2
, i) Inducerende condities; doen een gedragsprobleem laten ontstaan. Voorbeeld; een
eerdere angstige ervaring met een hond.
ii) Continuerende condities; houden een gedragsprobleem in stand. Voorbeeld; de
aandacht wordt gericht op alles dat op een hond lijkt.
3) Predictie/voorspellend; hoe zullen de problemen zich ontwikkelen in de toekomst? Meestal is dit
niet bekend of erg moeilijk te onderzoeken.
4) Indicatie; hoe kunnen de problemen verholpen worden?
5) Evaluatie; zijn de problemen voldoende verholpen?
Er zijn drie diagnostische basismethodes;
1) Gesprek; er wordt informatie verzamelt, een professionele werkrelatie opgebouwd en een
inschatting gedaan voor het vervolgtraject. Hierbij wordt er een onderscheid gemaakt in een
intakegesprek en (semi-)gestructureerde interview.
2) Observatie; er zijn twee soorten gedragsobservatie;
a) Ongestandaardiseerde observaties tijdens testafname; werkhouding, werktempo et cetera
b) Gestandaardiseerde observaties zoals BAT, SSIT et cetera
3) Gestandaardiseerde meetinstrumenten
Observatiefouten die kunnen ontstaan bij ongestandaardiseerde observaties;
Leniency-effect; de neiging om bekende of vrienden hoger op een bepaalde eigenschap in te
schatten.
Halo-effect; de neiging om alle eigenschappen te beoordelen in de richting van een algemene
indruk.
Logicafout; de neiging om gelijksoortige oordelen te geven op eigenschappen die met elkaar
verbonden lijken te zijn.
Contrastfout; de neiging om andere tegengesteld aan zichzelf op een bepaalde eigenschap te
beoordelen.
Neiging om vooral gemiddeldes te geven en extreme oordelen te vermijden.
Diagnose behandel combinaties (DBC); een efficiënte wijze waarbij de cliënt gediagnosticeerd wordt
en vervolgens doorverwezen wordt voor een protocollaire behandeling op een afdeling. Nadelen van
DBC zijn;
De klachten van een cliënt passen vaak in meerdere afdelingen
De afdelingen zijn sterk gericht op klachten die horen binnen die afdeling
Er is weinig onderzoek naar de interactie tussen een specifieke diagnose en type behandeling
Onvoldoende tijd voor uitvoerige diagnostische onderzoek naar de oorzaken van de klachten
Cliëntvariantie; wanneer er sprake is van inconsistentie in het verhaal van de cliënt.
Criteriumvariantie; wanneer er sprake is van fouten of onvolledigheden in het diagnostische systeem.
Informatievariantie; wanneer er sprake is van variantie tussen clinici in de soort vragen die ze stellen,
hoe ze observeren en hoe ze verkregen informatie organiseren.
3